2 Samuël 15:1-6
Niet zodra is Absalom hersteld in zijn plaats aan het hof, of hij legt er zich op toe om op de troon te komen. Hij, die niet verootmoedigd werd onder zijn moeilijkheden, werd ondraaglijk hoogmoedig toen zij voorbij waren, hij kan zich niet vergenoegen met de eer van de zoon des konings te zijn en het vooruitzicht van zijn opvolger te worden, hij moet nu reeds koning zijn. Zijn moeder was een koningsdochter, daar liet hij zich misschien op voorstaan, en daarom minachtte hij zijn vader, die slechts de zoon was van Isai. Zij was de dochter van een heidense koning, waardoor hij zich te minder bekommerde om de vrede van Israël. In dit ongelukkige zaad uit dat huwelijk heeft David er voor geboet, dat hij aldus een ander juk heeft aangetrokken met de ongelovigen.
Toen Absalom in de gunst des konings hersteld was, zou hij, indien hij enig besef had van dankbaarheid, er zich op toegelegd hebben om zijn vader te verplichten en hem rust te bezorgen, maar inplaats hiervan zint hij op middelen om hem te ondermijnen door hem het hart des volks te ontstelen. Twee dingen bevelen een man aan in de achting van het volk: grootheid en goedheid.
I. Absalom heeft een groot aanzien, vers 1. Van de koning van Gesur had hij geleerd wat aan de koning Israëls niet geoorloofd was namelijk de paarden te vermenigvuldigen, waardoor hij een begerenswaardig aanzien kreeg, terwijl zijn vader op zijn muilezel een min voorkomen had. Het volk begeerde een koning zoals de volken, zulk een zal Absalom wezen in een staatsie en pracht verschijnende boven hetgeen tot nu toe in Jeruzalem gezien was. Samuël had voorzegd dat dit "de wijze des konings zijn zou: hij zal wagens hebben en ruiteren, die voor zijn aangezicht heenlopen," 1 Samuël 8:11,. en dit is Absaloms wijze. Vijftig mannen, in rijke livreien naar wij kunnen onderstellen, voor hem heenlopende om zijn nadering aan te kondigen, dat zal zijn hoogmoed en des volks dwaze zin grotelijks strelen. David denkt dat dit slechts bedoeld is om zijn hof te sieren en laat het oogluikend toe. Die ouders weten niet wat zij doen, die aan de hoogmoedige zin hunner kinderen toegeven, want ik heb meer jonge lieden in het verderf gestort gezien door hoogmoed, dan door enigerlei andere begeerlijkheid.
II. Absalom wil ook de schijn hebben van zeer goed te zijn, maar met een zeer slechte bedoeling. Had hij zich een goed zoon betoond en een goed onderdaan, en er zich toe begeven om zijns vaders belangen te dienen, hij zou zijn tegenwoordige plicht gedaan hebben en zich toekomstige eer waardig betoond hebben na de dood zijns vaders. Zij, die goed weten te gehoorzamen, weten ook te heersen. Maar om te tonen hoe goed een rechter en hoe goed een koning hij zijn zal, dat is slechts zichzelf en anderen te bedriegen. Diegenen zijn goed, die goed zijn in hun eigen plaats, niet zij die er hoog van opgeven hoe goed zij zullen zijn in anderer plaats. Maar dit is nu al de goedheid die wij in Absalom vinden.
1. Hij wenst dat hij rechter ware in Israël vers 4. Hij had al de pracht en al het genoegen, dat hij kon wensen, maar daar is hij niet mee tevreden, dat voldoet hem niet of hij moet ook macht hebben: Och dat men mij ten rechter stelde in het land Hij, die zelf ter dood had moeten veroordeeld worden wegens moord, heeft de onbeschaamdheid om er naar te streven rechter te zijn over anderen. Wij lezen niets van Absaloms wijsheid, deugd of bekendheid met de wetten, hij had ook geen bewijzen gegeven van zijn liefde voor gerechtigheid wel het tegendeel, maar toch wenst hij rechter te zijn. Diegenen hebben gewoonlijk de meeste eerzucht naar hoge ambten, die er het minst voor geschikt zijn, de meest-begaafden zijn het meest bescheiden en hebben de minste dunk van zichzelf, maar wie zo gemakkelijk zegt: Och dat men mij ten rechter stelde! toont van geen betere geest te zijn dan die in Absalom heerste.
2. Hij gebruikt een zeer slecht middel om tot de vervulling van zijn wens te geraken. Indien hij zijn vader nederig verzocht had om hem te gebruiken in de bedeling des rechts, en gestudeerd had om er zich voor te bekwamen, naar de regel, Exodus 18:21, dan zou hij ongetwijfeld hebben kunnen rekenen op de eerste plaats van rechter, die openkwam, maar voor die hoogmoedige geest is die post te gering. Het is beneden hem om ondergeschikt te wezen, al is het ook aan de koning, zijn vader, hij moet de eerste in het land zijn of niets. Hij verlangt zo'n rechter te wezen dat ieder, die een rechtszaak heeft, tot hem zal komen, in elke zaak en over iedereen moet hij als opperste te zeggen hebben, weinig denkende aan de vermoeienis, die hem dit baren zal, als iedereen tot hem komt. Mozes zelf kon dit niet dragen. Zij weten niet wat macht is die er zo begerig naar grijpen.
Om de macht te verkrijgen, waarnaar hij haakt, poogt hij:
Aan het volk een slechte dunk te geven van de tegenwoordige rechtsbedeling, alsof de zaken des rijks ten enenmale veronachtzaamd werden en er niet de minste zorg aan werd besteed. Van allen, die iets in de raadkamer te doen hadden, verzamelde hij zovelen hij kon om zich heen, vroeg hun wat er van hun zaak was, en:
a. Na dit oppervlakkig en algemeen onderzoek, deed hij uitspraak en verklaarde hun zaak goed en rechtvaardig. Uw zaken zijn goed en recht. Een geschikt man, voorwaar! om rechter te zijn, die uitspraak gaf na slechts een partij in de zaak gehoord te hebben! Want hij moet wel een zeer slechte zaak hebben, die er geen schone schijn aan weet te geven, als hij haar zelf kan voordragen. Maar,
b. Hij zei hun dat het nergens toe diende om er mee tot de troon te gaan, gij hebt geen verhoorder van des konings wege. De koning zelf is oud, niet meer geschikt voor zaken, of hij houdt zich zo bezig met Godsdienstige oefeningen, dat hij niet meer denkt aan het afdoen van zaken, (zijn zonen hadden zich zo overgegeven aan genot en vermaak, dat zij, hoewel in naam opperofficieren, de zaken, die hun waren opgedragen, niet behartigden.) Verder schijnt hij ook te kennen te geven, dat het land een zeer groot verlies had geleden door zijn ballingschap en later door zijn gevangenschap op vrije voeten, en hoe het publiek daardoor geleden heeft. Wat zijn vader met waarheid gezegd heeft van Sauls regering, Psalm 75:4, zegt hij valselijk, het land en al zijn inwoners waren versmolten, het zal te gronde gaan, tenzij ik zijn pilaren vastmaak. Hij wilde iedereen doen geloven dat hem nooit recht gedaan zal worden, tenzij Absalom onderkoning of opperrechter is. Het is de gewoonte van woelzieke, eerzuchtige lieden, om de regering te smaden, waaronder zij leven, die lieden zijn "stout, behagen zichzelf, en schromen niet de heerlijkheden te lasteren," 2 Petrus 2:10. David zelf, de beste van de koningen, en zijn bestuur konden aan de heftigste verwijten en berispingen niet ontkomen. Zij, die bedoelen zich onrechtmatig van de regering meester te maken schreeuwen hard over grieven, en wenden voor niets anders op het oog te hebben dan die te herstellen, zoals Absalom dit hier ook voorgewend heeft.
3. Een goede dunk van zijn eigen geschiktheid om te regeren. Opdat het volk zou zeggen: "Och! was Absalom maar rechter!" (en zij hebben genoeg neiging naar verandering) beveelt hij zich aan hen: a. Als zeer naarstig, hij stond vroeg op, en verscheen in het openbaar voordat de andere zonen des konings nog een voet buiten de deur hadden gezet, en hij stond aan de zijde van de weg van de poort, waar de gerechtshoven hun zitting hielden, als iemand die wenste dat er recht gedaan zou worden en de openbare zaken zouden worden afgedaan.
b. Als zeer belangstellend en begerig om met ieders zaken bekend te worden gemaakt. Hij wilde van ieder, die voor een rechtszaak kwam, weten van welke stad hij was, teneinde zich aldus met ieder deel van het rijk bekend te maken, op de hoogte te komen van de toestand er van vers 2.
c. Als zeer gemeenzaam en nederig. Als een Israëliet zich voor hem wilde buigen dan greep hij zijn hand en omhelsde hem als een vriend. Niemand kon meer minzame vriendelijkheid betonen, terwijl zijn hart zo trots was als dat van Lucifer. Eerzuchtige plannen worden dikwijls uitgevoerd met "een schijn van nederigheid," Coloss. 2:23. Hij wist welk een gratie bijgezet wordt aan grootheid door minzaamheid en beleefdheid, en hoezeer het hart van het gewone volk er door wordt gewonnen. Indien hij er oprecht in geweest was, het zou hem tot lof hebben gestrekt maar het volk op zo kruipende wijze te vleien, teneinde het te verraden, was afschuwelijke geveinsdheid. Hij duikt neer, hij buigt zich om hen in zijn net te trekken. Zie Psalm 10:9, 10.