Prediker 12:1-7
I. Hier is: Een oproep tot jonge lieden om aan God te denken en hun plicht jegens Hem te betrachten terwijl zij nog jong zijn. Gedenk thans uw Schepper in de dagen van Uw jeugd. Dit is:
1. De toepassing van de koninklijke prediker van zijn leerrede over de ijdelheid van de wereld en alles wat er in is. Gij, die jong zijt, koestert grote verwachtingen ervan, maar geloof hen, die er de proef van genomen hebben, zij geeft geen werkelijke voldoening aan de ziel, opdat gij dus niet bedrogen zult worden door deze ijdelheid, noch er te zeer door beroerd zult worden. Gedenk uw Schepper, en neem u aldus in acht tegen het kwaad, dat uit de ijdelheid van het schepsel voortkomt.
2. Het is het tegengif van de koninklijke medicijnmeester tegen de bijzondere krankheden van de jeugd, de zucht neer vrolijkheid, en het toegeven aan zinnelijke genietingen, de ijdelheid, waaraan kindsheid en jeugd onderworpen zijn, om dit te voorkomen en te genezen, gedenk uw Schepper. Hier is:
a. Een grote plicht, die ons wordt voorgehouden: God te gedenken als onze Schepper. Wij moeten niet alleen gedenken dat God onze Schepper is, dat Hij ons gemaakt heeft en niet wij, en daarom onze rechtmatige Heer en eigenaar is maar wij moeten ons aan Hem verbinden bij de overweging van de verplichtingen, die op ons rusten doordat Hij onze Schepper is, en Hem de eer en de gehoorzaamheid betonen, die wij Hem als onze Schepper verschuldigd zijn. Gedenk uw Scheppers, het woord staat in het meervoud, zoals in Job 35:10, Waar is God, mijne Makers? Want God zei: Laat ons mensen maken, ons, Vader, Zoon en Heilige Geest.
b. De juiste tijd voor die plicht, in de dagen van uw jeugd, de dagen van uw keus, zo lezen het sommigen, de keurdagen, uw verkiezende dagen. Begin in het begin van uw dagen Hem te gedenken, van wie gij uw bestaan hebt ontvangen, en ga voort in overeenstemming met dat goede begin. Breng Hem u voor de geest als gij jong zijt, en houd Hem in gedachtenis gedurende al de dagen van uw jeugd, en vergeet Hem nooit. Hoed u aldus voor de verzoekingen van de jeugd, en maak aldus gebruik van de voordelen ervan.
II. Een reden om aan dit gebod kracht bij te zetten: eer dat de kwade dagen komen en de jaren naderen van dewelke gij zeggen zult: ik heb geen lust in dezelve. Doe het spoedig:
1. "Eer ziekte en dood komen, doe het terwijl gij leeft, want het zal te laat wezen om het te doen, als de dood u uit deze staat van op de proefstelling heeft weggenomen en u heeft heengevoerd naar die van beloning en vergelding." De dagen van ziekte en dood zijn de kwade dagen, schrikwekkend voor de natuur, in waarheid kwade dagen voor hen, die hun Schepper hebben vergeten. Deze kwade dagen zullen, vroeg of laat, komen, zij komen nu nog niet, want God is lankmoedig over ons, en geeft ons plaats tot berouw, de voortduur van het leven is slechts het uitstellen van de dood, en terwijl het leven voortduurt en de dood nog uitgesteld is, is het onze plicht en ons belang ons voor te bereiden, opdat de eigenschap van de dood voor ons veranderd worde, en wij getroost en goedsmoeds kunnen sterven.
2. Eer de ouderdom komt, die zo de dood het niet verhindert, komen zal, en het zullen jaren zijn, van welke wij zullen zeggen: Wij hebben geen lust in dezelve, als wij geen smaak meer zullen hebben in de verlustiging van de zinnen, zoals Barzillai, 2 Samuël 19:35, als wij beladen zullen zijn met zwakheden van het lichaam, oud en blind, of oud en verlamd zijn, als wij weggenomen zullen worden van onze nuttige arbeid, en onze kracht arbeid en moeite zal zijn, als wij, of gescheiden zullen zijn van onze bloedverwanten en al onze oude vrienden of in hen beproefd zullen wezen, en zullen zien dat zij ons moede zijn, als wij ons langzaam zullen voelen sterven, deze jaren naderen, als alles wat komt ijdelheid zal wezen, de nog overblijvende maanden maanden van ijdelheid zijn en er geen lust, geen behagen zal zijn dan in de herinnering van een goed doorgebracht leven op aarde en in de verwachting van een beter leven in de hemel.
Over deze twee argumenten weidt hij uit in de volgende verzen, slechts de orde ervan omkerende, en hij toont aan:
A. Hoeveel rampen aan de ouderdom als verbonden zijn, en dat, indien wij oud worden onze dagen van zo'n aard zullen wezen dat wij geen lust in dezelve zullen hebben, hetgeen een goede reden is, waarom wij moeten terugkeren tot God om met Hem verzoend te zijn in de dagen van onze jeugd en dit niet moeten uitstellen totdat wij oud zijn, want het zal dan geen verdienste van ons zijn, de genietingen van de zonde te verlaten, daar zij ons reeds verlaten hebben, noch om terug te keren tot God als de nood er ons toe dringt. Het is de grootste ongerijmdheid en ondankbaarheid die men zich denken kan, om de bloem, het beste, van onze jaren aan de duivel te geven, en er het uitschot van te bewaren voor God, dit is het gescheurde, en het kreupele, en het zieke als offerande te brengen. En behalve dat, daar de ouderdom aldus overladen is met zwakheden en gebreken, is het de grootst mogelijke dwaasheid om dat noodzakelijke werk tot aan die tijd te verschuiven, dat werk, hetwelk onze beste krachten vereist, als onze vermogens nog in volle kracht zijn, en inzonderheid om dat werk moeilijker te maken door een langer aanhouden van de zonde, en lasten van schuld op onze consciëntie te leggen, de lasten van de ouderdom nog te vermeerderen, en ze veel zwaarder te maken. Indien de rampen van de ouderdom zijn zullen zoals zij hier worden voorgesteld, zo zullen wij dan iets nodig hebben om ons te ondersteunen en te vertroosten, en niets zal krachtiger en meer afdoend daarvoor wezen dan het getuigenis van ons geweten voor ons, dat wij intijds begonnen zijn onze Schepper te gedenken, en de herinnering aan Hem sedert die tijd nooit hebben verloren. Hoe kunnen wij verwachten dat God ons zal helpen als wij oud zijn, als wij Hem niet willen dienen als wij jong zijn? Zie Psalm 71:17, 18.
Het verval en de gebreken van de ouderdom worden hier op sierlijke wijze beschreven in overdrachtelijke uitdrukkingen, waarin thans iets moeilijks is voor ons, die niet bekend zijn met de gewone spreekwijze en de metaforen, die in Salomo's tijd gebruikt werden, maar de algemene strekking is duidelijk namelijk om aan te tonen hoe onaangenaam over het algemeen de dagen van de ouderdom zijn.
a. Dan zullen de zon en haar licht, de maan en de sterren en het licht, dat zij er aan ontlenen, verduisterd worden, zij zien er donker uit voor oude lieden ten gevolge van het afnemen van hun gezichtsvermogen, hun aangezicht is omfloerst, de schoonheid en glans ervan zijn verduisterd, hun verstandelijke vermogens, die als lichten zijn in de ziel, zijn verzwakt, hun verstand en hun herinneringsvermogen begeven hen, hun begrip is niet meer zo vlug, en hun verbeeldingskracht niet meer zo rijk als zij geweest zijn, (licht wordt dikwijls genomen voor blijdschap en voorspoed) de dagen van hun vrolijkheid zijn voorbij, en zij hebben noch behagen in de gesprekken van de dag noch in de rust van de nacht, want beide de zon en de maan zijn voor hen verduisterd. b. Dan komen de wolken weer na de regen, zoals bij natte weersgesteldheid de ene wolk niet zodra voorbij is, of zij wordt opgevolgd door een andere, zo is het met oude lieden, als zij van de ene pijn, de ene ziekte, bevrijd zijn, worden zij bevangen door een andere zodat hun kwalen als een gedurig druipen zijn ten dage des plasregens. Het einde van de ene verdrietelijkheid in deze wereld is slechts het begin van een andere, en de afgrond roept tot de afgrond. Oude lieden worden dikwijls gekweld door lozingen van verkoudheid, zoals na stortregens nog meer wolken komen opzetten zodat het voortdurend smartelijk is, en het lichaam er als het ware in wegsmelt.
c. Dan zullen de wachters van het huis beven, het hoofd dat als de wachttoren is, schudt heen en weer de armen en handen, die gereed zijn voor de bewaring van het lichaam, beven evenzo en worden zwak, bij iedere plotselinge aanval of nadering van gevaar, de kracht en de moed, die tot zelfverdediging aangewend plachten te worden, schieten tekort, kunnen hun dienst niet meer verrichten oude lieden worden spoedig ontmoedigd.
d. Dan zullen de sterke mannen zich krommen, de benen en dijen, die het lichaam plachten te ondersteunen en zijn gewicht te dragen, buigen, krommen, zich, en zijn niet meer geschikt voor arbeid, zoals vroeger, zij worden spoedig moe. Oude mannen, die in hun tijd sterke mannen zijn geweest, zijn zwak geworden, en krommen zich van ouderdom, Zacheria 8:4. "God heeft geen welgevallen aan de benen van de man", Psalm 147. 10, want hun kracht zal spoedig vergaan, maar in de Heere Jahweh is eeuwige sterkte, Hij heeft eeuwige armen.
e. Dan zullen de maalsters stilstaan, omdat zij minder geworden zijn, de tanden, waarmee wij onze spijzen vermalen en bereiden om verteerd te worden houden op van dienst te doen, omdat zij weinige zijn, zij zijn verrot en gebroken, zijn misschien getrokken omdat zij pijn deden, sommige oude mensen hebben al hun tanden verloren, anderen hebben nog slechts weinige over, en dit gebrek is van te meer gewicht, omdat de spijzen uit gebrek aan tanden, niet goed gekauwd zijnde, niet goed worden verteerd, en dat is van evenveel invloed op het ander verval van de ouderdom, als wat het ook zij.
f. Zij, die door de vensters zien, zullen verduisterd worden. De ogen worden donker zoals die van Izak, Genesis 27:1, en van Ahia, 1 Koningen 14:4. Mozes was een zeer zeldzaam voorbeeld van een man, die, toen hij honderd twintig jaren oud was, nog een goed gezichtsvermogen had, maar gewoonlijk zal bij oude lieden het gezicht even spoedig verzwakken als iets anders, en het is een grote weldaad voor hen dat de kunst de natuur te hulp komt met brillen. Het is nodig dat wij een goed gebruik maken van ons gezicht zolang wij het hebben, omdat het licht van de ogen weg kan zien voordat het licht des levens weg is.
a. De twee deuren naar de straat zullen gesloten worden, oude lieden blijven binnenshuis, houden er niet van om voor het één of andere vermaak uit te gaan, de lippen de deuren van de mond, worden gesloten bij het eten omdat de tanden weg zijn, en het geluid van het malen bij hen, is lang, of dof, zodat zij geen heerschappij hebben over de spijs in hun mond, die zij plachten te hebben, zij kunnen hun spijs niet verteren, en daarom wordt er maar weinig koren op hun molen gebracht.
b. Oude mensen worden gewekt door de stem van het vogeltje, zij hebben geen diepe slaap, zoals jonge lieden, het minste geluid het tjilpen zelfs van een vogeltje stoort hun slaap, zij kunnen niet rusten omdat zij voortdurend moeten hoesten, en daarom staan zij op met het hanegekraai, of zij zijn licht vreesachtig en zeer bezorgd, waardoor hun slaap onrustig is, hetgeen hen dan vroeg op doet staan, of zij zijn geneigd tot bijgelovigheid, en staan op als in angst en verschrikking op die stem van vogels, of raven, of van de katuil, die waarzeggers voorbeduidend noemen.
c.Voor hen zijn al de dochters van de muziek naar de laagte gebracht. Zij hebben stem noch oor, kunnen noch zelf zingen noch genot vinden, zoals Salomo in de dagen van zijn jeugd genot gevonden had, in zangers en zangeressen en muziekinstrumenten, Hoofdstuk 2:8. Oude lieden worden hardhorend en kunnen geen geluiden en stemmen meer onderscheiden.
d. Zij zullen voor de hoogte vrezen, bevreesd zijn om naar de top van een hoogte te gaan, hetzij omdat zij kortademig zijn en er daarom niet komen kunnen, of omdat hun hoofd duizelig is, of hun benen hun de dienst weigeren, zodat zij er zich niet heen durven wagen, of wel zij maken zich beangst omdat zij zich verbeelden, dat de hoogte op hen vallen zal. Vrees staat hun in de weg, zij kunnen noch rijden noch wandelen met hun gewone vrijmoedigheid, maar zijn bevreesd voor alles wat op hun weg ligt, bevreesd dat het hen zal doen struikelen.
e. De amandelboom bloeit, het haar van de ouden man is wit geworden zodat zijn hoofd er uitziet als een amandelboom in bloei. De amandelboom bloeit voor alle andere bomen, en toont daarom juist aan, hoeveel haast de ouderdom maakt om de mensen te overvallen, hij voorkomt hun verwachtingen en grijpt hen spoediger dan zij dachten. Hier en daar vertonen zich reeds grijze haar en zij bemerken het niet.
I.De sprinkhaan is zichzelf een last, en de lust is vergaan. Oude lieden kunnen niets dragen, het lichtste ding drukt zwaar op hen, beide op hun lichaam en hun geest, iets kleins doet hen nederzinken, breekt hen. De sprinkhaan is een last misschien werd toen de sprinkhaan voor een zeer licht verteerbaar voedsel gehouden, de spijze van Johannes de Doper bestond uit sprinkhanen, maar zelfs dat voedsel ligt zwaar op de maag van oude lieden, en daarom is de lust vergaan, zij hebben geen eetlust, de oude man zal op de begeerte van de vrouwen geen acht geven, zoals gezegd is van die koning in Daniël 11:37. Oude mensen worden onverschillig en lusteloos, de genietingen van de zinnen hebben geur noch smaak voor hen.
Het is waarschijnlijk dat Salomo dit geschreven heeft, toen hij zelf oud was en uit eigen ondervinding van de gebreken en zwakheden van de ouderdom kon spreken, en die gebreken deden zich misschien spoediger door hem gevoelen omdat hij zich zozeer in zingenot had toegegeven. Sommige oude mensen houden zich beter dan anderen onder het verval van de ouderdom, maar in meerdere of mindere mate zijn toch de dagen van de ouderdom kwade dagen, en van weinig genot of genoegen. Grote zorg moet daarom aangewend worden om aan oude lieden eer en achting te betonen, opdat zij iets hebben, dat hun een vergoeding is voor hun grieven en smarten, en er niets gedaan wordt om daar nog aan toe te voegen. En dit alles tezamen vormt een goede reden, waarom wij onze Schepper moeten gedenken in de dagen van onze jeugd, opdat Hij ons in gunst gedenke als deze kwade dagen komen, en Zijn vertroostingen een verlustiging zullen zijn voor onze ziel, als de verlustiging van de zinnen, om zo te zeggen, versleten is.
B. Hij toont aan hoe groot een verandering de dood in ons zal teweegbrengen, die of de rampen van de ouderdom zal voorkomen, of er een einde aan zal maken. Niets anders zal ze afweren, niets anders zal ze genezen." Gedenk daarom uw Schepper in de dagen uwer jeugd, omdat de dood gewis voor u is, hij is misschien zeer dicht bij u, en het is een ernstige zaak om te sterven, en gij behoort u met de uiterste zorg en naarstigheid er op voor te bereiden." a. De dood brengt ons in een onveranderlijken staat of toestand, de mens gaat naar zijn eeuwig huis, en al deze gebreken, dit verval van de ouderdom zijn voorboden van deze ontzaglijke verhuizing en verhaasten haar. Bij de dood gaat de mens weg van deze wereld, verlaat hij al de bezigheden en genietingen ervan, ten opzichte van zijn tegenwoordige staat is hij voor goed heengegaan, hij is naar huis gegaan, want hier is hij een vreemdeling en bijwoner geweest, beide ziel en lichaam gaan heen naar de plaats, vanwaar zij gekomen zijn, vers 7. Hij is ingegaan tot zijn rust, gegaan naar de plaats, waar hij moet blijven. Hij is gegaan naar zijn huis, naar het huis van zijn wereld, aldus lezen het sommigen, want deze wereld is niet van hem. Hij is heengegaan naar zijn langdurig thuis, want de dagen van zijn liggen in het graf zullen vele zijn. Hij is heengegaan naar zijn huis van de eeuwigheid, niet alleen naar zijn huis, vanwaar hij nooit naar deze wereld kan terugkeren, maar naar het huis, waar hij voor eeuwig moet blijven. Dit behoort ons gewillig te maken om te sterven dat wij bij de dood naar huis gaan, en waarom zouden wij er niet naar verlangen om naar het huis van onze Vader te gaan? En dit moet ons opwekken om ons te bereiden op sterven, dat wij dan naar ons langdurig thuis gaan, naar een eeuwige woning.
b. De dood zal een aanleiding van smart wezen voor onze vrienden, die ons liefhebben, als de mens naar zijn eeuwig huis gaat, zullen de rouwklagers in de straat omgaan, de wezenlijke rouwklagers, zij, die, zoals nu bij ons, onderscheiden worden aan hun gewaad, als zij door de straten gaan, de rouwklagers voor ceremonie, die gehuurd waren om over de dode te wenen, beide om het wezenlijke rouwklagen uit te drukken en op te wekken. Als wij sterven, gaan wij niet slechts naar een treurig huis voor ons, maar wij laten een treurig huis achter ons. Tranen zijn een aan de doden verschuldigde hulde, en dit maakt onder nog andere omstandigheden het tot een ernstige zaak om te sterven. Maar tevergeefs gaan wij in het klaaghuis, en zien wij de rouwklagers in de straat omgaan, als dit er niet toe bijdraagt om ons tot ernstige en vrome rouwklagers te maken in de binnenkamer.
c. De dood zal het samenstel van de natuur binden, het aardse huis van deze tabernakel afbreken, hetgeen zeer sierlijk beschreven wordt, vers 6. Dan zal het zilveren koord, door hetwelk ziel en lichaam op wonderbaarlijke wijze saamverbonden waren, ontketend worden, die heilige knoop worden losgemaakt, en deze oude vrienden genoodzaakt worden om van elkaar te scheiden, dan zal de gulden schaal, die het water des levens voor ons bevatte, in stukken worden gebroken, dan zal de kruik, waarmee wij water plachten te scheppen voor het gestadig onderhoud van het leven en het herstellen van zijn verval, aan de springader gebroken worden, zodat zij geen water meer naar boven kan brengen, en het rad, al de organen welke dienen om het voedsel te vergaderen en uit te delen, zal gebroken worden, onbekwaam worden gemaakt om de dienst nog langer te verrichten, het lichaam zal worden als een horloge, waarvan de veer gebroken is, al de radertjes staan dan stil, de machine wordt onttakeld, het hart klopt niet meer, de bloedsomloop staat stil. Sommigen passen dit toe op de ornamenten en de gereedschappen van het leven, rijke lieden moeten als zij sterven hun kleding en hun huisraad van zilver en goud achterlaten, en arme mensen hun aarden kruiken, en de waterputters zullen hun rad gebroken zien.
d. De dood zal ons tot onze eerste beginselen ontbinden, vers 7. De mens is een vreemdsoortig schepsel, een straal van de hemel verenigd met een aardkluit, bij de dood worden deze gescheiden, en ieder hunner gaat naar de plaats, vanwaar hij kwam.
Ten eerste. Het lichaam, de aardkluit, keert weer tot de aarde, het is van de aarde gemaakt, Adams lichaam was dit, en wij zijn van dezelfde stof, het is een huis van leem, bij de dood wordt het in de aarde gelegd, en binnen weinig tijds wordt het tot aarde opgelost, en kan niet van gewone aarde onderscheiden worden overeenkomstig het vonnis, Genesis 3:19 :"Gij zijt stof en daarom zult gij tot stof weerkeren". Laat ons dus niet toegeven aan de lusten van het lichaam, noch het vertroetelen weldra zal het spijs zijn voor de wormen noch laat de zonde heersen in ons sterflijk lichaam, want het is sterflijk, Romeinen 6:12.
Ten tweede. De ziel, deze straal van licht keert weer tot die God, die toen Hij de mens geformeerd heeft uit het stof van de aarde, de adem des levens in zijn neusgaten geblazen heeft, om hem tot een levende ziel te maken, Genesis 2:7 en die de geest van iedere mens binnen in hem formeert. Als het vuur het hout verteert dan stijgt de vlam op, en de as keert weer tot de aarde, waaruit het hout gegroeid is. De ziel sterft niet met het lichaam, zij is verlost van hef geweld van het graf, Psalm 49:16, zij kan bestaan zonder het lichaam, en zal het in een staat van afscheiding ervan, zoals de kaars brandt, helderder brandt, als zij uit de donkere lantaarn wordt genomen. Zij gaat heen naar de wereld van de geesten, waaraan zij verwant is. Zij gaat tot God als een rechter, om rekenschap van zich af te leggen, en om of bij de geesten in de gevangenis geplaatst te worden, 1 Petrus 3:19, of bij de geesten in het paradijs, Lukas 23:43, al naar hetgeen in het lichaam geschied was. Dit maakt de dood verschrikkelijk voor de goddelozen, wier zielen tot God gaan als een Wreker en troostrijk voor de godvruchtigen, wier zielen tot God gaan als een Vader, in wiens handen zij ze blijmoedig overgeven, door een Middelaar, buiten wie de zondaren met recht kunnen vrezen om tot God te gaan.