2 Samuël 15:13-23
I. Hier is het bericht aan David gebracht van Absaloms rebellie, vers 13. De zaak was slecht genoeg, maar toch schijnt zij hem nog slechter voorgesteld te zijn, (zoals dit gewoonlijk gaat) dan zij werkelijk was, want men zei hem, dat het hart eens iegelijken in Israël (dat is: van de meerderheid, of tenminste van de voornaamsten) Absalom navolgde. Maar David kon dit zoveel gemakkelijker geloven omdat hij zich nu Absaloms kunstgrepen herinnerde, die hij had aangewend om hem te verlokken en wellicht dacht hij er nu aan met leedwezen, dat hij niet meer gedaan had om hem tegen te werken en voor zijn eigen belangen te zorgen en ze tegen hem te beveiligen, en zijn invloed op het volk, waarop hij al te veel vertrouwde, te behouden en te versterken. Het is de wijsheid van vorsten, om zich van het hart en de genegenheid hunner onderdanen te verzekeren, want als zij die hebben, dan hebben zij hun beurs, hun wapenen en hun alles tot hun dienst.
II. De verschrikking, die dit bracht over David, en het besluit, dat hij hierop genomen heeft. Wij kunnen ons wel enigszins voorstellen, hoe verbaasd en als van de donder getroffen David geweest moet zijn, toen hij hoorde dat de zoon, die hij zo tederlijk liefhad en voor wie hij zo toegevend was geweest, zo onnatuurlijk en ondankbaar was dat hij de wapenen tegen hem had opgevat. Wel mocht hij zeggen met Caesar: "Kai su teknon-Wat! gij mijn zoon?" Laat ouders dan niet al te hoge hoop koesteren van hun kinderen, opdat zij niet teleurgesteld worden. David heeft de raad niet bijeengeroepen, maar alleen te rade gaande met God en zijn eigen hart, besloot hij Jeruzalem terstond te verlaten, vers 14. Dit vreemde besluit, dat zo weinig strookte met zijn hoedanigheid als man van moed, nam hij, hetzij:
1. Als boetvaardige, zich onderwerpende aan de roede, en zich nederleggende onder de kastijdende hand Gods. Zijn geweten herinnerde hem nu aan zijn zonde in de zaak van Uria, en het vonnis, dieswege over hem uitgesproken dat kwaad tegen hem zou verwekt worden uit zijn eigen huis. "Nu", denkt hij, "begint het woord Gods in vervulling te gaan, en het betaamt mij niet er tegen in verzet te komen, God is rechtvaardig, en ik onderwerp mij." Voor de onrechtvaardige Absalom kon hij zich rechtvaardigen en staande houden, maar voor de rechtvaardige God moet hij zich veroordelen, en zich onderwerpen aan Zijn oordelen. Aldus zal hij de straf van zijn ongerechtigheid dragen. Of:
2. Als een staatsman. Jeruzalem was een grote stad, maar niet verdedigbaar. Te oordelen naar Davids gebed in Psalm 51:20 :"Bouw de muren van Jeruzalem op," moeten toen de muren er van niet gebouwd zijn geweest, veel minder nog was de stad regelmatig versterkt, zij was te groot om bezet te worden door zo'n kleine krijgsmacht als waarover David toen kon beschikken, hij had redenen om te vrezen dat het gros van de inwoners Absalom te zeer genegen was, om hem (David) trouw te zijn. Indien hij er zich in versterkte zou hij het land kunnen verliezen, in hetwelk, inzonderheid in die delen, die het verst verwijderd lagen van Absaloms verleidingen en kuiperijen, hij hoopte de meeste vrienden te hebben. Hij had ook zo'n liefde voor Jeruzalem, dat hij er afkerig van was om het tot het toneel des oorlogs te maken en het bloot te stellen aan de rampen van een beleg, eerder zal hij het gedwee aan de rebellen overlaten. Als Godvruchtige mensen lijden, wensen zij, dat zo min mogelijk hun lijden door anderen gedeeld wordt. III. Zijn haastige vlucht van Jeruzalem. Zijn dienaren stemden in met zijn maatregelen, bleven hem trouw aanhangen, vers 15, en verzekerden hem van hun onwankelbare trouw. Hierop:
1. Verliet hijzelf Jeruzalem te voet, terwijl zijn zoon Absalom wagens en paarden had. Het is niet altijd de waardigste man, noch de beste zaak, die het beste en waardigste aanzien heeft. Zie hier, niet slechts de knecht, maar de verrader, te paard, terwijl de vorst, de rechtmatige, wettige vorst, "als een knecht op de aarde gaat," Prediker 10:7. Dit verkoos hij te doen, om zich des te meer te vernederen onder Gods hand, en uit vriendelijke minzaamheid jegens zijn vrienden en volgelingen, met wie hij wenste te lopen, ten teken dat hij met hen wilde leven en sterven.
2. Hij nam zijn gezin mede, zijn vrouwen en kinderen, teneinde hen in deze dag des gevaars te beschermen en opdat zij hem ten troost zullen wezen ten dage van zijn smart en van zijn rampspoed. Hoofden van gezinnen moeten ook in de grootste ontroering en schrik hun gezin niet veronachtzamen. Tien bijwijven liet hij achter om het huis te bewaren, denkende dat de zwakheid hunner kunne haar wel tegen moord zou behoeden, en haar leeftijd en de betrekking, waarin zij tot hem stonden, voor ontering, maar God bestuurde het ter vervulling van Zijn woord.
3. Hij nam zijn lijfwacht mede, de Krethi en de Plethi, die onder bevel stonden van Benaja en de Gethieten, die onder het bevel waren van Ithai, vers 18. Deze Gethieten schijnen van geboorte Filistijnen geweest te zijn, Filistijnen van Gath, een regiment, zes honderd man sterk gekomen om dienst te nemen onder David, hem te Gath gekend hebbende, en zeer met hem ingenomen zijnde om zijn deugd en Godsvrucht en de Joodse Godsdienst omhelsd hebbende. David stelde hen aan tot zijn bijzondere lijfwacht, en in zijn tegenspoed bleven zij hem aanhangen. De Zone Davids vond zo'n groot geloof niet in Israël als Hij in een Romeinse hoofdman over honderd gevonden heeft en in een Kananese vrouw.
4. Zovelen als wilden van het volk van Jeruzalem nam hij mede, en ergens op een goede afstand van Jeruzalem hield hij halt, om hen te rangschikken, vers 17. Hij dwong niemand, zij, wier hart met Absalom was, konden tot Absalom gaan, en zo zal hun oordeel wezen, zij zullen spoedig genoeg van hem hebben. Christus neemt alleen vrijwilligers op onder Zijn banier.
IV. Zijn gesprek met Ithai, de Gethiet, die over de Filistijnse proselieten het bevel voerde.
1. David ried hem af om met hem mee te gaan, vers 19, 20. Hoewel hij en zijn mannen hem grotelijks van dienst konden zijn, wilde hij toch:
a. Zien of hij hem van harte toegedaan was, en geen neiging had voor Absalom, daarom zegt hij hem terug te keren naar zijn post te Jeruzalem en de nieuwe koning te dienen. Indien hij niets meer was dan een soldaat van fortuin, -zoals wij zeggen-dan zou hij wezen voor de partij, die hem de meeste soldij en de grootste bevordering zou geven zo laat hem zich dan tot die zijde begeven.
b. Indien hij trouw was aan David, wilde hij hem toch niet blootstellen aan de vermoeienissen en gevaren, waarop hij nu rekende. Davids teder gemoed kon het niet dragen om te denken dat een vreemdeling en balling, een pas bekeerde, die op alle mogelijke wijze aangemoedigd behoorde te worden, en wie men het leven zo gemakkelijk mogelijk moest maken, reeds terstond zoveel hardheid en ontbering zal hebben te lijden. Zou ik u met ons omvoeren om te gaan? Neen, keer weer, en breng uw broederen weer. Grootmoedige zielen zijn meer bekommerd over het deel dat anderen hebben in hun moeilijkheden, dan over hetgeen zij zelf hebben te lijden. Ithai zal dus weggezonden worden met een zegen: weldadigheid en trouw zij met u, dat is: Gods weldadigheid en trouw, weldadigheid overeenkomstig de belofte, gedaan aan hen die andere goden verzaken en zich onder de vleugelen van de Goddelijke majesteit stellen. Dit is een zeer gepast en Godvruchtig woord van vaarwel als wij van een vriend scheiden. "Weldadigheid en trouw zij met u, dan zijt gij veilig, waar gij u ook bevindt." Davids vertrouwen was op de weldadigheid en trouw van God, ter vertroosting en welzijn van zichzelf en zijn vrienden. Zie Psalm 61:8.
2. Ithai besluit kloekmoedig hem niet te verlaten, vers 21. Waar David is, hetzij ten dode hetzij ten leven, in veiligheid of in gevaar, daar zal zijn trouwe vriend ook zijn, en hij bevestigt zijn besluit met een eed, teneinde niet in verzoeking te komen om van besluit te veranderen, zo'n waardering heeft hij voor David, niet om der wille van zijn rijkdom en grootheid, (want dan zou hij hem thans verlaten hebben, nu hij hem in zo treurige, ellendige toestand ziet gebracht) maar om wille van zijn wijsheid en Godsvrucht, die nu nog dezelfde waren, zodat, wat er ook moge geschieden, hij hem nooit zal verlaten. Het is een ware vriend, die te allen tijde liefheeft, en ons aankleeft in tegenspoed. Aldus behoren wij de Zone Davids aan te kleven met een vast voornemen des harten, zodat noch leven noch dood ons zullen scheiden van Zijn liefde.
V. Des volks medegevoel met David in zijn beproeving. Toen hij en degenen die hem vergezelden over de beek Kidron gingen (dezelfde beek, waarover Christus gegaan is, toen Hij inging tot Zijn lijden, Johannes 18:naar de weg van de woestijn, die lag tussen Jeruzalem en Jericho, weende het gehele land met luider stemme, vers 23. Er was oorzaak genoeg om te wenen.
1. Om een vorst tot zo'n treurige toestand te zien gebracht, genoodzaakt om zijn paleis te verlaten, in levensgevaar, met een klein gevolg, een schuilplaats zoekende in een woestijn, de stad Davids, die hijzelf veroverd, gebouwd, versterkt had, tot een onveilig verblijf voor David zelf geworden, het zou zelfs het medelijden opwekken van vreemdelingen, om een man van zo'n grote hoogte zo diep gevallen te zien, en dat wel door de slechtheid van zijn eigen zoon, het was een erbarmelijk geval. Ouders, die door hun eigen kinderen mishandeld en in het verderf worden gestort verdienen het teder medegevoel van hun vrienden evenzeer als ieder van de zonen en dochteren van de smart. Inzonderheid:
2. Hun eigen vorst aldus verongelijkt te zien, die zo'n grote zegen is geweest voor hun land, en niets gedaan had om de genegenheid des volks te verbeuren, hem in die nood te zien en niet instaat te zijn om hem te helpen, dat was genoeg om stromen van tranen uit hun ogen te doen vloeien.