Psalm 37:21-33
Deze verzen zijn van ongeveer dezelfde strekking als de vorige verzen van deze psalm, want het is een onderwerp wel waardig om er bij te verwijlen.
Merk hier op:
I. Wat van ons geëist wordt als de weg tot ons geluk, dat wij kunnen leren uit het karakter, dat hier beschreven, en de aanwijzingen, die hier gegeven worden. Indien wij door God gezegend willen worden:
1. Dan moeten wij er een gewetenszaak van maken om aan iedereen het zijne te geven want de goddeloze ontleent en geeft niet weer vers 21. Het is het eerste, dat de Heere onze God van ons eist, dat wij recht doen en aan allen geven wat hun toekomt. Het is niet slechts laag en schandelijk, maar zeer slecht en zondig, om niet terug te geven wat wij ontleend hebben. Sommigen houden dit voor een bewijs, niet zozeer van de goddeloosheid van de goddelozen, als wel van de ellende en armoede waartoe zij door het rechtvaardig oordeel Gods gebracht zijn, dat zij in de noodzakelijkheid zijn gekomen om voor hun onderhoud te ontlenen, en dan niet instaat zijn om het terug te geven, zodat zij dan in de macht zijn van hun schuldeisers. Hoe sommigen daar nu ook over denken: gelijk het voor hen, die instaat zijn hun rechtmatige schulden te behalen, een grote zonde is om die betaling te weigeren, zo is het een grote ellende om niet bij machte te zijn ze te betalen.
2. Wij moeten bereid zijn tot alle daden van barmhartigheid en weldadigheid, want gelijk het een bewijs is van Gods goedheid jegens de rechtvaardigen, dat Hij het in hun macht geeft om vriendelijk te zijn en goed te doen (en aldus verstaan het sommigen: door Gods zegen wordt zijn weinige dermate vermeerderd dat hij overvloedig heeft om anderen te hulp te komen,) zo is het ook een bewijs van de goedheid van de rechtvaardige, dat hij een hart heeft in evenredigheid met zijn vermogen; hij ontfermt zich en geeft, vers 21 De gehele dag ontfermt hij zich, of iedere dag, en leent, en soms is er een ware barmhartigheid in lenen, zowel als ingeven. Geven en lenen zijn Gode welbehaaglijk, als zij voortkomen uit een barmhartige gezindheid van het hart, die, zo zij oprecht is, gestadig zal zijn, en er ons voor bewaren zal om te vertragen in goed te doen. Hij, die waarlijk barmhartig is, is altijd barmhartig.
3. Wij moeten onze zonden nalaten en ons begeven tot ernstige Godsvrucht, vers 27 Wijk af van het kwade en doe het goede, houd op van kwaad te doen en verafschuw het, leer goed te doen en blijf er bij. Dit is ware godsdienst.
4. Wij moeten overvloedig zijn in goed spreken, met onze tong God verheerlijken en anderen stichten. Het behoort tot het karakter van de rechtvaardige, dat zijn mond wijsheid vermeldt, vers 30 Hij spreekt niet slechts op verstandige wijze, maar hij spreekt wijsheid, zoals Salomo zelf, ter onderrichting van hen, die hem omringen. Zijn tong spreekt van geen ijdele of onvoegzame dingen, maar van recht, dat is: van het Woord en de voorzienigheid Gods en de regels van de wijsheid in de omgang met onze naaste. Uit de overvloed van een goed hart zal de mond spreken wat goed is tot nut en stichting van anderen. 5. Onze wil moet in onderworpenheid gebracht worden aan de wil en het Woord van God, vers 31 De wet zijns Gods is in zijn hart; en tevergeefs wenden wij voor dat God onze God is, indien wij Zijn wet niet ontvangen in ons hart, om er ons door te laten leiden en besturen. Het zou slechts spotten zijn met God om wijsheid te vermelden en het recht te spreken, vers 30, als wij de wet Gods niet in ons hart hebben en niet denken zoals wij spreken. De wet Gods moet een gebiedend, heersend beginsel zijn in het hart, daar moet zij een licht wezen, en dan zal de wandel regelmatig zijn; zijn gangen zullen niet glibberen, zij zal een terugvallen in zonde krachtdadig voorkomen, en de onrust, die er het gevolg van is.
II. Wat ons verzekerd is op deze voorwaarden ten opzichte van ons geluk en welvaren.
1. Dat wij de zegen van God zullen hebben, en die zegen zal de bron en lieflijkheid en zekerheid zijn van al onze tijdelijke genietingen en ons welvaren, vers 22 Zijn gezegenden, zij die door God gezegend zijn met de zegen van de Vader en dat zijn al de rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten; de aarde, of het land, want aldus wordt hetzelfde woord soms vertaald, het land Kanaän, die roem van alle landen. Onze lichamelijke genietingen, evenals al onze tijdelijke zijn dan eerst lieflijk, als wij ze zien voortvloeien uit de zegen van God, uit Zijn gunst, Zijn belofte en Zijn verbond met ons; en als wij zeker zijn van de zegen van God, dan zijn wij zeker geen gebrek te zullen hebben aan iets, dat goed voor ons is in deze wereld. "De aarde geeft haar gewas, indien God als onze God ons zegent", Psalm 67:7. En gelijk zij, die God zegent, waarlijk gezegend zijn, want zij zullen het land beërven; zo zijn zij, die Hij vloekt, waarlijk gevloekt, en zij zullen afgesneden, uitgeroeid worden; en hun uitroeiing door de vloek Gods zal de bevestiging van de rechtvaardigen door de zegen Gods zoveel helderder doen uitblinken.
2. Dat God onze handelingen en onze zaken zal besturen, zoals zij het meest zijn tot Zijn eer, vers 23 De gangen van de Godvruchtige worden door de Heere bestuurd. Door Zijn genade en Zijn Heiligen Geest bestuurt Hij de gedachten, de genegenheden en de voornemens van vrome mensen. Hij heeft alle harten in Zijn hand, maar het hunne heeft Hij met hun eigen toestemming, door Zijn voorzienigheid leidt Hij de gebeurtenissen, die hen betreffen, zodat Hij hun weg effen voor hen maakt, zowel ten opzichte van hetgeen zij moeten doen als van hetgeen zij moeten verwachten.
Merk op: God bestuurt de gangen van de Godvruchtige, niet slechts zijn weg in het algemeen door Zijn geschreven Woord, maar zijn bijzondere gangen, door de fluisteringen van het geweten, zeggende. Dit is de weg, wandel daarop. Hij toont hem niet altijd de weg reeds op een afstand, maar leidt hem stap voor stap, zo als kinderen geleid worden, en zo houdt Hij hem voortdurend afhankelijk van Zijn leiding; en dat wel:
a. Omdat Hij zich verlustigt in zijn weg, een welbehagen heeft in de paden van de gerechtigheid, waarin hij wandelt. "De Heere kent de weg van de rechtvaardigen," Psalm 1:6, kent hem in gunst, en daarom bestuurt Hij hem.
b. Opdat Hij zich zal verlustigen in zijn weg. Omdat God zijn weg bestuurt naar Zijn wil, verlustigt Hij er zich in, want gelijk Hij Zijn beeld in ons liefheeft, zo heeft Hij ook een welbehagen in hetgeen wij onder Zijn leiding doen. 3. Dat God er ons voor bewaren zal om door ons vallen in zonde of in moeilijkheden ten verderve te gaan, vers 24 Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen.
a. Een Godvruchtige kan overvallen worden door een verzoeking, zodat hij in zonde valt, maar Gods genade zal hem tot berouw er over doen komen, zodat hij niet weggeworpen wordt. Hij kan voor een tijd de blijdschap verliezen van Gods heil, maar ze zal hem weergegeven worden, want God zal hem ondersteunen met Zijn hand, hem ondersteunen met de vrijmoedige geest. De wortel zal in het leven worden gehouden, al verdort ook het blad, en na de winter zal de lente komen.
b. Een Godvruchtige kan in benauwdheid komen. Er kan verwarring komen in zijn zaken, zijn moed kan worden ter neergeslagen, maar hij zal toch niet worden weggeworpen; God zal de sterkte zijn van zijn hart als zijn vlees en hart bezwijken, en hem ondersteunen door Zijn vertroostingen, daar Hij de rotssteen zijns harten is en zijn deel in eeuwigheid.
4. Dat hem het nodige levensonderhoud niet zal ontbreken, vers 25. "Ik ben jong geweest ook ben ik oud geworden, en onder al de veranderingen, die ik gezien heb in van de mensen uitwendige levensomstandigheden, en de opmerkingen, die ik er bij mijzelf van gemaakt heb, heb ik nooit de rechtvaardige verlaten gezien van God en de mens, zoals ik soms goddelozen door hemel en aarde verlaten heb gezien. Ook herinner ik mij niet ooit het zaad van de rechtvaardigen tot zo'n uiterste armoede gebracht te hebben gezien dat zij om brood moesten bedelen." David had zelf om brood gebedeld bij Achimelech de priester, maar het was toen Saul hem vervolgde-en onze Heiland heeft ons geleerd een uitzondering te maken voor het geval van vervolging om van de gerechtigheid wil op alle beloften van tijdelijke aard, Markus 10:30, omdat daar zulke bijzondere vertroostingen en eer aan verbonden zijn, dat het veeleer een gave is (zoals de apostel haar acht, Filippenzen . 1:29 ), dan een verlies of een grief. Maar er zijn zeer weinige voorbeelden van Godvruchtige mensen, of van hun gezin, die tot zo'n uiterste armoede waren vervallen, als waartoe vele goddelozen zich door hun eigen slechtheid gebracht hebben. Hij had de rechtvaardige niet verlaten gezien, noch zijn zaad zoekende brood. Als zij gebrek hebben dan zal God hun vrienden verwekken om in hun nood te voorzien, zonder dat zij zich blootstellen aan de smaad van gewone bedelaars, of, zo zij al van huis tot huis, van deur tot deur moeten gaan om brood, dan zal het niet wezen met de wanhoop van de goddeloze, die "heen en weer zwerft om brood, zeggende: Waar is het?" Job 15:23, noch zal het hem geweigerd worden, zoals aan de verloren zoon, die "begeerde zijn buik te vallen met de draf, die de zwijnen aten; en niemand gaf hem die," Lukas 15:16 Ook zal hij niet "murmureren als hij niet verzadigd wordt, zoals David's vijanden als zij omzwerfden om spijs," Psalm 59:16 Sommigen zijn van mening dat deze belofte voornamelijk betrekking heeft op hen, die barmhartig en milddadig zijn voor de armen, en te kennen geeft dat David nooit gezien heeft, dat iemand zich door zijn liefdadigheid tot armoede had gebracht, het is door meer in te houden dan recht is dat men tot gebrek komt. Zie Spreuken 11:24
5. Dat God ons niet zal verlaten, meer ons genadiglijk zal beschermen in onze moeilijkheden en benauwdheden, vers 28 De Heere heeft het recht lief, Hij zelf verlustigt zich in gerechtigheid, en Hij heeft een welbehagen in hen, die recht doen, en daarom verlaat Hij Zijn heiligen niet in hun beproeving, wanneer anderen zich als vreemden voor hen houden en schuw van hen worden. Hij draagt zorg dat zij in eeuwigheid worden bewaard; in alle tijden worden de heiligen onder Zijn bescherming genomen, opdat de opvolging in stand wordt gehouden tot aan het einde van de tijd. Bijzondere heiligen zullen bewaard worden tegen alle verzoeking en door alle beproevingen heen van deze tegenwoordige tijd voor de zaligheid, die tot in eeuwigheid is. "Hij zal hen bewaren tot Zijn hemels koninkrijk" dat is: bewaren tot in eeuwigheid. 2 Timotheus 4:8; Psalm 12:8
6. Dat wij een goede vestiging zullen hebben in deze wereld, en in een betere als wij deze verlaten zullen hebben; dat wij eeuwig zullen wonen, vers Z7, en niet, zoals het zaad van de goddelozen, uitgeroeid zullen worden, vers 28 Dat wij het land, dat de Heere onze God ons geeft, erfelijk zullen bezitten, en in eeuwigheid daarop zullen wonen vers 29 Zij zullen niet heen en weer worden gedreven, die God tot hun rust maken en in Hem thuis zijn. Maar op deze aarde is geen eeuwige woning, geen blijvende stad, het is alleen in de hemel, de stad, die fundamenten heeft, dat de rechtvaardigen voor eeuwig zullen wonen; daar zal hun eeuwige woning zijn.
7. Dat wij de prooi niet zullen worden van onze tegenstanders, die ons verderf zoeken vers 32, 33 Er is een tegenstander, die alle gelegenheden aangrijpt om ons kwaad te doen, een boze, die loert op de rechtvaardige, (zoals een briesende leeuw op zijn prooi loert) en hem zoekt te doden. Er zijn boze mensen die dat doen, die zeer listig zijn; zij loeren op de rechtvaardigen om een gelegenheid te hebben om hun kwaad te doen, en een voorwendsel te hebben om het te doen met een schijn van recht. En zij zijn zeer boosaardig, want zij zoeken hem te doden. Maar dit kan zeer wel toegepast worden op de boze, de duivel, de oude slang, die zijn listen heeft om de rechtvaardigen te verstrikken, zijn gedachten, die ons niet onbekend moeten zijn; die grote rode draak, die hen zoekt te doden, die briesende leeuw, die onophoudelijk rondgaat, rusteloos en woedend, zoekende wie hij zou kunnen verslinden. Maar hier wordt beloofd dat hij niet zal overwinnen, noch Satan zelf, noch zijn werktuigen.
a. Hij zal niet overwinnen in de strijd, de Heere laat hem niet in zijn hand; Hij zal aan Satan niet toelaten om te doen wat hij wil, en Hij zal aan Zijn volk Zijn kracht en genade niet onthouden, maar hen in staat stellen om hem te weerstaan en te overwinnen en "hun geloof zal niet ophouden," Lukas 22:32. Een goed man kan in de handen vallen van een engel van de Satan en met vuisten geslagen worden, maar God zal hem niet in zijn handen laten, 1 Corinthiërs 10:13
b. Hij zal ook niet overwinnen als tegenstander voor het gericht; God zal hem niet verdoemen als hij geoordeeld wordt, al wordt Hij er ook door de klager van de broeders toe gedrongen, die hen verklankt voor onze God dag en nacht. Zijn valse beschuldigingen zullen afgewezen worden, evenals die, welke tegen Jozua werden ingebracht, Zacheria 3:12. De Heere schelde u, gij Satan, God is het die rechtvaardig maakt, en wie zal dan beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?