Psalm 33:12-22
Hier wordt ons geleerd aan God de eer te geven:
I. Van Zijn gewone voorzienigheid over alle de kinderen van de mensen. Hoewel Hij de mens begiftigd heeft met verstand en vrijheid van wil, heeft Hij zichzelf toch het bestuur over hem voorbehouden en zelfs over de vermogens en hoedanigheden, waardoor hij instaat is gesteld zichzelf te regeren.
1. De kinderen van de mensen zijn allen onder Zijn oog, zelfs hun hart is dit; en al de bewegingen en werkingen van hun ziel, die niemand kent dan zij zelf, kent Hij beter dan zij zelf ze kennen, vers 13, 14. Hoewel de woning van Gods heerlijkheid in de hoogste hemelen is heeft Hij toch vandaar niet slechts een uitzicht op de gehele aarde, maar ook een nauwkeurig gezicht op al de inwoners er van. Hij beschouwt hen niet slechts, maar Hij ziet op hen, ziet nauwkeurig op hen (zo wordt het woord, dat hier gebruikt is, soms overgezet) zodat ook de minste van hun gedachten niet aan Zijn waarneming kunnen ontsnappen. Ongelovigen denken dat Hij, omdat Hij boven in de hemel woont geen kennis kan of wil nemen van hetgeen in deze lagere wereld gedaan wordt, maar vandaar, hoe hoog die woning ook zij, ziet Hij ons allen, alle dingen en personen zijn naakt en geopend voor Hem.
2. Hun harten, zowel als hun tijden zijn in Zijn hand. Hij formeert hun aller hart. Hij heeft ze het eerst gemaakt, de geest van ieder mens in zijn binnenste geformeerd, toen Hij hem in het aanzijn riep. Vandaar dat Hij de Vader van de geesten genoemd wordt en dit is een goed argument om te bewijzen dat Hij hen volkomen kent; de werkmeester, die de klok maakte, kan de beweging van ieder radertje verklaren. David gebruikt dit argument met toepassing op zichzelf, Psalm 139:1, 14. Nog formeert Hij het hart van de mensen, neigt het als waterbeken waarheen Hij wil om Zijn eigen doeleinden te dienen, verduistert of verlicht het verstand van de mensen; stijft of buigt hun wil, naar het Hem behaagt gebruik van hen te maken. Hij formeert hun hart gelijk, het is met het hart van de mensen zoals het is met hun gelaat hun aangezicht, hoewel er een groot verschil in is, zodanige verscheidenheid, dat geen twee aangezichten precies dezelfde trekken hebben, en geen twee harten precies dezelfde neiging hebben, is er toch ook zo'n gelijkheid, dat voor sommige dingen alle aangezichten en alle harten met elkaar overeenkomen, "zoals het water het gelaat weerspiegelt, zo weerspiegelt het hart van de mens, de mens" Spreuken 27:19 Hij formeert ze tezamen, (zo lezen het sommigen) gelijk de raderen van een horloge, die, hoewel zij verschillend zijn van vorm en grootte en beweging, toch allen saamgevoegd worden om eenzelfde oogmerk te dienen, zo worden de harten van de mensen en hun neigingen, hoe verschillend ook van elkaar en schijnbaar elkaar tegensprekende, toch allen bestuurd en beheerst om het Goddelijke doeleinde te dienen, dat één is.
3. Zij en alles wat zij doen zijn onderworpen aan Zijn oordeel, want Hij let op al hun werken. Hij kent ze niet slechts, maar weegt ze, teneinde een ieder te vergelden naar zijn werken op de grote dag, in de wereld van de vergelding, in het oordeel en tot in eeuwigheid.
4. Alle kracht en macht van het schepsel zijn van Hem afhankelijk en zijn zonder Hem zonder betekenis of waarde, vers 16, 17. Het is zeer tot eer van God dat niet alleen geen kracht iets vermag in tegenstand met Hem, maar dat ook geen kracht of macht kan werken dan in afhankelijkheid van Hem, en door een macht ontleend aan Hem. A. De macht van een koning is niets zonder God; geen koning is een geheiligd persoon door zijn kroonrecht, of door het gezag, waarmee hij bekleed is, want de gestelde machten van die soort zijn van God verordend, en zijn wat Hij ze doet zijn en niets meer. David was een koning en een krijgsman van zijn jeugd af aan, en erkende toch God alleen als zijn beschermer en redder.
B. De kracht of sterkte van een leger is niets zonder God. De menigte van een leger kan hen, onder wier bevel zij handelen, niet beveiligen, tenzij God ze hun tot een veiligheid maakt. Een groot leger kan niet zeker zijn van de overwinning, want als het God behaagt zal het uiteen jagen.
C. De kracht van een held is niets zonder God; een machtige, zoals Goliath er een was wordt niet gered door grote kracht als zijn dag komt om te vallen; noch de kracht en bedrijvigheid van zijn lichaam, noch de stoutmoedigheid en vastberadenheid van zijn geest zal hem te stade komen, dan in zoverre het God behaagt hem voorspoed te geven. Zo beroeme de sterke zich dan niet in zijn sterkheid, maar laat ons allen ons sterken in de Heere onze God, uitgaan en voortgaan in Zijn kracht.
D. De kracht van een paard is niets zonder God, vers 17 Het paard is een ijdel ding voor behoudenis. In de strijd werden paarden toenmaals van zo groot gewicht geacht en werd er zozeer op gesteund en vertrouwd, dat God de koningen van Israël verbood: "Maar hij zal niet veel paarden houden," Deuteronomium 17:16, opdat zij niet in verzoeking zouden zijn er op te vertrouwen in plaats van op God te vertrouwen. David ontzenuwde de paarden van de Syriërs; 2 Samuël 8:4, hier ontzenuwt hij al de paarden in de wereld, door een paard een ijdel ding te noemen ter behoudenis op de dag van de strijd. Als het krijgspaard onhandelbaar is, dan kan het zijn berijder in gevaar storten, in plaats van hem uit gevaar weg te voeren. Indien het onder hem gedood wordt, dan kan het hem de dood berokkenen, in plaats van hem het leven te redden. Daarom is het ons belang ons te verzekeren van Gods gunst, dan kunnen wij er zeker van zijn dat Hij Zijn macht voor ons zal aanwenden, en behoeven wij niets te vrezen dat tegen ons is.
II. Wij moeten Gode de eer geven van Zijn bijzondere genade. In het midden van zijn erkenning van Gods voorzienigheid, spreekt hij diegenen zalig, die JHWH tot hun God hebben, die de wereld regeert en de macht heeft om hen te helpen in iedere tijd van nood; terwijl diegenen rampzalig waren, die deze of gene Baäl tot hun god hadden, die zo weinig instaat was hen te behouden en te helpen, dat hij zelf hulpeloos was, vers 12. Welgelukzalig is het volk, welks God de Heere is, namelijk Israël, die de kennis hadden van de ware God en in verbond met Hem waren opgenomen en alle anderen, die God als hun God erkennen, en door Hem erkend wordend want ook zij, tot welke natie zij ook behoren, zijn van het geestelijk zaad van Abraham.
1. Het is hun wijsheid dat zij de Heere aannemen tot hun God, dat zij Hem hun hulde en aanbidding brengen, waar zij verschuldigd zijn en waar zij dan ook niet tevergeefs gebracht worden.
2. Het is hun gelukzaligheid, dat zij het volk zijn, dat God zich ten erve verkoren heeft in wie Hij een welbehagen heeft, in wie Hij geëerd wordt, die Hij beschermt en verzorgt, zoals een man zijn erfdeel verzorgt, Deuteronomium 32:9 Laat ons nu ter ere van Gods genade opmerken:
A. Hoe God acht slaat op Zijn volk, vers 18, 19 God beschouwt met een opmerkzaam oog alle mensenkinderen, maar Zijn oog van gunst en welgevallen is op degenen, die Hem vrezen; op hen ziet Hij met verlustiging als de vader op zijn kinderen, als de bruidegom op zijn bruid, Jesaja 62:5 Terwijl zij, die steunen op wapenen en legerscharen, op wagens en paarden, omkomen in de teleurstelling van hun verwachting, is Gods volk veilig onder Zijn bescherming, want Hij zal hun ziel redden van de dood als er slechts een stap schijnt te zijn tussen hen en de dood. Indien Hij het lichaam niet redt van de tijdelijke dood, zal Hij toch de ziel redden van de geestelijke en eeuwige dood. Wat er ook gebeuren mag, hun zielen zullen leven en Hem loven hetzij in deze wereld of in een betere. Door Zijn milddadigheid zullen zij voorzien worden van alles wat hun nodig is; Hij zal hen bij het leven houden in de honger als anderen sterven van gebrek, zullen zij leven, waardoor het een onderscheidende zegen wordt. Als de zichtbare middelen falen, zal God wel een weg vinden om in hun behoeften te voorzien. Hij zegt niet dat Hij hun overvloed zal geven zij hebben geen reden om die te verwachten, noch om hem te begeren maar Hij zal hen bij het leven houden, zij zullen niet verhongeren; en als verwoestende oordelen uitgaan, dan moet dat als een bijzondere gunst aangemerkt worden, daar zij zeer treffend is en ons onder bijzondere verplichtingen legt, als ons leven ons tot een buit wordt gegeven. Zij, die de Heere tot hun God hebben, zullen bevinden dat Hij hun hulp en hun schild is, vers 20. In hun moeilijkheden zal Hij hen bijstaan, zij zullen er over heen geholpen worden; al hun gevaren zal Hij hen beveiligen, zodat hun geen werkelijke schade al toegebracht worden.
B. Hoe Gods volk het oog heeft op Hem, en dat moeten wij allen.
a. Wij moeten op God wachten, acht geven op de bewegingen van Zijn voorzienigheid, en er ons naar schikken en regelen, er geduldig de uitkomst van verbeiden. Onze ziel moet Hem verbeiden, vers 20, wij moeten niet slechts met de tong gelovig acht slaan en Hem belijden, het moet innerlijk en oprecht zijn, een stil en verborgen gadeslaan van Hem.
b. Wij moeten steunen en betrouwen op God, hopen op Zijn genade, op de goedheid van Zijn wezen, al hebben wij ook geen uitdrukkelijke belofte om op te steunen. Zij, die God vrezen en Zijn toorn vrezen, moeten hopen op God en Zijn genade, want er is geen ontvlieden aan God, maar wel een toevlucht nemen tot God. Deze vrome gezindheden zijn niet alleen bestaanbaar met elkaar, zij steunen en helpen elkaar ook, een heilig vrezen van God en toch tegelijk ook een hopen op Zijn genade. Dit is op de naam van Zijn heiligheid vertrouwen, vers 21, in alles waardoor Hij zich aan ons bekend heeft gemaakt tot onze aanmoediging om Hem te dienen.
c. Wij moeten ons in God verblijden, vers 21 Diegenen rusten niet waarlijk in God en kennen het onuitsprekelijke voorrecht niet dat zij ervan zouden hebben die zich niet te allen tijde in Hem verblijden, want zij, die op God hopen, hopen op een eeuwige volheid van vreugde voor Zijn aangezicht.
d. Wij moeten Hem zoeken voor die genade, waarop we hopen, vers 22 Onze verwachting van God moet ons gaan tot Hem niet vervagen, maar opwekke en aanmoedigen. Hij wil gezocht worden voor hetgeen Hij heeft beloofd, en daarom besluit de psalm met een kort, doch veelomvattend gebed: "Uw goedertierenheid, Heere, zij over ons. Laat ons er altijd de troost en het voordeel van hebben, niet naar hetgeen wij van U verdienen maar naar wij op U hopen, naar de belofte, die Gij in Uw woord ons hebt gegeven, en naar het geloof dat Gij door Uw Geest en Uw genade in ons hebt gewerkt." Indien wij onder het zingen van deze verzen ons steunen en vertrouwen op God betuigen en onze begeerten naar Hem laten uitgaan, dan verkrijgen wij de Heere in ons hart.