Psalm 54:1-5
Wij kunnen hier opmerken:
1. De grote benauwdheid, waarin David zich toen bevond, waarvan het opschrift ons een bericht geeft. De Zifieten kwamen uit eigen beweging, en deelden aan Saul mee waar David was, met de belofte hem in zijn handen over te leveren. Men zou gedacht hebben dat David niet vervolgd zou zijn geworden toen hij zich had teruggetrokken op het land, niet ontdekt zou zijn geworden toen hij in een woest land was, niet verraden zou zijn geworden toen hij een toevlucht had gezocht in zijn eigen land, maar toch was hij dit. Laat geen godvruchtige verwachten veilig en gerust te kunnen zijn voor hij in de hemel is. Hoe verraderlijk, hoe gedienstig, waren deze Zifieten! Het Is heerlijk dat God getrouw is, want mensen zijn niet te vertrouwen, Micha 7:5.
2. Zijn gebed tot God om hulp en verlossing, vers 3, 4. Hij doet een beroep op Gods macht, door welke Hij in staat is hem te helpen en op Zijn naam, door welke Hij zich verbonden heeft hem te helpen en bidt dat Hij hem verlossen zal van zijn vijanden, hem recht zal doen, zijn zaak zal voorstaan, en voor hem recht doen zal. David heeft geen andere pleitgrond om op te steunen dan Gods naam, geen andere macht om op te steunen dan Gods macht en die maakt hij tot zijn toevlucht en betrouwen. Dit zal de krachtdadige, afdoende verhoring zijn van zijn gebeden, vers 4, die hij zelfs op zijn vlucht, toen hij geen gelegenheid had voor een plechtig spreken tot God, tot de hemel heeft opgezonden. Hoor mijn gebed, dat uit mijn hart tot U opgaat, en neig de oren tot de redenen mijns monds.
3. Zijn pleitgrond, die ontleend is aan de aard van zijn vijanden, vers 5..
a. Het zijn vreemden, dat waren de Zifieten, daar zij de naam van Israëlieten onwaardig waren. Zij hebben mij laaghartiger en wreder behandeld dan de Filistijnen zelf mij behandeld zouden hebben. De ergste behandeling kan men verwachten van hen, die door de banden van bloedverwantschap heengebroken hebbende, zich tot vreemden hebben gemaakt.
b. Zij zijn tirannen, verdrukkers, dat was Saul, die, als koning, zijn macht had moeten gebruiken voor de bescherming van al zijn goede onderdanen, maar haar misbruikt heeft tot hun verderf. Niets is zo grievend als "verdrukking ter plaatse des gerichts" Prediker 3:16. Paulus was het meest in gevaar van "zijn geslacht en van de valse broederen," 2 Corinthiers 11:26, en zo was het ook met David.
c. Zij waren zeer geducht en dreigend, zij haatten hem niet slechts, en wensten hem niet alleen kwaad toe, maar zij stonden allen tezamen tegen hem op, hun macht verenigende om hem kwaad te doen.
d. Zij waren zeer boosaardig, zit zoeken mijn ziel, zij leggen het toe op mijn leven, met niets minder willen zij tevreden zijn. Wij mogen in het geloof bidden dat God aan zulke wrede, bloeddorstige mannen in Zijn voorzienigheid geen voorspoed zal geven, opdat het de schijn niet zou hebben dat luit hen steunde, hun handelingen goedkeurde. e. Zij waren zeer goddeloos en atheïstisch, en daarom dacht hij dat het Gods zaak en belang was om tegen hen op te treden. Zij stellen God niet voor hun ogen, zij hebben de gedachte van God geheel van zich afgeworpen, zij bedenken niet dat zijn oog op hen is, dat zij, door met Zijn volk te strijden tegen Hem, ook hebben zij geen vrees voor de stellige en noodlottige gevolgen van zo'n ongelijker strijd. Van hen, die God niet voor hun ogen stellen, is geen goeds te verwachten, aan welke goddeloosheid zullen zulke mensen zich niet schuldig maken? Welke banden van de natuur, van de vriendschap, van de dankbaarheid of des verbande zullen hen houden die door de vreze Gods hebben heengebroken Sela. Let hier op. Laat ons allen God te allen tijde voor onze ogen stellen, want zo wij het niet doen, dan zijn wij in gevaar van reddeloos verloren te gaan.