Psalm 31:1-9
Geloof en gebed moeten samengaan. Laat hem, die gelooft, bidden: Ik heb geloofd, daarom sprak ik; en laat hem, die bidt, geloven, want het gebed van het geloof is het overmogende gebed. Die beide hebben wij hier.
I. David is in benauwdheid, en bidt ernstig en vroom tot God om hulp en uitredding. Dat verlicht een bezwaar gemoed, doet beloofde zegeningen komen, ondersteunt en vertroost de ziel in de verwachting ervan Hij bidt:
1. Dat God hem zal verlossen, vers 2, dat zijn leven bewaard mocht worden tegen de boosaardigheid van zijn vijanden, en dat er aan hun vervolging van hem een einde zal gemaakt worden. Dat God, niet alleen in genade maar in gerechtigheid, hem zal verlossen als een rechtvaardige Rechter tussen hem en zijn onrechtvaardige vervolgers, dat Hij Zijn oor zal neigen tot zijn gebed en hem zal verlossen, vers 3 Het is neerbuigende goedheid van God als Hij van de zaken, ook zelfs van de grootste en beste mensen, kennis neemt Hij vernedert zich om dit te doen. De psalmist bidt ook dat Hij hem spoedig zal verlossen opdat zijn geloof, indien de verlossing lang uitbleef, niet zou falen.
2. Dat Hij, indien Hij hem niet terstond uit zijn benauwdheid zou redden, hem dan toch in zijn benauwdheid zou beschutten. Wees mij tot een sterke rotssteen, onbeweeglijk, onneembaar, als een door de natuur gevormde vesting, en tot een zeer vast huis om mij te behouden; een sterkte, gemaakt door kunst, en alles om mij te behouden. Aldus kunnen we bidden dat Gods voorzienigheid ons leven en onze gerieflijkheden zal beveiligen, en dat wij door Zijn genade instaat zullen zijn om ons veilig te achten in Hem, Spreuken 18:10
3. Dat hij, daar hij in zo grote moeilijkheden is, onder de Goddelijke leiding mocht wezen; Heere, leid mij en voer mij uit vers 4 Leid mijn voetstappen en bestuur mijn geest zo, dat ik nooit iets doe, dat ongeoorloofd is iets dat onverschoonbaar is, iets tegen mijn geweten, iets dat onverstandig, onvoorzichtig of onbezonnen is en tegen mijn belang. Zij die besloten hebben Gods leiding te volgen mogen er om bidden.
4. Dat, daar zijn vijanden zeer listig zijn, zowel als zeer boosaardig, God hun plannen tegen hem zal verijdelen, vers 5. "Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, en behoed mij voor de zonde, de moeilijkheden, de dood, waarin zij mij zoeken te verstrikken."
II. In dit gebed geeft hij eer aan God door een herhaalde betuiging van zijn vertrouwen in Hem en zijn steunen op Hem. Dit moedigde hem aan in zijn gebeden en bereidde hem voor de zegen, waar hij om bad, vers 2. Op U, o Heere, betrouw ik, en niet op mijzelf, of enigerlei genoegzaamheid van mijzelf of op enig schepsel; laat mij niet beschaamd worden, laat mij niet teleurgesteld worden, ten opzichte van enigerlei goed, dat Gij mij beloofd hebt, en dat ik mijzelf dus beloofd heb van U.
1. Hij had God gekozen tot zijn beschermer, en God had door Zijn belofte op zich genomen om dit te zijn, vers 4 "Gij zijt mijn steenrots en mijn burcht, door Uw verbond met mij en mijn gelovige instemming met dat verbond, wees mij daarom tot een sterke rotssteen" vers 3 Zij, die in oprechtheid de Heere als de hunne erkend hebben, kunnen er het voordeel, de weldaad van verwachten dat Hij dit is, want in Gods betrekkingen tot ons is zowel de naam als de zaak. Gij zijt mijn sterkte vers 5 Indien God onze sterkte is, dan kunnen wij hopen beide, dat Hij Zijn kracht in ons zal leggen en dat Hij Zijn kracht voor ons zal aanwenden.
2. Hij gaf op zeer bijzondere wijze zijn ziel aan Hem over, vers 6. In Uw hand beveel ik mijn geest. Indien David zich hier beschouwt als een stervende, dan geeft hij met deze woorden zijn scheidende ziel over aan God, die haar gegeven heeft en tot wie de ziel bij het sterven terugkeert. "De mensen kunnen slechts het lichaam doden, maar ik vertrouw op God "om mijne ziel van het geweld van het graf te verlossen," Psalm 49:16 Hij is bereid om te sterven, indien God het wil; maar laat mijn ziel in de hand van de Heere vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele. Met deze woorden op de lippen heeft onze Heere Jezus de geest gegeven aan het kruis, en Zijn ziel tot een offer, een vrijwillig offer, gesteld voor de zonde, vrijwillig Zijn leven overgevende als een losprijs. Door het voorbeeld van Stefanus wordt ons geleerd om op het ogenblik van sterven Christus te zien aan de rechterhand Gods en aldus onze geest aan Hem over te geven: Heere Jezus, ontvang mijnen geest. Maar David moet hier beschouwd worden als een man in benauwdheid en ellende. En:
Zijn grote zorg is over zijn ziel, zijn geest, zijn beter deel. Onze uitwendige beproevingen moeten onze zorg voor onze ziel vermeerderen. Velen denken dat, terwijl zij in kommer en zorg zijn over hun wereldlijke aangelegenheden en God in de weg van Zijn voorzienigheid die zorgen doet toenemen, zij wel te verontschuldigen zijn als zij hun ziel veronachtzamen, terwijl toch in hoe groter gevaar ons leven en onze wereldlijke belangen zijn, hoe meer wij verplicht zijn om de belangen van onze ziel te behartigen, opdat, al is het ook dat onze uitwendige mens verdorven wordt, de inwendige mens geen schade lijdt, 2 Corinthiërs 4:16, en dat wij onze ziel bezitten, als wij van niets andere het bezit kunnen houden, Lukas 21:19 Hij denkt dat het beste wat hij voor zijn ziel kan doen, is haar over te geven in de hand van God, Hem dat grote pand toe te vertrouwen. Hij had gebeden, vers 5, om uitgevoerd te worden uit het net van uitwendige ellende, maar, alsof hij daar niet verder op wilde aandringen Gods wil geschiede laat hij terstond van die bede af en beveelt de geest, de inwendige mens, in Gods hand. "Heere, hoe het ook met mij ga naar het lichaam, laat het wel gaan met mijn ziel." Het is de wijsheid en de plicht van een ieder van ons, om onze geest plechtig over te geven in de handen van God, om door Zijn genade te worden geheiligd, toegewijd te worden aan Zijn eer, gebruikt te worden in Zijn dienst, geschikt te worden gemaakt voor zijn koninkrijk. Wat ons aanmoedigt om onze geest over te geven in de hand van God, is dat Hij hem niet alleen geschapen, maar ook verlost heeft, de bijzondere verlossingen van de Oud- Testamentische kerk en de Oud-Testamentische heiligen waren afschaduwingen van onze verlossing door Jezus Christus, Genesis 48:16. Door onze ziel te verlossen heeft Christus niet alleen nog meer recht op haar verkregen, hetgeen ons als plicht stelt om haar aan Hem over te geven als de Zijne, maar Hij heeft ons daarenboven getoond welke buitengewone en vriendelijke zorg Hij voor haar heeft, hetgeen ons aanmoedigt om haar aan Hem over te geven teneinde haar te bewaren voor Zijn hemels koninkrijk, 2 Timotheus 1:12 "Gij hebt mij verlost, Heere, Gij God van de waarheid;" mij verlost overeenkomstig een belofte, die Gij getrouwelijk zult vervullen."
III. Hij wees elk bondgenootschap af met hen, die op een de arm van een mens vertrouwen, vers 7 Ik haat hen die ijdele nietigheden vereren, afgodendienaars (volgens sommigen) die hulp verwachten van valse goden, welke ijdelheid zijn en een leugen, sterrenwichelaars en degenen die acht op hen geven (aldus verstaan het anderen). David verafschuwde toverij en waarzeggerij; hij sloeg nooit acht op de vlucht van vogels of op het ingewand van dieren, op geen goede en geen kwade voortekenen, dat zijn valse ijdelheden, en hij heeft niet alleen zelf er geen acht op geslagen, maar haatte de goddeloosheid van hen, die het wel deden. Hij vertrouwde op God alleen, maar op geen schepsel, zijn invloed in het land of aan het hof, zijn vestingen of burchten, zelfs Goliaths zwaard die allen waren valse ijdelheden, waar hij niet op kon steunen; op de Heere alleen kon hij vertrouwen. Zie Psalm 40:5, Jeremia 17:5
IV. Hij vertroostte zich met zijn hoop op God en hierdoor werd hij niet alleen gerust, maar blijmoedig, vers 8 Gesteund hebbende op Gods genade, zal hij goedsmoeds zijn en er zich in verblijden. En diegenen weten hun hoop op God niet naar waarde te schatten, die in deze hoop geen blijdschap genoeg kunnen vinden om op te wegen tegen hun leed, en hun verdriet tot bedaren te brengen.
V. Hij moedigde zich aan in die hoop met de ervaringen, die hij nu, onlangs en vroeger, van Gods goedheid jegens hem gehad heeft en waarvan hij melding maakt tot eer van God. Hij die verlost heeft, verlost nog en zal verlossen.
1. God had kennis genomen van zijn beproevingen en van al de bijzonderheden ervan. Gij hebt mijn ellende aangezien, met wijsheid om haar door geschikte hulp te verlichten, met welwillendheid en mededogen de nederheid van Uw dienstknecht aangezien."
2. Hij had zijn gemoedsgesteldheid aangezien en de werkingen van zijn hart onder zijn beproeving; "Gij hebt mijn ziel in benauwdheden gekend, met tere belangstelling in en zorg voor haar." Gods oog is op onze ziel als wij in benauwdheid zijn, om te zien of zij verootmoedigd is om de zonde, onderworpen is aan Gods wil, of de beproeving haar goed gedaan heeft. Indien de ziel, als zij gebogen is onder beproeving, tot Hem opgeheven wordt in ware Godsvrucht, dan weet Hij het.
3. Hij had hem verlost uit de handen van Saul, toen deze hem te Kehila in zijn macht had, 1 Sam 23:7 Gij toch hebt mij aan de vijand niet prijsgegeven, Gij hebt mijn voeten in de ruimte doen staan, waar ik nu zelf voor mijn veiligheid kan zorgen, vers 9. Dat Christus de woorden van vers 6 gebruikt heeft aan het kruis, kan ons machtigen om dit alles toe te passen op Christus, die op Zijn Vader heeft vertrouwd en door Hem ondersteund en verlost werd en (omdat Hij zichzelf had vernederd) door Hem verhoogd is geworden, en het is goed daaraan te denken als wij deze verzen zingen, en ook om er de ervaring in te erkennen, die wij gehad hebben van Gods genadige tegenwoordigheid, hoe Hij ons nabij is geweest in onze benauwdheden; en ons aan te moedigen om ook voor de toekomst op Hem te betrouwen.