2 Samuël 17:22-29
I. Hier zien wij David en zijn krijgsmacht over de Jordaan gaan, ingevolge de raad, die hij van zijn vrienden te Jeruzalem had ontvangen, vers 22. Hij en allen, die met hem waren, gingen over in de nacht, hetzij in veerboten, die daar waarschijnlijk altijd dienst deden, of door waadbare plaatsen. Maar er kan bijzonder nota van worden genomen, dat geen hunner ontbrak, niemand verliet hem, hoewel zijn moeilijkheid zo groot was, niemand bleef ziek of vermoeid achter, noch was iemand hunner verdronken bij het overtrekken van de rivier. Hierin achten sommigen dat hij een type was van de Messias, die op een moeilijke dag gezegd heeft: "Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren." De Jordaan overgetrokken zijnde toog hij vele mijlen voorwaarts tot aan Mahanaïm, een Levietenstad in de stam van Gad, aan de uiterste grens van die stam, en niet ver van Rabba, de voornaamste stad van de Ammonieten. In deze stad Mahanaim, die Isboseth tot zijn koninklijke stad had gemaakt, Hoofdstuk 2:8, vestigde David nu zijn hoofdkwartier, vers 24. En nu had hij tijd om een leger op de been te brengen om tegenover de rebellen te stellen en hun een warme ontvangst te bereiden.
II. De dood van Achitofel, vers 23.
I. Hij stierf door zijn eigen handen, "felo de se-een zelfmoordenaar, " hij verhing zich uit ergernis omdat zijn raad niet gevolgd was. Hiermede toonde hij dat hij zich beledigd achtte, en vond dat een ondraaglijke smet geworpen was op zijn reputatie voor wijsheid. Zijn mening placht altijd in de raad de bovenhand te hebben, maar nu wordt de mening van een ander wijzer en beter geacht dan de zijne, zijn hoogmoedig hart kan die belediging niet dragen, het verheft zich en zwelt, en hoe meer hij er aan denkt, hoe heftiger zijn toorn wordt ontstoken, totdat hij eindelijk het wanhopig besluit neemt, om niet te blijven leven om aan een ander boven hem de voorkeur te zien geven. Alle mensen denken dat hij een wijs man is, maar hij denkt dat hij de enige wijze man is, om zich dus te wreken op de mensheid wijl zij dit niet ook dacht, wil hij sterven, opdat de wijsheid met hem sterve. Zulk een orakel als hij is, is de wereld niet waardig, en daarom zal hij haar doen gevoelen wat het is hem te moeten missen. Zie hoe diegenen werkelijke vijanden zijn van zichzelf, die een al te hoge dunk hebben van zichzelf, en in welk kwaad zij zich storten, die ongeduldig zijn onder geringschatting. Datgene zal het hart van een trotsaard doen breken wat een ootmoedig man niet eens in zijn slaap zal storen.
2. Hij achtte zich in levensgevaar gebracht. Hij dacht dat wijl zijn raad niet gevolgd was, Absaloms zaak gewis schipbreuk zal lijden, en-wie dan ook bij David genade zou vinden, hij was de grootste misdadiger van allen, dacht hij, hij had Absalom geraden zijns vaders bijwijven te schenden, en daarom zal hij aan de openbare gerechtigheid worden opgeofferd. Om nu de schande en de verschrikking van een openbare, plechtige terechtstelling te voorkomen zal hijzelf gerechtigheid aan zich oefenen. En nu zal hij met dat al door deze zijn laatste daad een veel grotere smet werpen op zijn reputatie voor wijsheid, dan Absaloms raadsheer op hem geworpen heeft, en aldus beantwoorden aan zijn naam Achitofel, welke betekent de broeder eens zotst Niets duidt zo grote dwaasheid aan als zelfmoord.
Merk op hoe hij dit met voorbedachten rade gedaan heeft, niet in een vlaag van drift, neen, hij ging terug naar zijn stad, naar zijn huis om dit te doen, en hetgeen vreemd is, nam de tijd om erover na te denken, het bij zichzelf te overwegen, en toch deed hij het. En om te bewijzen dat hij "compos mentis-bij zijn zinnen" was, toen hij het deed, heeft hij eerst bevel gegeven aan zijn huis, maakte hij zijn testament als een man van gezonde zinnen, regelde zijn goederen, maakte zijn rekeningen op. Maar hij, die verstand en voorzichtigheid genoeg had om dit te doen, had geen bedachtzaamheid genoeg om het vonnis te herroepen, dat hij over zichzelf geveld had in zijn hoogmoed en hartstocht, of er de uitvoering tenminste van uit te stellen, totdat hij zag hoe het met Absaloms opstand afliep. Nu kunnen wij hierin zien:
a. Verachting uitgestort over de menselijke wijsheid, hij, die meer dan alle andere mensen beroemd was voor staatkunde of beleid, stelt zich meer dan alle anderen aan als een dwaas. Zo beroeme zich een wijze dan niet in zijn wijsheid, als hij ziet hoe hij, die voor zo'n groot orakel gold, sterft zoals een dwaas sterft.
b. Eer gedaan aan de gerechtigheid Gods. Als de goddelozen aldus verstrikt worden in het werk hunner handen en vallen in de groeve die zij gemaakt hebben, dan wordt de Here bekend door het recht, dat Hij gedaan heeft, en dan moeten wij zeggen: "Higgajon, Sela, " het is een zaak waarop gelet, en waarover nagedacht moet worden. Zie Psalm 9:17, 7:16, 17. Dr. Lightfoot is van mening dat David de 55ste psalm schreef bij gelegenheid dat Achitofel in het komplot was, dat tegen hem gesmeed werd, en dat hij de man is over wie hij klaagt, vers 14, die van zijn waardigheid, zijn leidsman en zijn bekende was. Indien dit zo is dan was er een onmiddellijke verhoring van zijn gebed aldaar, vers 16, dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij levend ter helle nederdalen. Achitofels dood was een voordeel voor Davids zaak, want zo hij de belediging geslikt had (zoals zij dikwijls moeten besluiten te doen die in deze wereld willen leven) en ware hij op zijn post bij Absalom gebleven, hij zou hem later raad hebben kunnen geven, die van verderflijker gevolg voor David geweest zou zijn. Het is goed dat die ademtocht heeft opgehouden en dat hoofd neergelegd is, waarvan niets dan kwaad verwacht kon worden. Het schijnt toen niet de gewoonte te zijn geweest om smaadheid aan te doen aan het dode lichaam van een zelfmoordenaar, want Achitofel werd begraven met eer, naar wij kunnen onderstellen, in het graf zijns vaders, hoewel hij niets meer dan een ezelsbegrafenis waardig was, zie Prediker 8:10.
III. Absaloms vervolging van zijn vader. Hij had nu al de mannen Israëls tot zich vergaderd, zoals Husai geadviseerd had, en hijzelf toog aan hun hoofd over de Jordaan, vers 24. Niet tevreden dat hij zijn Godvruchtige vader tot de verste uithoek van zijn rijk had gedreven, besluit hij om hem ook uit de wereld te verdrijven. Hij legerde zich met geheel zijn krijgsmacht in het land Gilead, bereid en gereed om David slag te leveren, vers 26. Absalom stelde een zekere Amasa aan tot krijgsoverste, vers 25, wiens vader, Jether, van geboorte een Ismaeliet was, 1 Kronieken 2:17, maar van Godsdienst, Jethra, zoals hij hier genoemd wordt, een Israëliet. Waarschijnlijk was hij niet alleen tot de Joodse Godsdienst bekeerd, maar een nabestaande van David gehuwd hebbende was hij genaturaliseerd, en wordt daarom een Israëliet genoemd. Zijn vrouw, de moeder van Amasa, was Abigail, de zuster van David, wiens andere zuster, Zeruja, Joabs moeder was, 1 Kronieken 2:16. Zodat Amasa in dezelfde betrekking stond tot David als Joab. Ter ere van zijn geslacht heeft Absalom, zelfs toen hij in oorlog was met zijn vader, hem tot opperbevelhebber aangesteld over geheel zijn krijgsmacht. Isai wordt hier Nahas genoemd, want veel personen hadden twee namen, maar het kan ook de naam van zijn vrouw geweest zijn.
IV. De vrienden, die David in deze afgelegen landstreek ontmoette. Zelfs Sobi, een jongere broeder van de koninklijke familie van de Ammonieten, betoonde hem vriendelijkheid, vers 27. Waarschijnlijk had hij de smadelijke behandeling verfoeid, die zijn broeder Hanun Davids gezanten heeft aangedaan, en had hij dieswege gunsten ontvangen van David, die hij hem nu vergold. Zij, die hun voorspoed het meest bevestigd achten, weten niet of er niet een tijd kan komen, wanneer zij de vriendelijkheid nodig zullen hebben van hen, die nu geheel in hun macht zijn, en hun dan gaarne verplicht zullen zijn, hetgeen een reden is, waarom wij, naar wij er de gelegenheid toe hebben, goed moeten doen aan alle mensen want die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden. Machir, de zoon van Ammiel, was de man, die Mefiboseth herbergde en onderhield, Hoofdstuk 9:4, totdat David hem onthief van die last, en nu wordt David door die edelmoedige man hiervoor beloond, die de beschermer geweest schijnt te zijn van alle vorsten in nood. Van Barzillai zullen wij meer horen. Dezen, medelijden hebbende met David en zijn mannen nu zij door een lange mars moede en afgemat waren, brachten hem meubelen voor zijn huis, beddewerk en schalen, en levensmiddelen voor zijn tafel, tarwe en gerst, enz, vers 28, 29. Hij heeft hun geen brandschatting opgelegd, hen niet gedwongen om hem van levensmiddelen te voorzien, en nog veel minder heeft hij hen geplunderd, maar ten teken van hun genegenheid voor zijn persoon, en onwankelbare trouw aan zijn regering en hun zorgvolle belangstelling in zijn tegenwoordige nood, brachten zij hem alles wat hij nodig kon hebben, en wel in overvloed. Laat ons hieruit leren edelmoedig en vrijgevig te zijn naar ons vermogen is, voor allen die in nood zijn, bovenal voor aanzienlijken, op wie zulke hoon zwaar en smartelijk drukt, en voor Godvruchtigen, die een betere behandeling verdienen.
Merk op, hoe God soms aan Zijn volk de vertroosting vergoedt door vreemdelingen, die hun door hun eigen familie ontzegd wordt.