Johannes 17:17-19
Wat Hij verder voor hen bidt is, dat zij geheiligd mogen worden, niet slechts bewaard zullen worden van het boze, maar dat zij goed, dat is: heilig en Godvruchtig gemaakt zullen worden.
I. Hier is de bede, vers 17:Heilig hen in -of door- Uwe waarheid, door Uw woord, want Uw woord is de waarheid, het is waar -het is de waarheid zelf. Hij begeert, dat zij geheiligd zullen worden:
1. Als Christenen. Vader, maak hen heilig, dat zal hun bewaring zijn, 1 Thessalonicenzen 2:23. Merk hier op:
a. De begeerde genade-heiligmaking. De discipelen waren geheiligd, want zij waren niet van de wereld, toch bidt Hij: Vader, heilig hen, dat is: a. "Bevestig het werk der heiligmaking in hen, versterk hun geloof, ontvonk hun goede neigingen, bevestig hen in hun goede voornemens." b. Zet het goede werk voort in hen, laat het licht al meer en meer schijnen." c. "Voleindig het, kroon het met de volkomenheid der heiligheid, heilig hen geheel en al en ten einde toe." Het is het gebed van Christus voor al de Zijnen, dat zij geheiligd mogen worden, want Hij zou hen noch hier noch hiernamaals als de Zijnen kunnen erkennen, hen niet kunnen gebruiken in Zijn werk, noch hen kunnen voorstellen aan Zijn Vader, indien zij niet geheiligd worden. Zij, die door genade geheiligd zijn, hebben nodig al meer en meer geheiligd te worden. Zelfs discipelen moeten om heiligmakende genade bidden, want indien Hij, die het goede werk in ons begonnen heeft, het niet ook voleindigt, dan zijn wij verloren. Niet vooruit te gaan, dat is achteruit te gaan, wie heilig is, dat hij nog geheiligd worde, moet nog heiliger worden, moet voorwaarts gaan, moet opwaarts streven, zoals zij, die het nog niet verkregen hebben. Het is God, die heiligt, zowel als rechtvaardigt, 2 Corinthiërs 5:5. Het moedigt ons aan in ons bidden om heiligende genade, dat het hetgeen is, waar Christus om bidt voor ons.
b. Het middel om deze genade te verlenen-door Uwe waarheid, Uw woord is de waarheid. Niet, dat de Heilige Israël's hierdoor beperkt is tot middelen, maar in den raad des vredes was dit, onder andere dingen, aldus geschikt en overeengekomen. a. Dat alle nodige waarheid in Gods woord begrepen en kortelijk saamgevat zou zijn. De Goddelijke openbaring, zoals wij haar nu hebben in het geschreven woord, is niet slechts zuivere waarheid, zonder bijmengsel, maar de gehele waarheid zonder gebrek of onvolkomenheid. b. Dat dit woord der waarheid het uitwendige en gewone middel zou zijn van onze heiligmaking, niet in of op zichzelf, want dan zou het altijd heiligmaking teweegbrengen, maar als het middel, dat de Geest gewoonlijk gebruikt om het goede werk te beginnen en voort te zetten, het is het zaad der nieuwe geboorte, 1 Petrus 1:23, en het voedsel van het nieuwe leven, 1 Petrus 2:1, 2.
2. Als Evangeliedienaren. "Heilig hen, zonder hen af voor U en Uwen dienst, laat hun roeping tot het apostelschap bekrachtigd worden in den hemel." De profeten werden gezegd geheiligd te zijn, Jeremia 1:5. De priesters en Levieten waren geheiligd. Heilig hen, dat is:
a. "Maak hen bekwaam en bevoegd voor hun ambt door Christelijke genadegaven, en gaven der bediening, opdat zij bekwame dienaren en leraren zijn van het Nieuwe Testament." b. "Zonder hen af tot den dienst, Romeinen 1:1. Ik heb hen geroepen, zij hebben toegestemd, Vader, zeg Gij Amen hiertoe."
c. Erken hen in hun ambt, laat Uwe hand hen vergezellen, heilig hen door of in Uwe waarheid, gelijk de waarheid staat tegenover zinnebeeld en afschaduwing, heilig hen in wezenlijkheid, niet op rituele of ceremoniële wijze, zoals de Levitische priesters het waren door zalving en offerande. Heilig hen tot Uwe waarheid, het woord Uwer waarheid, om de predikers der waarheid te zijn in de wereld, zoals de priesters geheiligd waren om aan het altaar te dienen, laat hen aldus het Evangelie prediken", 1 Corinthiërs 9:13, 14. Jezus Christus bidt voor Zijne dienstknechten met bijzondere belangstelling en zorg, en beveelt der genade Zijns Vaders de sterren, die Hij in Zijne rechterhand houdt. b. De grote zaak, die van God voor Evangeliedienaren gebeden moet worden, is dat zij geheiligd mogen worden, krachtig en voor goed afgezonderd van de wereld, geheel en volstrekt toegewijd aan den dienst van God, uit ervaring bekend met den invloed van dat woord op hun eigen hart, dat zij aan anderen prediken. Laat hen de Urim en Tummim hebben, licht en oprechtheid.
II. Wij hebben hier twee pleitgronden of argumenten om kracht bij te zetten aan de bede om de heiligmaking der discipelen.
1. De zending, die zij van Hem hadden ontvangen, vers 18: Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, om Uw gezant te wezen bij de kinderen der mensen, alzo heb Ik, nu Ik teruggeroepen ben, hen ook in de wereld gezonden, als Mijne afgevaardigden.
a. Christus spreekt hier met grote verzekerdheid van Zijn eigen zending: Gij hebt Mij gezonden in de wereld. De grote Stichter van den Christelijken Godsdienst had Zijne opdracht en instructies van Hem, die de oorsprong en het voorwerp is van allen Godsdienst. Hij was van God gezonden om te zeggen wat Hij gezegd heeft, en te doen wat Hij gedaan heeft, en te zijn wat Hij is voor hen, die in Hem geloven, hetgeen Hem tot troost was in Zijne onderneming en overvloedig onze troost kan wezen in onze afhankelijkheid van Hem.
b. Hij spreekt met grote voldoening van de opdracht, die Hij aan Zijne discipelen had gegeven. "Alzo heb Ik hen ook gezonden, op dezelfde boodschap met hetzelfde doel", om dezelfde leer te prediken, die Hij gepredikt heeft, en haar te bevestigen met dezelfde bewijzen, met den last ook, om aan andere getrouwe mannen over te leveren hetgeen hun overgeleverd was. Hij gaf hun hun opdracht, Hoofdstuk 20:21, met verwijzing naar de Zijne, en het verheerlijkt hun ambt, dat het van Christus komt, en dat er enig verband is tussen de opdracht, gegeven aan de dienaren der verzoening, en die, welke gegeven is aan den Middelaar, Hij wordt een Apostel genoemd, Hebreeën 3:1, een Dienaar, Romeinen 15:8, een Engel, of Bode, Maleachi 3:1. Alleen zij worden gezonden als dienstknechten, Hij als Zoon. Nu wordt dit hier aangevoerd als ene reden, a. Waarom Christus zo bezorgd over hen was, en hun zaak zo ter harte nam, omdat Hij zelf hen in een moeilijk ambt had gesteld, voor de rechte vervulling waarvan grote bekwaamheid wordt vereist. Wie door Christus gezonden wordt, zal altijd door Hem bijgestaan en gesteund worden, en altijd zal Hij belangstellen in hen, die door Hem worden gebruikt, Hij zal ons bekwaam maken voor hetgeen, waartoe Hij ons roept, en Hij zal er ons in door helpen. b. Waarom Hij hen overgaf aan den Vader, omdat Hij belangstelde in hun zaak, hun zending was ene voortzetting van de Zijne. Christus heeft gaven ontvangen voor de mensen, Psalm 68:19, en toen gaf Hij ze aan de mensen, Efeze 4:8, en daarom bidt Hij hulp af van Zijn Vader, om die gaven in stand te houden, Zijne schenking er van te bevestigen. De Vader heeft Hem geheiligd en in de wereld gezonden, Hoofdstuk 10:36. Daar zij nu gezonden waren, zoals Hij gezonden was, zo laat hen dan ook geheiligd worden.
2. Hij pleit ook op de verdienste, die Hij voor hen had, vers 19. Ik heilig Mij zelven voor hen. Hier is:
a. Christus' aanwijzing van zich zelven tot het werk en het ambt van Middelaar: Ik heilig Mij zelven. Hij heeft Zich geheel en al toegewijd aan de onderneming, aan alle delen er van, inzonderheid aan dat deel, dat Hij thans ging volbrengen-zich zelven door den eeuwigen Geest Gode onstraffelijk op te offeren. Als de priester en het altaar, heeft Hij zich geheiligd als het offer. Toen Hij zei: Vader, verheerlijk Uwen naam-Vader, Uw wil geschiede-Vader, in Uwe handen beveel Ik Mijn geest, heeft Hij de voldoening, die Hij op zich had genomen te zullen geven, gegeven, en aldus heeft Hij zich geheiligd. Hierop pleit Hij bij Zijn Vader, want Zijne voorbede geschiedt krachtens Zijne genoegdoening: door Zijn eigen bloed is Hij ingegaan in het heiligdom, Hebreeën 9:12, gelijk de hogepriester op den verzoendag het bloed des offers sprengde en het reukwerk brandde binnen den voorhang, Leviticus 16:12, 14.
b. Het vriendelijke doel van Christus hierin jegens Zijne discipelen. Ik heilig Mij zelven voor hen, opdat zij geheiligd mogen worden. "Ik heilig Mij zelven, opdat zij tot ere Gods en tot welzijn der kerk geofferd mogen worden". Paulus spreekt van zijn geofferd worden, Filippenzen 2:17, 2 Timotheus 4:6. Al wat er in den dood der heiligen dierbaar of kostelijk is in de ogen des Heeren, is het uitvloeisel van den dood van den Heere Jezus. Ik neem het echter in een meer algemenen zin, namelijk dat zij heiligen en Evangeliedienaars mogen zijn, geschikt en bevoegd, en aangenomen door God. a. Het ambt van Evangeliedienaar werd gekocht door Christus' bloed, en is een der gezegende vruchten van Zijne genoegdoening, en de kracht en waardij er van zijn aan Christus' verdiensten te danken. Onder de wet werden de priesters geheiligd door het bloed van stieren en bokken, maar de Evangeliedienaren worden geheiligd door het bloed van Jezus. b. De wezenlijke heiligheid van alle goede Christenen is de vrucht van Christus' dood, door welken de gave des Heiligen Geestes werd verkregen. Hij heeft zich voor de gemeente overgegeven, opdat Hij haar heiligen zou" Efeze 5:25, 26. En Hij, die het doel beoogde, heeft ook het middel er toe bepaald, dat zij geheiligd mogen worden door de waarheid, de waarheid om van welke te getuigen Christus in de wereld gekomen is, en gestorven is om haar te bevestigen. Het woord der waarheid ontvangt Zijn heiligende kracht van den dood van Christus. Sommigen lezen den tekst: "Heilig hen in waarheid, dat is waarlijk, of wezenlijk, want, gelijk God gediend moet worden, zo moeten wij daartoe geheiligd worden in geest en in waarheid. En hierom heeft Christus gebeden, want dit is de wil van God, hun heiligmaking, hetgeen Hem aanmoedigt om er om te bidden.