Markus 10:17-31
I. Hier is een hoopgevende ontmoeting tussen Christus en een jongeling, zo wordt hij genoemd in Mattheus 19:22, en een overste, zoals hij in Lukas 18:18 wordt aangeduid, een persoon van rang en aanzien. Hier worden enige bijzonderheden vermeld, die wij niet in Mattheus hadden, maar waardoor zijne toespraak tot Christus hoopvolle verwachtingen opwekt.
1. Hij liep toe tot Christus, hetgeen een blijk was van ootmoed, hij legde de deftigheid en statigheid van een overste af, toen hij tot Christus kwam, tevens werd er ook zijn ernst en vurigheid door aangeduid. Hij liep, als iemand, die haast heeft en verlangde om met Christus in gesprek te komen. Hij had nu de gelegenheid om dezen groten profeet te raadplegen omtrent de dingen, die tot zijn vrede dienden, en die gelegenheid wilde hij niet laten voorbijgaan.
2. Hij kwam tot Hem op den weg, in het midden Zijner metgezellen, hij drong niet aan op een bijzonder onderhoud met Hem, zoals Nicodemus gedaan heeft, hoewel hij evenals deze een overste was, maar als hij Hem op de straat zal vinden, zal hij die gelegenheid te baat nemen, en niet veracht worden, Hooglied 8:1.
3. Hij viel voor Hem op de knieën, ten teken zijner grote verering van Hem, als een leraar, door God gezonden, alsmede van zijn grote begeerte om door Hem onderwezen te worden. Hij boog de knieën voor den Heere Jezus, als iemand, die Hem niet slechts thans eerbied wilde bewijzen, maar Hem voortdurend wilde gehoorzamen, hij boog de knie, als iemand, die voornemens is zijne ziel voor Hem neer te buigen.
4. Zijne toespraak tot Hem was ernstig en gewichtig: Goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve? Het eeuwige leven was een artikel van zijne geloofsbelijdenis, hoewel dit toenmaals door de Sadduceeën, een invloedrijke partij, werd geloochend. Hij acht het mogelijk, dat hij het eeuwige leven zal beërven, hij beschouwde het als iets, dat ons niet slechts voorgesteld is, maar dat ons wordt aangeboden, hij vraagt wat hij nu doen moet om hiernamaals voor eeuwig gelukkig te zijn. De meeste mensen vragen naar goed, dat in deze wereld te krijgen is, Psalm 4:7, hij vraagt naar goed, dat in deze wereld gedaan moet worden, ten einde in de andere wereld van het hoogste goed te kunnen genieten, niet: Wie zal ons het goede doen zien? maar: Wie zal ons het goede laten doen? Hij vraagt naar geluk in den weg des plichts, het summum bonum, het hoogste goed, waarnaar Salomo heeft gezocht, wat den kinderen der mensen het best ware, dat zij doen zouden. Prediker 2:3. Dit nu was
a. Een zeer ernstige vraag op zichzelve, zij betrof de dingen der eeuwigheid en zijn eigen aandeel daarin. Men kan voor de mensen hoop beginnen te koesteren, als. zij met bezorgdheid beginnen te onderzoeken wat zij moeten doen om in den hemel te komen.
b. Die vraag werd gedaan aan den rechten persoon, die in alle opzichten geschikt en bevoegd was om er op te antwoorden, daar Hij zelf de weg, de waarheid en het leven is, de ware weg ten leven, ten eeuwigen leven, die van den hemel gekomen is met het doel om den weg naar den hemel eerst voor ons te openen, en er ons dan op te doen gaan, eerst dien weg te bereiden, en daarna ons hem te tonen of bekend te maken. Zij, die begeren te weten wat zij doen moeten om zalig te worden, moeten zich tot Christus wenden en er Hem naar vragen. Het is een eigenaardigheid van den Christelijken Godsdienst, dat hij het eeuwige leven toont, en er tevens den weg toe aanwijst.
c. Die vraag werd gedaan met een goede bedoeling, namelijk om onderwezen te worden. Wij vinden diezelfde vraag gedaan door een wetgeleerde, niet knielende maar opstaande, Lukas 10:25, met een slechte bedoeling, namelijk om met Hem te twisten. Een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven? Christus ziet niet zozeer op de goede woorden, als op de goede bedoeling, waarmee zij gesproken worden.
5. Christus bemoedigt dien man in zijne aanspraak.
a. Door zijn geloof te helpen, vers 18. De jongeling noemde Hem goede meester, Christus wilde dat hij hiermede bedoelde, dat hij Hem beschouwde als te zijn God, daar er toch niemand goed is dan een, namelijk God, die een is, en wiens naam een is, Zacheria 14:9. Ons woord God is ongetwijfeld verwant aan het woord goed, gelijk de Hebreeën God noemen naar Zijne kracht, Elohiem, de sterke God, zo noemen wij Hem naar Zijne goedheid, de goede God.
b. Door leiding te geven aan zijn gedrag, zijne handelingen, vers 19. Gij weet de geboden, houd ze. Hij noemt de zes geboden van de tweede tafel der wet, die ons onzen plicht aanwijzen jegens onzen naaste. Hij noemt ze echter in omgekeerde orde, door het zevende gebod te stellen voor het zesde, om te kennen te geven dat overspel ene zonde is, niet minder gruwelijk dan zelfs moord. Het vijfde gebod wordt hier het laatst genoemd, als hetgeen zeer bijzonder in gedachten moet worden gehouden en zeer zorgvuldig moet worden nagekomen, ten einde al de overige te kunnen houden. In plaats van het tiende gebod: Gij zult niet begeren, zegt onze Heiland hier: Gij zult niemand tekortdoen, dat is, zegt Dr. Hammond: Gij zult tevreden zijn met het uwe, en het niet zoeken te vermeerderen door anderer goed te verminderen. Het is een regel der gerechtigheid om ons zelven niet te bevoordelen of te verrijken, door aan anderen schade of nadeel toe te brengen.
6. Deze jongeling scheen goede hoop te hebben om in den hemel te komen, daar hij zich aan geen grove overtreding der Goddelijke geboden schuldig had gemaakt. Tot zover was hij instaat om in zekere mate te zeggen, vers 20, Meester, al deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af. Hij dacht dat hij dit gedaan had, en dit dachten ook zijne vrienden en bekenden. Onwetendheid omtrent het veelomvattende en den geestelijken aard der Goddelijke wet maakt, dat de mensen zich in een beteren toestand achten dan zij in werkelijkheid zijn. Paulus leefde zonder de wet. Maar toen hij zag dat de wet geestelijk is, zag hij dat hij zelf vleselijk was, Romeinen 7:9, 14. Evenwel hij, die zeggen kon, dat hij vrij was van ergerlijke zonden, was verder dan velen gevorderd op den weg ten eeuwigen leven. Maar hoewel wij ons zelven van geen ding bewust zijn, zijn wij daardoor toch niet gerechtvaardigd, 1 Corinthiërs 4:4.
7. Christus was hem zeer genegen, vers 21, Jezus hem aanziende, beminde hem. Het behaagde Hem te zien, dat hij een onergerlijk leven had geleid, en dat hij begeerde te weten, hoe hij een nog beter leven kon leiden. Christus bemint het inzonderheid jonge mensen en rijke mensen te zien, die den weg naar den hemel vragen en hun aangezicht derwaarts gericht hebben.
II. Nu hebben wij de droeve scheiding tussen Christus en dezen jongeling. 1. Christus gaf hem een proefgebod, waaruit blijken zou of hij werkelijk er naar streefde om het eeuwige leven te beërven. Hij scheen er zijn hart op gezet te hebben, en was dit zo, dan was hij wat hij behoorde te wezen, maar heeft hij er zijn hart op gezet? Leg hem den toetssteen aan.
a. Kan hij er zijn hart toe brengen, om voor den dienst van Christus afstand te doen van zijn rijkdom? Hij heeft een schone bezitting en nu zal weldra, bij de eerste grondlegging van de kerk van Christus, de noodzakelijkheid blijken dat zij, die akkers hebben, ze verkopen, en het geld aan de voeten der apostelen leggen, en hoe zal hij zich van die verplichting kunnen ontheffen? Handelingen 4:34, 35. Na een wijle zullen verdrukkingen en benauwdheden komen vanwege het woord, en hij moet gedwongen worden zijne goederen te verkopen, of ze zich zien ontnemen, hoe zal hem dit aanstaan? Laat hem thans het ergste weten, onderwerpt hij zich niet aan deze voorwaarden, zo laat hem zijne aanspraken opgeven, evengoed terstond als later. Verkoop alles wat gij hebt boven hetgeen voor uw levensonderhoud nodig is. Waarschijnlijk had hij geen gezin te verzorgen, laat hem dus een vader wezen voor de armen en hen tot zijne erfgenamen maken. Iedereen moet naar vermogen de armen bijstaan en tevreden wezen om, als het nodig is, zich zelven hiervoor te bekrimpen. Aardse rijkdom is ons gegeven, niet slechts tot ons onderhoud in deze wereld in overeenstemming met den staat, waarin God ons geplaatst heeft, maar als een talent, om gebruikt en aangewend te worden tot eer van God in deze wereld, die het zo beschikt heeft, dat wij altijd de armen bij ons hebben als Zijne ontvangers.
b. Kan hij zijn hart er toe brengen om door den hardsten dienst te gaan, waartoe hij als discipel van Christus geroepen kan worden, en dan op Hem te rekenen voor zijn loon in den hemel? Hij vraagt Christus wat hij meer zal doen dan hij gedaan heeft om het eeuwige leven te verwerven, en Christus vraagt hem of hij werkelijk dat vast geloof aan, en die hoge waardering van, het eeuwige leven heeft, die hij schijnt te hebben. Gelooft hij waarlijk dat er in den hemel een schat is, groot genoeg om alles te vergoeden, wat hij hier om Christus wil kan opgeven of besteden? Is hij bereid om met Christus te handelen in vertrouwen op Zijn woord? Heeft hij vertrouwen in Zijn volle waardij, en is hij bereid en gewillig om nu een kruis te dragen in het geloof aan een toekomstige kroon?
2. Hierop gaat hij weg, vers 22. Hij was treurig geworden over dat woord, bedroefd dat hij geen volgeling van Christus kon zijn op lichter voorwaarden dan alles voor Hem te verlaten, dat hij het eeuwige leven niet kon grijpen en tegelijk zijn aardse bezittingen behouden. Daar hij echter die voorwaarden van het discipelschap niet kon aannemen, was hij oprecht genoeg om dit niet voor te wenden, hij ging bedroefd weg. Hier bleek nu de waarheid van dat woord: Gij kunt niet God dienen en den mammon, Mattheus 6:24. Terwijl hij het hield met den mammon, heeft hij in werkelijkheid Christus veracht, gelijk allen dit doen, die de wereld verkiezen boven Hem. Hij doet een bod op de markt voor hetgeen waarin hij lust heeft, maar laat het staan, omdat hij het niet tot zijn eigen prijs kan bekomen. Hetgeen dezen jongeling ten verderve bracht was, dat hij vele goederen had. Zo zal de voorspoed der zotten hen verderven, en zij, die hun dagen doorbrengen in weelde en rijkdom, zijn in verzoeking om tot God te zeggen: Wijk van ons, of tot hun eigen hart: Wijk van God.
III. Christus' gesprek met Zijne discipelen. Wij zouden wel geneigd zijn te wensen, dat Christus het woord, dat dezen jongen man afgeschrikt heeft van Hem te volgen, verzacht had, er door de een of andere verklaring het harde van had weggenomen. Maar Hij kende het hart van alle mensen, Hij wilde hem niet overhalen om Zijn volgeling te worden, omdat hij rijk was en een overste was, indien hij weg wilde gaan, zo laat hem gaan. Christus wil niemand tegen zijn zin houden, en daarom bevinden wij niet dat Christus hem terugriep, maar Hij nam de gelegenheid te baat om Zijne discipelen te onderrichten omtrent twee dingen.
1. Hoe moeilijk het is om zalig te worden voor hen, die overvloed hebben in deze wereld, omdat er onder hen, die veel hebben te laten, weinigen zijn, die bewogen kunnen worden om het te laten om Christus' wil, of het te gebruiken om er goed mede te doen.
a. Dit verklaart Christus hier. Rondom ziende op Zijne discipelen, omdat Hij wilde dat allen zouden acht geven op hetgeen Hij zei, opdat zodoende hun oordeel recht gevormd zou worden en hun vergissingen hersteld betreffende wereldsen rijkdom, die zij maar al te zeer geneigd waren te overschatten: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het koninkrijk Gods inkomen! vers 23. Zij hebben te worstelen met vele verzoekingen, en vele moeilijkheden te overwinnen, die niet op den weg der armen gevonden worden. Maar Hij verklaart zich nader in vers 24, waar Hij de discipelen kinderen noemt, omdat zij als zodanig door Hem onderwezen moesten worden, en door Hem bedeeld met betere dingen dan die, om welke te behouden de jongeling Christus had verlaten. En terwijl Hij gezegd had: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het koninkrijk Gods inkomen, zegt Hij hun hier, dat het gevaar niet zozeer voortkomt uit het hebben van goed, als wel uit het betrouwen op goed, daar zij er bescherming en voorziening van verwachten, zeggende tot hun goud, wat zij alleen tot hun God behoorden te zeggen: Gij zijt mijn vertrouwen, Job 31:24. Zij, die ene waardering als deze voor het goed dezer wereld hebben, zullen nooit tot een juiste waardering van Christus en Zijne genade komen. Zij, die wel vele goederen hebben, maar er hun betrouwen niet op zetten, die er de ijdelheid van inzien en het volstrekt ongenoegzame om ene ziel gelukkig t e maken, hebben die moeilijkheid overwonnen, zij kunnen er gemakkelijk afstand van doen om Christus' wil, maar mensen, die nog zo weinig hebben, zo zij op dat weinige hun betrouwen stellen en er hun geluk in vinden, dan zal het hen van Christus afhouden. Hij zet aan die verklaring nadruk bij door te zeggen: Het is lichter dat een kameel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke die op zijn rijkdom vertrouwt of daartoe geneigd is, in het koninkrijk Gods inga. De onevenredigheid schijnt hier zo groot- ofschoon hoe groter die onevenredigheid, hoe meer zij aan de bedoeling beantwoordt-dat sommigen zich moeite hebben gegeven om den kameel en het oog der naald wat nader tot elkaar te brengen. Sommigen hebben zich voorgesteld, dat er te Jeruzalem een poortje of deur was, algemeen bekend onder den naam van oog der naald, omdat die poort zo eng was, dat een kameel er niet door kon, zo men hem niet eerst ontlaadde, en liet knielen, zoals de kamelen, vermeld in Genesis 25:11. Zo kan een rijke niet naar den hemel gaan, tenzij hij bereid is zich van den last zijner wereldse goederen te ontdoen, en zich neder buigt tot de plichten van een nederigen Godsdienst, om aldus te kunnen ingaan door de enge poort. Anderen opperen het denkbeeld dat het woord, hetwelk wij door kameel vertalen, soms een kabeltouw betekent, dat wel niet door het oog ener naald kan, maar toch enige overeenkomst heeft met draad, en dus eerder in betrekking tot het oog ener naald genoemd kan worden. Vergeleken met een arme, is een rijke als een kabel vergeleken bij een draad, wel sterker, maar niet zo buigzaam, en hij zal door het oog der naald niet komen, of hij moet los gerafeld worden. Zo moet de rijke losgemaakt worden van zijne bezittingen, en dan is er hoop voor hem, dat hij draad voor draad door het oog der naald zal komen, want anders is hij nergens anders voor geschikt, dan om zijn anker uit te werpen in de aarde.
b. Deze waarheid was voor de discipelen zeer verbazingwekkend. De discipelen werden verbaasd over deze Zijne woorden, vers 24. Zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkaar: Wie kan dan zalig worden? Zij wisten wat over het algemeen het gevoelen was der Joodse leraren, die verklaarden dat de Geest Gods verkiest in rijke mensen te wonen, ja, zij wisten hoe vele beloften er in het Oude Testament waren van de goede dingen dezer aarde. Zij wisten ook dat allen of rijk zijn, of het gaarne willen wezen, en dat zij, die rijk zijn, veel meer gelegenheid hebben om goed te doen, en daarom waren zij verbaasd te horen, dat het voor de rijken zo bezwaarlijk is om in den hemel te komen.
c. Christus verzoende hen hiermede door te wijzen op de almachtige kracht Gods, om zelfs rijken heen te helpen over de moeilijkheden, die hun zaligheid in den weg staan, vers 27. Hij zag hen aan, om hun aandacht op te wekken, en zei: Bij de mensen is het onmogelijk, rijke lieden kunnen door hun eigen bekwaamheid of vastberadenheid deze moeilijkheden niet overwinnen, maar Gods genade kan het, want alle dingen zijn mogelijk bij God. Indien de rechtvaardigen nauwelijks zalig worden, nog veel meer kunnen wij dit zeggen van de rijken, daarom moeten zij, die in den hemel komen, er Gode al de eer van geven, die beide het willen en het werken in hen heeft gewerkt.
2. De grootheid der zaligheid van hen, die slechts weinig in de wereld hebben en dit weinige om Christus' wil hebben verlaten. Daarvan spreekt Hij, nadat Petrus er op had gewezen, dat hij en zijne medediscipelen alles hadden verlaten om Hem te volgen. Zie, zegt hij, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd, vers 28.
Gij hebt wèl gedaan, zegt Christus, "en in het einde zal het blijken, dat gij wèl gedaan hebt voor uzelven, gij zult er ruimschoots voor worden beloond, en niet slechts zal het weinige, dat gij verlaten hebt, u vergoed worden, maar als iemand nog zoveel verlaten heeft, al was het ook evenveel als deze jongeling had en niet om Christus' wil heeft willen verlaten, hij zal er veel meer voor terug ontvangen."
a. Het verlies wordt ondersteld zeer groot te zijn. Hij noemt: Wereldsen rijkdom, in de eerste plaats huizen, in de laatste plaats akkers. Als iemand zijn huis verlaat, dat hem ter woning moet dienen, en zijn akker, die hem zijn levensonderhoud moet opleveren, en zich aldus tot een bedelaar en zwerveling maakt. Dit is de keuze geweest der lijdende heiligen: vaart wel huizen en akkers, hoe gerieflijk ook en begerenswaardig, en al zijn zij ook het erfdeel der vaderen, voor het huis in den hemel en de erve der heiligen in het licht, waar vele woningen zijn. Dierbare bloedverwanten.
Vader en moeder, vrouw en kinderen, broeders en zusters. De lieflijkheid en het genot des levens liggen in dezen, evenzeer als in tijdelijke zegeningen, zonder dezen ware de wereld een woestijn. Moeten wij dezen echter om Christus' wil verlaten, dan moeten wij ons herinneren, dat wij in inniger betrekking staan tot Christus dan tot enig schepsel, om dus bij Hem te kunnen blijven, ons aan Hem te houden, moeten wij tevreden zijn om met de gehele wereld te breken, en evenals Levi tot vader en moeder te zeggen: Ik ken u niet. De standvastigheid van den Godvruchtige wordt op de zwaarste proef gesteld als zijne liefde tot Christus in mededinging komt met ene liefde, die niet slechts wettig en geoorloofd, maar zelfs plichtmatig is. Voor zo iemand is het gemakkelijk om voor Christus een bozen lust op te geven, want hij heeft datgene in zich, dat er tegen opkomt, maar om een vader, een broeder, ene vrouw te verlaten om Christus' wil, dat is: hen te verlaten, die hij weet te moeten liefhebben, dat is hard. Toch moet hij dit doen, liever dan Christus te verzaken of te verloochenen. Zo groot wordt dit verlies dus verondersteld te zijn, maar het is om Christus' wil, opdat Hij geëerd wordt, en om des Evangelies wil, opdat het bevorderd en verspreid zal worden. Niet het lijden, maar de zaak, waarvoor geleden wordt, maakt den martelaar. En daarom
b. Zal het voordeel, het gewin groot zijn. Zij zullen honderdvoud ontvangen, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, niet in soort, maar in tegenwaarde, of vergoeding. Hij zal overvloedige vertroosting hebben zolang hij leeft, voldoende om al zijne verliezen te vergoeden, zijne betrekking tot Christus, zijne gemeenschap met de heiligen, en zijn recht en aanspraak op het eeuwige leven zullen hem zijn broeders, en zusters, en huizen, en alles. Gods voorzienigheid heeft aan Job dubbel zoveel gegeven als hij gehad heeft, maar de lijdende Christenen zullen honderdvoud ontvangen in de vertroostingen des Geestes, die Gods tijdelijke gaven lieflijk voor hen maken. Doch merk op: hier in Markus wordt er bijgevoegd met de vervolgingen. Zelfs als zij door en in Christus gewinnen, moeten zij toch verwachten met Hem te zullen lijden, en niet buiten het bereik te zijn der vervolging, voor zij in den hemel komen. Ja, meer, de vervolging schijnt hiermede begrepen te zijn in de ontvangsten in dezen tijd, want u is het gegeven, niet slechts in Christus te geloven, maar ook voor Zijn naam te lijden. Doch dit is nog niet alles. Zij zullen in de toekomende eeuw het eeuwige leven ontvangen. Indien zij honderdvoud ontvangen in deze wereld, dan zou men denken, dat zij niet aangemoedigd zullen worden om nog meer te verwachten. En toch, alsof dit een kleine zaak ware, zullen zij er nog het eeuwige leven bij ontvangen. hetgeen meer dan duizendvoud, tienduizend maal geteld, is van alles wat zij verloren hebben. Omdat zij echter zoveel gesproken hebben van hun verlaten van alles om Christus te volgen-en zij hebben daar meer van gesproken dan hun wel betaamde-zegt Hij hun, dat, hoewel zij het eerst geroepen waren, er na hen discipelen geroepen zullen worden, die boven hen gesteld zullen worden, zoals Paulus, een ontijdig-geborene, en die toch overvloediger gearbeid heeft dan al de andere apostelen, 1 Corinthiërs 15:10. Toen zijn de eersten de laatsten geweest, en de laatsten de eersten.