Psalm 40:7-11
Getroffen zijnde van verbazing over de wonderwerken, die God voor Zijn volk gedaan heeft, is de psalmist nu op vreemde wijze als buiten zichzelf vervoerd, om het wonderwerk te voorzeggen, dat al de andere overtreft, de grond en de bron is van allen, namelijk het wonderwerk van onze verlossing door onze Heere Jezus Christus. Gods gedachten over ons betreffende dat werk waren het overvloedigst, het genaderijkst, en daarom het bewonderenswaardigst. Deze paragraaf is aangehaald door de apostel, Hebreeën 10:5 en verder. En toegepast op Christus en Zijn verlossingswerk voor ons. Evenals in de inzettingen, zo was er ook in de vrome overdenkingen van het Oude Testament meer van Christus dan de Oudtestamentische heiligen zich misschien wel bewust waren; en als de apostel ons de vrijwillige onderneming van de Verlosser van Zijn werk wil tonnen, dan ontleent hij zijn bericht ervan niet aan het boek van Gods verborgen raadsbesluiten, die niet voor ons zijn, maar van hetgeen geopenbaard is.
Merk op:
I. De volstrekte ongenoegzaamheid van de wettische offers om voor de zonde te voldoen, ten einde ons met God te verzoenen en ons in Hem gelukkig te doen zijn. "Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer," Gij hebt niet gewild dat de Verlosser deze zou offeren; iets moet Hij hebben om te offeren, maar niet deze, Hebr 8:3, daarom moet Hij niet van het huis van Aäron zijn, Hebreeën 7:14. Of, in de dagen van de Messias zullen geen slachtoffers of spijsoffers meer vereist worden, maar al deze ceremoniële inzettingen opgeheven zijn. Maar dat is niet alles: zelfs toen de wet betreffende de offers nog in volle kracht was, kon gezegd worden dat God er geen lust aan had, noch er om huns zelfs wil een welbehagen in had; zij konden de schuld van de zonde niet wegnemen door aan Gods gerechtigheid te voldoen; het leven van een schaap, dat van zo veel mindere waarde is dan het leven van een mens, Mattheus 12:12, kon geen evenwaardige vergelding er voor zijn, en nog veel minder een middel om de eer van Gods regering te bewaren en de schade te herstellen, die aan deze eer door de zonde van de mens werd toegebracht. Zij konden de verschrikking van de zonde niet wegnemen door het geweten te bevredigen, noch de kracht van de zonde door de natuur te heiligen, dat was onmogelijk, Hebreeën 9:9-10 - . Wat er van waarde in was vloeide voort uit hun verwijzen naar Jezus Christus, waarvan zij typen waren, schaduwen voorzeker, maar schaduwen van toekomende goederen, en beproevingen van het geloof en de gehoorzaamheid van Gods volk, van hun gehoorzaamheid aan de wet, en hun geloof in het Evangelie. Maar het wezen van die schaduwen moest komen, hetwelk is Christus, die aan God de heerlijkheid en aan de mens de genade moest toebrengen, waartoe de offeranden niet in staat waren.
II. De aanwijzing van onze Heere Jezus tot het werk en ambt des Middelaars. "Gij hebt mij de oren geopend." God de Vader neigde Hem tot de onderneming, Jesaja 50:5, 6, en toen verplichtte Hij Hem om er mee voort te gaan. "Gij hebt mij de oren doorboord." Men veronderstelt dat dit een toespeling is op de wet en gewoonte, om dienstknechten voor altijd aan hun heer te verbinden, door hun het oor aan de post van de deur te doorboren, zie Exodus 21:6 Onze Heere Jezus had zoveel liefde voor Zijn onderneming, dat Hij er zich niet van wilde losmaken, en daarom heeft Hij zich verbonden om er voor altijd in te volharden, en om die reden is Hij machtig om ons volkomen zalig te maken, dat Hij zich heeft om Zijn Vader volkomen te dienen, die Hem erin ondersteunt Jesaja 42:1 III. Zijn eigen vrijwillige toestemming tot deze onderneming: "Toen zei Ik: zie, Ik kom; toen, als slachtoffer en spijsoffer niet baatten zeide Ik, veeleer dan dat het werk ongedaan zou blijven: Zie, Ik kom, om in het strijdperk te treden met de machten van de duisternis, en de belangen van Gods eer en koninkrijk voor te staan." Hiermede worden drie dingen te kennen gegeven:
1. Dat Hij zich vrijwillig tot deze dienst heeft aangeboden, waartoe Hij voor Zijn eigen vrijwillige aanneming ervan, in geen enkel opzicht verplicht was. Niet zodra werd Hem deze dienst voorgesteld, of Hij heeft met de grootst mogelijke bereidwilligheid en blijmoedigheid erin toegestemd en was zeer ingenomen met de onderneming. Indien Hij er niet volkomen vrijwillig in geweest was, Hij zou geen Borg hebben kunnen zijn, want het is in deze wil, deze animus offerentis, de wil van de offeraar, dat we geheiligd zijn, Hebreeën 10:10
2. Dat Hij er zichzelf met vastheid toe verplicht heeft; "Ik kom, Ik heb beloofd in de volheid van de tijd te komen." En daarom zegt de apostel: Het was toen Hij in de wereld kwam, dat Hij acht gaf op deze belofte, waarmee Hij met Zijn hart borg geworden is om tot God te genaken." Zo heeft Hij dan verplichtingen op zich genomen, niet alleen om de grootheid van Zijn liefde te tonen, maar omdat Hij de eer moest hebben van Zijn onderneming, voor Hij haar nog ten volle volbracht had. Hoewel de prijs nog niet betaald was, was het toch zeker dat hij betaald zou worden, zodat Hij het Lam was, geslacht van voor de grondlegging van de wereld.
3. Dat Hij rondborstig verklaarde verbonden te zijn. Hij zei: Zie, Ik kom; zei het al door tot de Oud-Testamentische heiligen, die Hem daarom kenden onder de titel van ho erchomenos Hij die komen zou. Dit woord was de grond, waarop zij hun geloof en hun hoop bouwden, en naar welks vervulling zij verlangend uitzagen.
IV. De reden, waarom Hij ingevolge Zijn belofte gekomen is: omdat in de rol des boeks van Hem geschreven is.
a. In de gesloten rollen van het Goddelijk raadsbesluit, daar was geschreven dat Zijn oor geopend was, en Hij heide: Zie, Ik kom; daar was het verbond van de verlossing, de raad van de vrede tussen de Vader en de Zoon, opgetekend; en daarop heeft Hij in alles wat Hij deed het oog gehad, het gebod, dat Hij van Zijn Vader had ontvangen.
b. In de openbare geschriften van het Oude Testament hebben Mozes en al de profeten van Hem getuigd, in geheel de rol van dat boek is het een of ander van Hem geschreven, waarop Hij het oog had, opdat alles volbracht zou worden, Johannes 19:28
V. Het vermaak, dat Hij vond in Zijn onderneming; er zich vrijelijk toe aangeboden hebbende, heeft Hij niet gewankeld en was Hij niet ontmoedigd, maar is met alle mogelijke voldoening voor Hemzelf er mee voortgegaan, vers 9, Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; het was voor Christus spijs en drank om het werk te doen, dat Hem te doen gegeven was, Johannes 4:34, en hier wordt de reden ervan gegeven: Uw wet is in mijn hart geschreven, vers 9 Zij is daar geschreven, daar heerst zij; zij is er een gebiedend, werkzaam beginsel. Dit is bedoeld van de wet betreffende het werk en ambt van de Middelaar, wat Hij had te doen en te lijden, deze wet was Hem dierbaar en had invloed op Hem in geheel Zijn onderneming. Als de wet Gods in ons hart is geschreven, dan zal onze plicht ons een verlustiging zijn. VI. De verkondiging van het Evangelie aan de kinderen van de mensen en wel in de grote vergadering, vers 10, 11 Dezelfde, die als priester onze verlossing voor ons gewrocht heeft maakt haar als profeet eerst door Zijn eigen prediking, daarna door Zijn apostelen en thans nog door Zijn Woord en Geest aan ons bekend. "De grote zaligheid is begonnen verkondigd te worden door de Heere," Hebreeën 2:3 Het is het Evangelie van Christus, dat gepredikt is aan alle volken.
Merk op:
1. Wat het is, dat gepredikt wordt; het is gerechtigheid, vers 10, Gods gerechtigheid, vers 11, de eeuwige gerechtigheid, die Christus aangebracht heeft, Daniël 9:24, vergelijk Romeinen 1:16-17. Het is Gods getrouwheid aan Zijn belofte en de zaligheid, die lang verwacht is geworden. Het is Gods goedertierenheid en Zijn waarheid, Zijn genade, overeenkomstig Zijn woord. In het werk van de verlossing moeten wij opmerken hoe helder al de hoedanigheden Gods er in schitteren en er Hem de eer van geven.
2. Aan wie het gepredikt wordt, aan de grote gemeente, vers 10, en wederom, vers 11 Toen Christus hier op aarde was, predikte hij voor de scharen, voor duizenden tegelijk. Het Evangelie werd gepredikt, beide aan Joden en heidenen, aan grote scharen van hen. Plechtige godsdienstige bijeenkomsten zijn een Goddelijke inzetting, en daar moet de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus, beide geprezen worden tot eer van God en gepredikt worden tot stichting van de mensen.
3. Hoe het gepredikt wordt, vrij en in het openbaar, mijn lippen bedwing ik niet, Uw gerechtigheid bedek ik niet, Uw waarheid en Uw trouw verheel ik niet. Dit geeft te kennen dat al wie het zou ondernemen om het Evangelie van Christus te prediken, in grote verzoeking zou zijn om het te bedekken, te verbergen, omdat het onder groten strijd gepredikt moet worden en onder veel tegenstand, maar Christus zelf en zij, die door Hem tot dat werk geroepen worden, stelden hun aangezicht "als een keisteen" Jesaja 50:7, en zij zijn er wonderlijk in door geholpen. Het is gelukkig voor ons, dat zij dit waren want hierdoor komen onze ogen ertoe om dit blijde licht te zien, en onze oren om dit blijde geklank te horen, terwijl wij anders in onbekendheid er mee omgekomen zouden zijn.