Deuteronomium 17:14-20
Na de wetten betreffende onderdanen, volgen nu hier gevoegelijk wetten betreffende koningen, want zij, die over anderen heersen, moeten gedenken, dat zij ook zelf onder bevelen staan. Hier zijn wetten gegeven:
I. Aan de kiezers van het rijk, naar welke regelen zij hun keus moeten doen, vers 14,15.
1. Er wordt hier verondersteld, dat het volk na verloop van tijd, een koning zal begeren, wiens koninklijke pracht en macht geacht zullen worden aan hun natie een groot aanzien te geven onder hun naburen. Het hebben van een koning is hun noch beloofd als een zegen, noch geboden als een plicht (niets kon beter voor hen zijn dan het Goddeiijk bestuur, waaronder zij zich bevonden) maar zo zij het begeerden, is het hun toegelaten. Indien zij slechts zorg droegen, dat aan het doel van de regering wordt beantwoord, dat Gods wetten behoorlijk worden waargenomen om ze te doen, dan zouden zij aan geen bepaalden regeringsvorm gebonden zijn, maar zal hun gaarne een koning worden toegestaan. Hoewel er iets onregelmatigs verondersteld wordt in het beginsel van de begeerte, namelijk dat zij als andere volken zouden zijn, (terwijl God hen op velerlei wijze van andere volken onderscheiden heeft) wilde God hen hierin toch ter wille zijn, omdat Hij er Zijn eigen voornemens en bedoelingen in tot stand wilde brengen door de koninklijke regering een type te doen zijn van het koninkrijk van de Messias.
2. Zij worden bestuurd in hun keus. Als zij een koning over zich willen hebben, gelijk God voorzag dat geschieden zou, (hoewel het niet blijkt dat er ooit een voorstel toe gedaan was vóór bijna vier honderd jaren daarna) dan moeten zij:
a. Gods mond om raad vragen, en hem tot koning maken, die God zal verkiezen, en zij waren wèl gelukkig, dat zij een orakel hadden, om in zo'n gewichtige zaak te kunnen raadplegen, en een God om voor hen te kiezen, die onfeilbaar weet wat iedereen is en zijn zal. Koningen zijn Gods plaatsbekleders, en daarom is het voegzaam dat Hij hen zal verkiezen. God zelf is op bijzondere wijze Israëls Koning geweest, en indien zij nu, onder Hem, een anderen over zich aanstelden, dan was het nodig, dat Hij de persoon zou benoemen. Dienovereenkomstig heeft het volk, toen het een koning begeerde, zich gewend tot Samuël, een profeet des Heeren, en later zijn David, Salomo Jerobeam, Jehu, en anderen gekozen door de profeten, en het volk wordt bestraft, omdat zij zich niet aan deze wet gehouden hebben, Hosea 8:4. Zij hebben koningen gemoakt, maar niet uit Mij. In alle gevallen moet Gods keus, zo wij haar slechts kennen, de onze leiden en bepalen.
b. Zij moeten geen vreemdeling kiezen, onder voorwendsel van hun verbonden te versterken of om de buitengewone geschiktheid van de persoon, opdat niet een vreemde koning vreemde zeden en gewoonten zal invoeren tegenover die, welke door de wet Gods zijn ingesteld, maar hij moet uit het midden hunner broederen zijn, opdat hij een type zijn van Christus, die been van ons been is, Hebreeën 2:14.
II. Er worden wetten gegeven aan de vorst die gekozen zou worden, voor de behoorlijke administratie van de regering.
1. Hij moet zorgvuldig vermijden alles wat hem van God en Godsdienst zou kunnen afleiden. Rijkdom, eer en genot zijn de drie grote hinderpalen, die de Godsvrucht in de weg staan, (de begeerlijkheid des vleses, de begeerlilkheid van de ogen, en de grootsheid des levens) inzonderheid voor hen, die in hoogheid gesteld zijn, tegen deze wordt dus de koning hier gewaarschuwd.
A. Hij moet niet toegeven aan eerzucht door de paarden te vermenigvuldigen, vers 16. Hij die op een paard een fraai en statig dier reed in een land, waar gewoonlijk van ezels en muilezels gebruik wordt gemaakt, had een groots aanzien, en daarom mocht hij wel paarden hebben voor zichzelf om op te rijden of om voor zijn wagen gespannen te worden, maar hij moet geen knechten te paard zetten, Prediker 10:7, en ook niet veel paarden hebben voor zijn beambten en lijfwachten. Toen God hun koning was, reden Zijn richteren op ezelinnen, Richteren 5. 10, 12:14, ook moet hij de paarden niet vermenigvuldigen voor de oorlog, opdat hij er niet te veel op vertrouwe, Psalm 20:8, 33:17, Hosea 14:4. De reden, hier gegeven tegen zijn vermenigvuldigen van paarden, is dat er veelvuldiger omgang door zou ontstaan met Egypte, (dat Kanaän van paarden voorzag, 1 Koningen 10:28, 29) dan voegzaam was voor het Israël Gods, dat met zo'n sterke hand vandaar was uitgebracht. Gij zult voortaan niet weerkeren door deze weg, uit vrees van besmet te worden met de afgoderij van Egypte,. Leviticus 18:3, waartoe zij maar al te zeer geneigd waren. Wij moeten ons hoeden voor een omgang, die ons in gevaar brengt van tot zonde verleid te worden. Als Israël niet moet wederkeren naar Egypte, dan moeten zij ook geen handel drijven met Egypte, Salomo heeft er niets goeds door verkregen.
B. Hij moet niet toegeven aan genotzucht door de vrouwen te vermenigvuldigen, vers 17, zoals Salomo tot zijn ongeluk en verderf gedaan heeft, 1 Koningen 11:1, opdat zijn hart op haar gezet zijnde, niet afgeleid worde van de zaken, en alles wat ernstig is, en inzonderheid van het beoefenen van de Godsvrucht, waar niets vijandiger aan is dan het toegeven aan het vlees.
C. Hij moet niet toegeven aan zucht naar rijkdom door het zilver en goud grotelijks te vermenigvuldigen. Een toereikende schatkist wordt hem toegestaan, en het is hem niet verboden zijn geldmiddelen goed te beheren, er zuinig mee te zijn, maar:
a. Hij moet het geld niet grotelijks vermeerderen, zodat door de heffing er van het volk verdrukt wordt (zoals Salomo schijnt gedaan te hebben, i Kon. 12:4) of hij er zichzelf mee bedriegt, door er op te vertrouwen en er zijn hart op te zetten, Psalm 62:11.
b. Hij moet het niet vermenigvuldigen voor zichzelf. David vermenigvuldigde zilver en goud, maar het was voor de dienst van God, l Kronieken 29:3, niet voor zichzelf, voor zijn volk, niet voor zijn eigen familie.
2. Hij moet zich zeer zorgvuldig toeleggen op de wet van God en die tot zijn richtsnoer maken. Deze moet hem beter zijn dan alle schatten, eer en genietingen, meer dan vele paarden of vele vrouwen, meer dan duizenden van goud en zilver.
A. Hij moet zich een afschrift maken van de wet naar het oorspronkelijke, in bewaring bij de priesters, die het heiligdom bedienden vers 18. Sommigen denken dat hij zich alleen dit boek van Deuteronomium moest afschrijven, dat een uittreksel is van de wet, en waarvan de geboden, meestal van zedelijke en rechterlijke aard zijnde, de koning meer bijzonder aangingen dan de wetten in Leviticus en Numeri die, ceremoniëel zijnde, voornamelijk de priesters aangingen. Anderen denken dat hij al de vijf boeken van Mozes moest afschrijven, welke de wet genoemd worden, en die tezamen bewaard werden als de grondslag van hun Godsdienst. a. Ofschoon nu de koning verondersteld kon worden in het bezit te zijn van goede afschriften, die hij van zijn voorouders geerfd heeft, moet hij daarenboven nog zelf er een maken. Men kon denken dat die geerfde wel enigszins versleten waren door voortdurend gebruik, en daarom moet hij bij de aanvaarding van de regering een nienw hebben.
b. Hoewel hij secretarissen had, die hij kon gebruiken om dit afschrift te maken, en die wellicht een betere hand schreven dan hij zelf, moest hij het toch zelf doen, met zijn eigen hand, ter ere van de wet en opdat hij geen Godsdienstige handeling beneden zich zou achten, ten einde zich te gewennen aan arbeid en studie en inzonderheid ten einde hierdoor verplicht te zijn om zeer bijzonder kennis te nemen van ieder deel van de wet, en haar, door haar te schrijven, in te prenten in zijn gemoed. Het is van zeer groot nut voor een ieder van ons om op te schrijven wat wij zeer bijzonder opmerkelijk en stichtelijk vinden in de Schrift, of in goede boeken, en in leerredenen, die wij gehoord hebben. Een goede pen kan een gebrekkig geheugen grotelijks te hulp komen, om uit de schat van de goeden heer des huizes oude en nieuwe dingen voort te brengen.
c. Hij moet dit doen, zelfs als hij op de stoel van zijn koninkrijk is gezeten, indien hij het niet eerder gedaan heeft. Als hij begint zich op de zaken toe te leggen, dan moet hij zich in de eerste plaats hierop toeleggen. Wie op de troon eens koninkrijks is gezeten, moet wel de handen vol hebben. De zaken van zijn koninkrijk binnenslands en buitenslands, eisen veel van zijn tijd en zijn gedachten, en toch moet hij zich een afschrift maken van de wet. Laat hen, die zich mannen van zaken noemen, niet denken dat dit hen vrijstelt van werk te maken van de Godsdienst, en laat voorname, aanzienlijke mannen het geen verkleining voor zich achten, om voor zichzelf de voortreffelijkheden van Zijn wet te schrijven, die Hij hun voorgeschreven heeft Hosea 8:12.
B. Een Bijbel bij zich hebbende in zijn eigen schrift, moet hij niet denken dat het genoeg is om hem in zijn eigen vertrek te houden, neen, hij moet daarin lezen al de dagen zijns levens, vers 19. Het is niet genoeg om Bijbels te hebben, wij moeten ze gebruiken, ze dagelijks gebruiken, naar de plicht en de behoefte van elken dag het vereisen, onze ziel moet voortdurend haar maal van dit manna ontvangen en als het goed verteerd wordt, dan zal het er een waar versterkend voedsel voor wezen. Gelijk het lichaam voortdurend nuttigheid verlangt van zijn voedsel, en niet alleen op het ogenblik wanneer dat voedsel gegeten wordt, zo ontvangt de ziel nuttigheid van het woord Gods, indien zij het dag en nacht overdenkt, Psalm 1:2. En wij moeten volharden in gebruik te maken van het geschreven woord van God, zolang wij leven. Christus' scholieren zijn nooit uitgeleerd in hun Bijbel, maar zullen hem voortdurend nodig hebben, totdat zij in die wereld komen, waar beide kennis en liefde volmaakt zijn geworden.
C. Zijn schrijven en lezen betekenden niets, indien hij wat hij schreef en las niet in beoefening bracht, vers 19, 20. Het woord van God is niet bestemd om een bloot onderwerp van bespiegeling te zijn, maar een heersende regel van gedrag en wandel. Laat hem weten:
a. Welke heerschappij zijn Godsdienst over hem moet hebben, welke invloed hij op hem moet uitoefenen. Ten eerste. Hij moet er door worden bezield met grote eerbied en ontzag voor de majesteit Gods en voor Zijn gezag. Hij moet leren (en aldus moeten de geleerdsten nog altijd leren) de Heere, zijn God, te vrezen, en zo hoog als hij is, moet hij gedenken dat God boven hem is, en wèlke vrees zijn onderdanen hem ook verschuldigd zijn, die, en nog veel meer is hij verschuldigd aan God als zijn Koning. Ten tweede. Hij moet er door aangespoord worden tot een voortdurend waarnemen van de wet van God en een nauwgezette gehoorzaamheid er aan, als het gevolg, de uitwerking dier vrees. Hij moet al de woorden van deze wet bewaren, (hij is custos utriusque tabulce de bewaarder van de beide tafelen) niet alleen om te zorgen dat anderen ze doen, maar om zelf ze te doen als een nederig dienstknecht van de God des hemels, en een goed voorbeeld voor zijn minderen. Ten derde. Het moet hem nederig houden, hoe hoog hij ook bevorderd is, laat zijn hart nederig zijn en laat de vreze zijns Gods minachting van zijn broederen voorkomen, laat zijn hart zich niet verheffen boven hen, zodat hij zich hooghartig en minachtend jegens hen gedraagt en hen vertreedt, laat hem niet wanen beter te zijn dan zij, omdat hij groter is en een grotere staat voert, maar gedenken dat hij Gods dienaar is, hun ten goede (major singulis, maar minor universis groter dan één, maar minder dan het geheel. Het moet zijn dwalingen voorkomen, ter rechter- of ter linkerhand (want beide ter rechter- en ter linkerhand zijn dwalingen) en hem in alles recht houden aan zijn God en zijn plicht.
b. Van welk voordeel zijn Godsdienst voor hem zijn zal. Zij, die God vrezen en Zijn geboden houden, zullen er gewis te beter om varen in deze wereld. De grootste monarch van de wereld kan meer nut en voordeel verlangen door de Godsdienst, dan door al de rijkdom en de macht van zijn monarchie. Het zal voordelig zijn: Ten eerste. Voor zijn persoon. Hij zal de dagen verlengen in zijn koninkrijk. In de geschiedenis van de koningen van Juda bevinden wij dat, over het algemeen, de beste regeringen het langst hebben geduurd, behalve wanneer God ze verkort heeft tot straf van het volk, zoals die van Josia. Ten tweede. Voor zijn gezin, ook zijn kinderen zullen voorspoedig zijn. Laat Godsdienstzin als een erfdeel na aan de nakomelingschap, en God zal haar Zijn zegen doen beërven.