Psalm 49:1-6
Dit is de inleiding van de dichter tot zijn rede betreffende de ijdelheid van de wereld en haar ongenoegzaamheid om ons gelukkig te maken; en zelden ontmoeten wij een inleiding, die plechtiger is dan deze, want er is geen waarheid van meer ontwijfelbare zekerheid, of groter gewicht en belang, en waarvan de overdenking ons nuttiger is.
I. Hij vraagt om de aandacht van anderen voor hetgeen hij zal zeggen, vers 2, 3 "Hoort dit, al gij volken, hoort het, en slaat er acht op, hoort het en overweegt het; hoort twee maal wat eens gesproken is, hoofd en neemt ter ore," Psalm 62:10, 12 Niet slechts: Hoort al gij Israëlieten, en neemt ter ore al gij inwoners van Kanaän," maar, Hoort al gij volken, neemt ter ore, alle inwoners van de wereld want deze leer is niet inzonderheid eigen aan hen, die met de Goddelijke openbaring gezegend zijn, zelfs het licht van de natuur getuigt ervan. Alle mensen kunnen weten, en daarom moeten alle mensen er aan denken, dat hun rijkdom hun van geen nut zal zijn ten dage des doods. Beiden, geringen en aanzienlijken, rijken en armen, moeten samenkomen om het woord Gods te horen, laat hen dit dus horen en ter harte nemen. Laat hen, die aanzienlijk en rijk zijn in de wereld, horen van de ijdelheid van hun wereldlijke bezittingen en er niet hoogmoedig op zijn, noch gerust zijn in de genieting ervan maar hem besteden in weldoen, opdat zij zich er vrienden mee maken. Laat hen, die arm en gering zijn, dit horen en tevreden zijn met hun weinigje, en hen niet benijden, die overvloed hebben. Arme mensen zijn in even groot gevaar door een onmatige begeerte naar de rijkdom van de wereld, als lieden door een onmatig zich verlustigen erin.
Hij geeft een goede reden op, waarom er op zijn rede acht geslagen moet worden, vers 4 Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, wat hij te zeggen had:
1. Was waar en goed. Het is wijsheid en verstand, het zal diegenen wijs en verstandig maken, die het aannemen, er zich aan onderwerpen. Het is niet twijfelachtig, maar zeker, niet onbeduidend, maar van gewicht, geen zaak van spitsvondige bespiegeling, maar van bewonderenswaardig nut, om ons in de rechten weg te leiden naar ons groot doel.
2. Het was wat hij zelf goed overdacht en uitgewerkt heeft. Wat zijn mond sprak was de overdenking zijns harten, zoals in Psalm 45:2; het was wat God in zijn hart had gegeven, wat hij zelf ernstig overwogen had en met de betekenis waarvan hij ten volle bekend was en van welks waarheid hij overtuigd was. Wat leraren spreken uit hun eigen hart, dat zal waarschijnlijk tot het hart hunner hoorders gaan.
II. Hij wekt zijn eigen aandacht op, vers 5 Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk, het wordt een spreuk genoemd, omdat het leerrijk en verstandig is. Het is hetzelfde woord, dat voor Salomo's gezegden wordt gebruikt. De psalmist zal er zelf zijn oor toe neigen. Dit geeft te kennen:
1. Dat het hem geleerd was door de Geest Gods, en hij het niet uit zichzelf gesproken heeft. Zij, die het op zich nemen om anderen te onderwijzen, moeten eerst zelf leren.
2. Dat hij er zichzelf na betrokken in achtte en besloten had zijn eigen ziel niet te wagen op hetgeen, waarvan hij anderen afried de hun te wagen. 3. Dat hij niet verwachtte dat anderen acht zouden geven op hetgeen, waarop hij zelf geen acht gaf als op een zaak van het grootste belang. Waar God de tong van de geleerden geeft, daar "wekt Hij eerst het oor om te horen gelijk die geleerd worden," Jesaja 50:4
III. Hij belooft de zaak zo duidelijk en treffend te maken als hij kon: ik zal mijn verborgen rede openen op de harp. Wat hij voor zichzelf geleerd heeft, wilde hij niet verbergen of tot zichzelf beperken, maar mededelen ten voordele van anderen.
1. Sommigen begrepen het niet, het was hun een raadsel. Spreek hun van de ijdelheid van de dingen, die gezien worden, en van de werkelijkheid en het gewicht van de onzichtbare dingen, en zij zeggen: Is hij niet een dichter van gelijkenissen? Om de wille van de zodanige zal hij zijn verborgen rede openen en haar zo duidelijk maken, dat die voorbij loopt het kan lezen.
2. Anderen verstonden het wel, maar werden er niet door bewogen, zij werden er niet door aangedaan, en om hunnentwil wilde hij haar openen op de harp, en dat middel beproeven om op hen te werken, invloed op hen te krijgen, want gelijk de dichter Herbert zegt: Een vers kan hem vinden, die vlucht voor een preek.
IV. Hij begint met de toepassing ervan op zichzelf, en dat is de rechte methode om over Goddelijke dingen te handelen. Eerst moeten wij tot onszelf prediken, eer wij het ondernemen om anderen te vermanen of te onderwijzen. Eer hij er toe komt om de dwaasheid van vleselijke gerustheid voor te stellen, vers 7, toont hij uit zijn eigen ervaring het voordeel en de vertroosting van een heilige, godvruchtige gerustheid, welke diegenen smaken, die op God vertrouwen en niet op hun wereldlijken rijkdom. "Waarom zou ik vrezen?" Hij bedoelt: "Waarom zou ik hun vrees vrezen?" Jesaja 8:12, de vrees van wereldse mensen?
1. "Waarom zou ik voor hen vrezen? Waarom zou ik vrezen ten dage van benauwdheid en vervolging, als de ongerechtigheid van mijn ziel, de ongerechtigheid van hen die mij verdringen, mij de voet wil lichten, mij omringt? vers 6- als zij mij omringen met hun kwaadaardige plannen en pogingen? Waarom zou ik vrezen voor hen, wier gehele macht in hun rijkdom bestaat, die hen toch niet eens instaat stelt hun vrienden te verlossen? Ik zal hun macht niet vrezen, want zij kan hen niet instaat stellen mij te verderven." De groten van de wereld zullen ons niet zo geducht toeschijnen, als wij bedenken tot hoe weinig hun rijkdom hen instaat stelt. Wij behoeven niet te vrezen dat diegenen ons van onze hoogheid zullen verstouten, die niet instaat zijn hun eigen hoogheid op te houden.
2. Waarom zou ik vrezen zoals zij vrezen?" De dagen des ouderdoms en des doods zijn kwade dagen," Prediker 12:1 Ten dage des oordeels zal de ongerechtigheid van onze zielen, of van onze voetstappen, onze vroegere zonden, ons omringen, ordelijk voor onze ogen gesteld worden. God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, en een ieder van ons zal zich hebben te verantwoorden In die dagen zullen wereldsgezinde, goddeloze mensen bevreesd zijn. niets is voor hen, die hun hart op deze wereld gesteld hebben, verschrikkelijker dan de gedachte haar te moeten verlaten; voor hen is de dood de koning van de verschrikking, omdat na de dood het oordeel komt, wanneer hun zonden hen als even zo vele furiën zullen omringen; maar waarom zou een godvruchtige de dood vrezen, met wie God is? Psalm 23-4. Als zijn ongerechtigheden hem omringen, dan ziet hij ze allen vergeven, zijn consciëntie is gereinigd, en zelfs in de dag des oordeels, wanneer aan anderen het hart bezwijkt van vrees, dan kunnen de godvruchtiger met blijdschap hun hoofd opwaarts heffen, Lukas 21:26, 28 De kinderen Gods, hoe arm zij ook mogen wezen, zijn hierin waarlijk gelukkig boven de voorspoedigsten van de kinderen van deze wereld, dat zij wel bewaard zijn tegen de verschrikkingen des doods en van het toekomende oordeel.