Psalm 51:9-15
I. Zie hier waar David om bidt, vele voortreffelijke gebeden zendt hij hier op tot God, en zo we er slechts een om Christus' wil aan toevoegen, zijn zij zo Evangelisch als welk ander gebed ook.
1. Hij bidt dat God hem zal reinigen van zijn zonden en van de verontreiniging, die hij er door heeft opgedaan, vers 9. "Ontzondig mij, of reinig mij met hysop, vergeef mijn zonden, en doe mij weten dat zij vergeven zijn, opdat ik wederom de voorrechten deelachtig moge worden, die ik door de zonde verbeurd en verloren heb." De uitdrukking, welke hier gebruikt is, is een toespeling op een ceremonieële handeling, namelijk die van de reiniging van een melaatse, of van hen, die door de aanraking van het een of ander onrein lichaam verontreinigd waren geworden, door met een bundeltje hysop water of bloed, of beide, op hen te sprengen, waardoor zij dan ontheven werden van het bedwang of de beperking, die hun wegens hun verontreiniging was opgelegd. Heere, laat mij evenzeer verzekerd zijn van mijn herstelling in Uw gunst en tot het voorrecht van gemeenschapsoefening met U, als zij daardoor verzekerd zijn geworden van hun wedertoelating tot hun vroegere voorrechten" Maar het is gegrond op Evangeliegenade, ontzondig mij met hysop, met het bloed van Christus, toegepast op mijn ziel door een levend geloof, gelijk water van de reiniging met een bundeltje hysop gesprenkeld werd. Het is het bloed van Christus, dat daarom "het bloed van de besprenging" genoemd wordt, Hebreeën 12:24, dat het geweten reinigt van dode werken, van die schuld van de zonde en vrees voor God, die ons buitensloot van gemeenschapsoefening met Hem, zoals de aanraking van een dood lichaam een mens onder de wet buitensloot van de voorhoven van Gods huis. Indien dit bloed van Christus, hetwelk reinigt van alle zonde, ons reinigt van onze zonde, dan zullen wij waarlijk rein zijn, Hebreeën 10:2. Indien wij in deze geopende fontein gewassen zijn, dan zullen wij witter zijn dan sneeuw, niet slechts vrijgesproken, maar welbehaaglijk, aldus zijn zij, die gerechtvaardigd zijn, Jesaja 1:18. "Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw."
2. Hij bidt dat, zijn zonden vergeven zijnde, hij de vertroosting van die vergeving mocht smaken. Hij vraagt niet om vertroost te worden voordat hij gereinigd is, maar als de zonde, de bittere wortel van de smart, weggenomen is, dan kan hij in het geloof bidden: "Doe mij vreugde en blijdschap horen, vers 10 laat mij een welgegronde vrede hebben, die door U teweeggebracht is, zodat de beenderen, die Gij door overtuiging van zonde en door Uw bedreigingen verbrijzeld hebt, zich in waarheid kunnen verheugen, en zoals de profeet zegt: zullen groeien als het tedere gras." De smart van een hart, dat waarlijk verbroken is om de zonde, kan zeer gepast vergeleken worden bij de pijn van gebroken beenderen, en het is dezelfde Geest, die als een Geest van de dienstbaarheid slaat en doorwondt en als een Geest van de aanneming geneest en verbindt. De vertroosting en blijdschap, die voortkomen uit een vergeving, welke aan de berouwvolle zondaar verzegeld is, zijn even verkwikkend als een volkomen wegneming van de scherpste pijn. Het is Gods werk, niet alleen om deze vreugde en blijdschap te spreken, maar ze ons te doen horen en er ons de vertroosting van te doen smaken. Vurig begeert hij dat God het licht Zijns aangezichts over hem zal doen lichten, en aldus blijdschap in zijn hart zal geven, dat Hij niet slechts met hem verzoend zal zijn, maar dat Hij hem, als nog een verdere daad van genade, dit zal doen weten.
3. Hij bidt om een volledige vergeving. Daar dringt hij het meest op aan als zijnde de grond van zijn vertroosting, vers 11. Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, laat die U er niet toe brengen om met mij te handelen naar ik het verdien, zij zijn steeds voor mij, dat die achter Uw rug geworpen worden, delg mijn overtredingen uit uit het boek, waarin zij geschreven zijn," delg ze uit zoals een wolk door de stralen van de zon", Jesaja 44:22.
4. Hij bidt om heiligende genade, en ieder waar boetvaardige begeert die even vurig als vergeving en vrede, vers 12. Hij bidt niet: Heere, bewaar, red mijn eer en goede naam", zoals Saul: Ik heb gezondigd, maar eer mij toch nu voor het volk. Neen, zijn grote begeerte is dat zijn verdorven natuur veranderd zal worden. De zonde, waaraan hij zich had schuldig gemaakt, was:
a. Een bewijs van haar onreinheid, en daarom bidt hij Schep mij een rein hart, o God! Nu zag hij, meer dan ooit tevoren, welk een onrein hart hij had, en betreurt dit diep, maar hij ziet dat het niet in zijn eigen macht is om het te verbeteren, en daarom bidt hij God, wiens kroonrecht het is te scheppen dat Hij in hem een rein hart zal scheppen. Hij alleen, die het hart gemaakt heeft, kan het opnieuw maken, aan Zijn macht is niets onmogelijk. Hij schiep de wereld door het woord van Zijn kracht, als de God van de natuur, en het is door het woord van Zijn kracht als de God van de genade, dat wij "rein zijn," Johannes 15:3, dat wij "geheiligd" zijn, Johannes 17:17..
b. Zij was de oorzaak van haar wanorde, en zij had veel van het goede werk, dat in hem gedaan was, ongedaan gemaakt, en daarom bidt hij: Heere, vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest, herstel het verval van geestelijke kracht, die deze zonde veroorzaakt heeft. Vernieuw een gestadige geest in mij, zo lezen het sommigen. Hij had in deze zaak veel onstandvastigheid in zich ontdekt, veel dat onbestaanbaar was met zijn karakter, en daarom bidt hij: "Heere, geef mij vastheid voor het vervolg, opdat ik nooit weer aldus van U afwijke."
5. Hij bidt om de voortduur van Gods welwillendheid jegens hem, en de voortgang van Zijn goed werk in hem, vers 13..
a. Dat hij nooit buitengesloten zal zijn van Gods gunst. "Verwerp mij niet van Uw aangezicht, als een die Gij verafschuwt." Hij bidt dat hij niet buiten Gods bescherming gesteld zal worden maar overal waar hij heengaat Gods nabijheid zal hebben, onder de leiding zal zijn van Zijn wijsheid, en in de bewaring van Zijn macht, en dat het hem niet verboden zal worden gemeenschap met Hem te oefenen. "Laat mij niet verbannen zijn uit Uw voorhoven, maar laat mij steeds toegang tot U hebben door het gebed." De tijdelijke oordelen, waarmee God hem bedreigd heeft, bidt hij niet af, Gods wil geschiede aan mij," maar, "Heere, straf mij niet in Uw toorn. Indien het zwaard in mijn huis komt, om er nooit meer van te wijken, laat mij dan toch een God hebben tot wie ik de toevlucht kan nemen in mijn benauwdheid, en dan zal alles wel wezen."
b. Dat hij nooit ontbloot zal zijn van Gods genade, neem Uw Heiligen Geest niet van mij. Hij wist dat hij door zijn zonde de Geest had bedroefd, Hem er toe gebracht had om zich van hem terug te trekken, en dat, daar hij ook vlees was, God rechtvaardig had kunnen zeggen dat Zijn Geest niet langer met hem zal twisten, of op hem zal werken, Genesis 6:3. Dit vreest hij meer dan wat het ook zij, als God Zijn Heiligen Geest van ons neemt, zijn wij verloren. Hoe bovenmate zondig, hoe uiterst rampzalig was hij, toen de Geest des Heeren was geweken! David wist dit, en daarom bidt hij zo vurig: "Heere, wat Gij mij ook ontneemt, mijn kinderen, mijn kroon, mijn leven, "neem Uw Heiligen Geest niet van mij", Zie 2 Samuël 7:15, maar laat Uw Heiligen Geest bij mij blijven om het werk van berouw en bekeuring in mij te volmaken, om mij te weerhouden van opnieuw in de zonde te vallen, en mij bekwaam te maken om mij te kwijten van mijn plicht als vorst en als psalmist." 6. Hij bidt om de wederherstelling van de Goddelijke vertroostingen en de bestendige mededelingen van de Goddelijke genade, vers 14. David ondervindt twee kwade gevolgen van zijn zonde.
a. Zij had hem treurig gemaakt, en daarom bidt hij: geef mij weer de vreugde van Uw heil. Een kind van God kent geen ware of degelijke vreugde, dan de vreugde van Gods heil blijdschap in God zijn Zaligmaker, en in de hope des eeuwigen levens. Door moedwillige zonde verbeuren wij deze vreugde en beroven wij ons ervan, de blijken en bewijzen van ons kindschap moeten dan wel omfloerst zijn, en onze hoop aan het wankelen gebracht, als wij onszelf zoveel reden geven om te twijfelen aan ons deel in de zaligheid, het heil, hoe kunnen wij dan verwachten er de blijdschap van te smaken. Maar als wij waarlijk berouw hebben, dan kunnen wij bidden en hopen dat God ons deze vreugde zal weergeven. Die in boetvaardige tranen zaaien, zullen in de vreugde van Gods heil maaien, als de tijd van de verkoeling dat is: van de verkwikking, zal gekomen zijn.
b. Zij had hem zwak gemaakt, en daarom bidt hij: de vrijmoedige geest ondersteune mij, ik ben gereed te vallen, hetzij in zonde, of in wanhoop, Heere, ondersteun mij, mijn eigen geest", hoewel de geest eens mensen zijn ziekte ondersteunt "volstaat niet, indien ik aan mijzelf wordt overgelaten, zal ik gewis verzinken, ondersteun mij dan door Uw Geest laat Hem de bozen geest tegenwerken, die mij van mijn hoogheid zou willen nederwerpen. Uw Geest is een vrije, vrijmoedige geest, zelf vrij, en vrij werkende, en die hen vrijmaakt, in wie Hij werkt, want waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid, Uw verheven, vorstelijke Geest." Hij was zich bewust, dat hij in de zaak van Uria, geheel niet verheven of vorstelijk gehandeld heeft, hij heeft er zich laag en armzalig in gedragen. "Heere", zegt hij, laat Uw Geest mij edele en edelmoedige beginselen ingeven, opdat ik te allen tijde handele, zoals het mij betaamt. Een vrije, vrijmoedige geest zal een vaste geest zijn, en zal mij ondersteunen. Hoe blijmoediger wij zijn in het volbrengen van onze plicht, hoe standvastiger wij er in zijn zullen.
II. Zie wat David hier belooft, vers 15.
Merk op,
1. Welk goed werk hij aan God belooft: ik zal de overtreders Uw wegen leren. David is zelf een overtreder geweest en daarom kon hij uit ervaring tot overtreders spreken, en zelf genade bij God gevonden hebbende in de weg des berouws, besluit hij aan anderen Godswegen te leren.
a. Onze weg tot God door berouw en bekering, hij wilde aan anderen die gezondigd hadden, leren hetzelfde richtsnoer te volgen, dat hij gevolgd had, zich te verootmoedigen, hun zonden te belijden en Gods aangezicht te zoeken, en,
b. Gods weg tot ons in vergevende genade, hoe bereid Hij is hen te ontvangen, die tot Hem weerkeren. De eersten leerde hij door zijn eigen voorbeeld ter besturing van de zondaren in hun berouw, de laatsten leerde hij door zijn eigen ervaring tot hun aanmoediging. Door deze psalm onderwijst hij overtreders, en zal dit blijven doen tot aan het einde van de wereld, hun verhalende wat God voor zijn ziel gedaan heeft. Boetelingen behoren predikers te wezen, Salomo was dit evenals ook de apostel Paulus.
2. Welk goed gevolg hij zich hiervan belooft: "zondaars zullen zich tot U bekeren, zij zullen noch volharden in van U af te dwalen, noch er aan wanhopen om genade bij U te vinden, als zij tot U weerkeren." Het grote doel, dat men zich voor ogen moet stellen in het onderwijzen van overtreders, is hun bekering tot God, dat is het gelukkige doel, dat bereikt moet worden, en zalig zijn zij, die er het middel voor zijn, of er toe bijdragen, Jakobus 5:20.