Psalm 47:6-10
Hier worden wij zeer dringend vermaand om God te loven, Zijn lof te zingen; zo traag en achterlijk zijn wij in het volbrengen van deze plicht, dat wij er door gebod op gebod en regel op regel toe gedrongen moeten worden en op die wijze worden wij er hier toe gedrongen en vermaand, vers 7, psalmzingt Gode, en wederom: psalmzingt. Dit geeft te kennen dat het een zeer nodige en uitnemende plicht is een plicht, die wij herhaaldelijk en ijverig moeten volbrengen, wij kunnen telkens en nogmaals Gods lof zingen in dezelfde bewoordingen, zonder in ijdele herhalingen te vervallen, zo het slechts met liefde gedaan wordt. Zal een volk zijn God niet prijzen? Daniël 5:4 Zullen onderdanen hun koning niet prijzen? God is onze God, onze Koning, en daarom moeten wij Hem prijzen; wij moeten Zijn lof zingen als degenen, die er zich in verlustigen en er zich niet voor schamen. Maar er wordt hier een nodige regel aan toegevoegd, vers 8, psalmzingt met verstand, met maskil, een onderwijzing.
1. Op verstandige wijze, als degenen, die zelf verstaan waarom, om welke reden gij God prijst, en wat de betekenis is van deze dienst." Dit is de regel des Evangelies, 1 Corinthiërs 14. 15, "met de geest te zingen, en ook met het verstand te zingen," het is slechts met het hart dat wij de Heere psalmen, Efeze 5:19 Het is geen welbehaaglijke dienst, als het geen redelijke dienst is.
2. Met een onderwijzing, als degenen, die aan anderen Gods heerlijke werken willen doen verstaan, hen willen leren Hem te loven."
Er worden in deze verzen drie dingen genoemd als rechtmatige stof voor onze lof, en ieder daarvan heeft nog een dubbele betekenis.
I. Wij moeten God prijzen, die opvaart vers 6 God vaart op met gejuich, hetgeen verwijzen kan:
1. Naar het opvoeren van de ark naar de berg Zion, dat met grote plechtigheid gedaan werd, David zelf huppelde voor de ark, terwijl de priesters waarschijnlijk op de bazuin en het volk met luid gejubel volgde. Daar de ark het ingestelde teken was van Gods bijzondere tegenwoordigheid, kon, toen deze met volmacht van Hem opgevoerd werd, gezegd worden dat Hij opvoer. Als Gods inzettingen uit onbekendheid van de mensen er mee in het licht worden gesteld, zodat zij openlijk en plechtig waargenomen kunnen worden, dan is dit een grote gunst voor ieder volk, waarin zij reden hebben zich te verblijden en waarvoor zij dankbaar moeten wezen.
2. Naar de hemelvaart van onze Heere Jezus, toen Hij Zijn werk op aarde volbracht had, Handelingen 1:9 Toen "voer God op met gejuich," het geklank eens konings, het gejuich eens overwinnaars, als een, die "overheden en machten uitgetogen hebbende, de gevangenen gevankelijk wegvoerde," Psalm 68:19 Hij voer op als Middelaar, afgeschaduwd door de ark en het verzoendeksel daarop, en werd evenals de ark in het Heilige van de heiligen gebracht, "in de hemel zelf," zie Hebreeën 9:24 Wij lezen van geen gejuich geen bazuingeschal bij de hemelvaart van Christus, maar het waren de bewoners van de bovenwereld, deze kinderen Gods, die toen juichten, Job 38:7. "Hij zal weerkomen, gelijk Hij naar de hemel heen gevaren is," Handelingen 1; 11, en wij zijn er zeker van dat Hij wederkomen zal met gejuich en bazuingeschal. II. Wij moeten God loven als regerende, vers 8, 9 God is niet slechts onze Koning, weshalve wij Hem hulde moeten bewijzen, maar Hij is Koning van de gehele aarde, over al de koningen van de aarde, en daarom moet Hem aan iedere plaats het reukwerk des lofs geofferd worden. Dit nu kan verstaan worden:
1. Van het rijk van de voorzienigheid. Als Schepper, als de God van de natuur, heerst God over de heidenen, beschikt Hij over hen en over al hun zaken naar het Hem behaagt, hoewel zij Hem niet kennen en Hem niet eren. God zit op de troon van Zijn heiligheid, die Hij bereid heeft in de hemelen, en daar heerst Hij over allen, zelfs over de heidenen, door en aan hen Zijn eigen doeleinden tot stand brengende. Zie hier de uitgestrektheid van Gods heerschappij, allen zijn geboren binnen Zijn rechtsgebied; zelfs de heidenen, die andere goden dienen, worden geregeerd door de ware God, onze God, Of zij het willen of niet. Zie de billijkheid, de rechtmatigheid van Zijn regering; het is een troon van heiligheid, waarop Hij gezeten is, vanwaar Hij volmachten en orders geeft en oordelen uitspreekt, waarin, naar wij zeker zijn, geen ongerechtigheid is.
2. Van het koninkrijk van de Messias. Jezus Christus, die God is, en wiens troon eeuwig is en altoos, regeert over de heidenen. Hem is niet alleen het bestuur toevertrouwd over het rijk van de voorzienigheid, maar Hij zal het koninkrijk van Zijn genade oprichten in de heidenwereld en heersen in het hart van zeer velen, die in het heidendom waren geboren en opgevoed, Efeze 2:12, 13 Daarvan spreekt de apostel als van een grote verborgenheid, dat "de heidenen medeërfgenamen zijn," Efeze 3:6 Christus zit op de troon van Zijn heiligheid, Zijn troon in de hemel, waar geheel het bestuur van Zijn regering bestemd en bedoeld is om Gods heiligheid te openbaren en onder de kinderen van de mensen heiligheid te bevorderen.
III. Wij moeten God loven als zijnde gediend en geëerd door de vorsten des volks, vers 10 Dit kan verstaan worden:
1. Van het congres of de bijeenkomst van de Staten van Israël, de hoofden en oversten van de onderscheidene stammen, op de plechtige feesten, of om de openbare zaken des volks te bespreken en af te doen. Het was de eer van Israël, dat zij het volk waren van de God van Abraham, gelijk zij Abrahams zaad waren, en in het verbond waren opgenomen; en Gode zij dank, deze zegen van Abraham is tot de heidenen gekomen, Galaten 3:14. Het was hun geluk, dat zij een gevestigde regering hadden, "de edelen des volks, die de schilden waren van hun land." De overheid is het schild van een volk, en het is voor ieder volk een grote zegen om dit schild te hebben, inzonderheid als hun vorsten, hun schilden, des Heren zijn, Hem toebehoren toegewijd zijn aan Zijn eer, en als hun macht gebruikt wordt in Zijn dienst, want dan wordt Hij grotelijks verhoogd. Evenzo is het de eer van God dat, in een anderen zin, de schilden van de aarde Hem toebehoren, de overheid is Zijn instelling, en Hij doet haar dienen tot Zijn eigen doeleinden in de regering van de wereld, het hart van de koningen neigende als waterbeken tot al wat Hij wil. Het stond goed met Israël toen de vorsten van het volk bijeenkwamen om over het openbare welzijn te beraadslagen. Het eenstemmige gevoelen van de groten van een volk ten opzichte van hetgeen tot hun vrede dient is een zeer gelukkig voorteken, dat overvloed van zegeningen belooft.
2. Het kan toegepast worden op de roeping van de heidenen in de kerk van Christus en beschouwd worden als een profetie, dat in de dagen van de Messias de koningen van de aarde en hun volken zich bij de kerk zullen voegen en hun heerlijkheid in het Nieuwe Jeruzalem zullen brengen; dat zij allen het volk zullen worden van de God Abrahams, aan wie beloofd was dat hij de vader van vele volken zou zijn. De vrijwilligen van het volk zo kan het ook gelezen worden, het is hetzelfde woord, dat in psalm 110:3 gebruikt is: "Uw volk zal gewillig zijn" want die tot Christus vergaderd worden, zijn niet gedwongen, maar gewillig gemaakt om de Zijnen te wezen. Als de schilden van de aarde, de zinnebeelden van de koninklijke waardigheid, 1 Koningen 14:27, 28, aan de Heere Jezus worden overgegeven, zoals de sleutelen van een stad aan de overwinnaar of de soeverein worden aangeboden, als vorsten hun macht aanwenden om de belangen van de Godsdienst te bevorderen, dan wordt Christus grotelijks verheerlijkt en verhoogd.