Deuteronomium 10:12-22
Hier is een zeer aandoenlijke vermaning tot gehoorzaamheid, ontleend aan alles wat vooraf gezegd is, ondersteund door zeer krachtige argumenten en overtuigende welsprekendheid. Als een redenaar begint hij met een beroep op zijn hoorders: Nu dan, Israël, wat eist de Heere uw God van u? vers 12. Vraag wat Hij eist, zoals David, Psalm 116:12. Wat zal ik de Heere vergelden? Als wij genade van God hebben verkregen, dan betaamt het ons te vragen, wat wij Hem er voor zullen vergelden. Denk na over hetgeen Hij eist, en gij zult bevinden, dat het niets is dan hetgeen ten hoogste rechtvaardig en redelijk is op zichzelf, en van onuitsprekelijk nut en voordeel voor u. Laat ons dan nu zien wat Hij eist, en hoe grote reden wij hebben om te doen wat Hij eist.
I. Hier wordt ons zeer duidelijk onze plicht aangewezen tegenover God, tegenover onze naaste, en tegenover onszelf.
1. Hier wordt ons onze plicht geleerd jegens God, zowel in de gezindheid en genegenheden van de ziel, als in de daden van ons leven, onze beginselen en onze praktijken.
a. Wij moeten de Heere onze God vrezen, vers 12. En wederom in vers 20. Wij moeten Zijn majesteit aanbidden, Zijn gezag erkennen, ontzag hebben voor Zijn macht, en vrezen voor Zijn toorn. Dat is Evangelieplicht, Openbaring 14:6, 7,.
b. Wij moeten Hem liefhebben, het moet ons verblijden dat Hij is, wij moeten wensen dat Hij de onze zal zijn, ons verlustigen in de beschouwing van Hem en in gemeenschap met Hem, Hem vrezen als de grote God en onze Heere, Hem liefhebben als de goede God, en onze Vader en Weldoener.
c. Wij moeten wandelen in Zijn wegen, dat is: de wegen, waarin Hij ons geboden heeft te wandelen. Geheel onze wandel moet in overeenstemming zijn met Zijn heilige wil.
d. Wij moeten Hem dienen, vers 20. Hem dienen met ons gehele hart en onze gehele ziel, vers 12, ons wijden aan Zijn eer, ons stellen onder Zijn heerschappij, ons ten koste geven om de belangen te bevorderen van Zijn koninkrijk onder de mensen. En wij moeten kloek en ijverig zijn in Zijn dienst, onze inwendige mens opwekken en gebruiken in Zijn werk, wat wij voor Hem doen moeten wij blijmoedig doen en van harte.
e. Wij moeten Zijn geboden en Zijn inzettingen houden, vers 13. Ons toegewijd hebbende aan Zijn dienst, moeten wij ons in alles Zijn geopenbaarde wil ten regel stellen, volbrengen alles wat Hij beveelt, nalaten alles wat Hij verbiedt, vast gelovende dat al de inzettingen, die Hij ons gebiedt, ons ten goede zijn. Behalve het loon van onze gehoorzaamheid, dat ons onuitsprekelijk gewin zal zijn, is er nog ware eer en genoegen in gehoorzaamheid. Het is werkelijk goed voor ons tegenwoordig welzijn om ootmoedig, kuis en sober te zijn, geduldig en tevreden, hierdoor zijn wij rustig en veilig, is het ons lieflijk, en zijn wij waarlijk groot.
f. Wij moeten eer geven aan God door bij Zijn naam te zweren vers 20, Hem aldus de eer gevende van Zijn alwetendheid, Zijn vrijmacht, Zijn gerechtigheid, zowel als van Zijn bestaan. Zweer bij Zijn naam, en niet bij de naam van enigerlei schepsel of valse God, telkenmale als een eed tot bevestiging nodig is. g Hem moeten wij aanhangen, vers 20. Hem verkoren hebbende tot onze God, moeten wij trouw en standvastig bij Hem blijven, en Hem nooit verlaten Hem aanhangen als degene, die wij liefhebben en in wie wij ons verlustigen, op wie wij steunen en betrouwen, en van wie wij grote verwachtingen koesteren.
2. Er wordt ons hier onze plicht geleerd jegens onze naaste, vers 19. Gijlieden zult de vreemdeling liefhebben. En indien de vreemdeling, dan nog veel meer onze broeders, als onszelf. Indien de Israëlieten, die zo'n bijzonder volk waren, zo onderscheiden van alle volken, vriendelijk moesten wezen voor vreemdelingen, dan moeten wij dit nog zoveel te meer zijn, wij, die niet binnen zulk een omheining zijn gesloten. Wij moeten tedere belangstelling hebben voor allen, die de menselijke natuur met ons delen, en naar wij gelegenheid hebben, dat is: naar hun nooddruft en ons vermogen, moeten wij goed doen aan allen. Er worden hier twee argumenten aangevoerd om deze plicht bij ons aan te dringen.
a. Gods algemene voorzienigheid, die zich uitstrekt over alle volken, alle mensen daar zij allen uit een bloede gemaakt zijn. God heeft de vreemdeling lief, vers 18, dat is Hij geeft aan allen het leven, de adem, en alle dingen, zelfs aan hen, die heidenen zijn en vreemdelingen voor het burgerschap Israëls en voor Israëls God. Hij kent volkomen hen van wie wij niets weten. Hij geeft brood en kleding zelfs aan hen, aan wie Hij Zijn woord en Zijn inzettingen niet heeft gegeven. Gods algemene gaven aan het mensdom maken het ons tot plicht alle mensen te eren. Of wel het duidt de bijzondere zorg van Gods voorzienigheid aan voor vreemdelingen, die in benauwdheid of moeite zijn, waarvoor wij Hem behoren te loven Psalm 146:9, de Heere bewaart de vreemdelingen, en waarin wij Hem behoren na te volgen, Hem moeten dienen, met Hem moeten samenstemmen, ijverig zijnde om ons tot werktuigen te maken van Zijn hand van vriendelijkheid jegens vreemdelingen.
b. De toestand van beproeving en benauwdheid, waarin de Israëlieten zelf verkeerden, toen zij vreemdelingen waren in Egypte. Zij, die zelf in benauwdheid zijn geweest en barmhartigheid hebben gevonden bij God, moeten innig medegevoel hebben met hen, die evenzo in benauwdheid verkeren, en bereid zijn hun vriendelijkheid te betonen. In weerwil van het herhaalde gebod, hun gegeven, om vriendelijk te zijn voor vreemdelingen, heeft het volk van de Joden een ingewortelde afkeer gehad van de heidenen, op wie zij met de uiterste verachting neerzagen, waardoor zij hun de genade Gods en het Evangelie van Christus misgunden en dat heeft een algeheel verderf over henzelf gebracht.
3. Ons wordt hier onze plicht geleerd jegens onszelf, vers 16. Besnijdt dan de voorhuid uws harten, dat is: "Werpt van u alle verdorven neigingen, die u verhinderen God te vrezen en lief te hebben. Doodt het vlees met zijn begeerlijkheden. Weg met alle vuiligheid en overvloed van boosheid, die de vrije loop belemmeren van Gods Woord in uw harten. Rust niet in de besnijdenis van het lichaam die slechts het teken was, maar weest besneden van hart, dat de zaak is, die betekend werd." Zie Romeinen 2:29. Christus' gebod gaat nog verder, en verplicht ons niet slechts om de voorhuid des harten af te snijden, die gemakkelijk gemist kan worden, maar de rechterhand af te houwen, en het rechteroog uit te rukken, die ons ergeren, hoe geestelijker de bedeling is, hoe geestelijker wij behoren te wezen, en hoe ijveriger wij moeten zijn om de zonde te doden. En verhardt uw nek niet meer, zoals zij tot nu toe gedaan hebben, Hoofdstuk 9:24. Zijt niet langer weerspannig tegen Goddelijke geboden en tuchtigingen, maar bereid om voor beide eenswillend te zijn met God. De besnijdenis des harten maakt ons bereid om te buigen voor God en Zijn juk op ons te nemen. II. Wij worden hier zeer aandoenlijk bewogen tot onze plicht. Laat slechts het verstand ons regeren, dan zal de Godsdienst niet achterblijven.
1. Denkt aan de grootheid en heerlijkheid van God, en vreest Hem deswege, dient en gehoorzaamt Hem uit dat beginsel. Wat is het dat, naar men denkt, de mens groot maakt? Wat anders dan grote eer, macht en bezittingen? Bedenkt dan hoe groot de Heere onze God is en hoe grotelijks te vrezen.
a. Hij heeft grote eer, een naam boven alle naam. Hij is een God der goden en een Heere van de heren, vers 17. Engelen worden goden genoemd, ook magistraten, en de heidenen hadden vele goden en vele heren, de schepselen hunner eigen verbeelding, maar God is oneindig ver verheven boven al deze naamgoden. Hoe ongerijmd zou het in hen wezen om andere goden te dienen, als de God, aan wie zij trouw hadden gezworen, de God van de goden is!
b. Hij heeft grote macht. Hij is die machtige en vreeslijke God, vers 17, die geen aangezicht aanneemt. Hij heeft de macht van een overwinnaar, en zo is Hij vreeslijk voor hen, die Hem weerstaan en tegen Hem rebelleren. Hij heeft de macht van een rechter en zo is Hij rechtvaardig voor allen, die zich op Hem beroepen of voor Hem verschijnen. En het is evenzeer de grootheid en eer van een rechter om onpartijdig te zijn in zijn oordeel, zonder aanzien des persoons of geschenken te nemen, als het voor een generaal is om vreeslijk te zijn voor de vijand. Onze God is beide.
c. Hij heeft grote bezittingen. Hemel en aarde zijn Zijne, vers 14, en al de heirscharen van beide. Daarom is Hij machtig ons te ondersteunen in Zijn dienst, en de verliezen goed te maken, die wij lijden in het volbrengen van onze plicht jegens Hem. En daarom heeft Hij ons niet nodig, of iets dat wij hebben of kunnen doen, wij zijn verloren zonder Hem, maar Hij is gelukkig zonder ons, waardoor het neerbuigende van Zijn genade waarmee Hij ons en onze dienst aanneemt waarlijk bewonderenswaardig is. Hemel en aarde zijn Zijn bezitting, en toch is des Heeren deel Zijn volk.
2. Aanmerkt de goedheid en genade van God en hebt Hem deswege lief, dient en gehoorzaamt Hem uit dat beginsel. Zijn goedheid is Zijn heerlijkheid, evenzeer als Zijn grootheid.
a. Hij is goed voor allen. Voor allen, die Hij ongelukkig ziet, zal Hij barmhartig worden bevonden. Hij doet het recht van de wezen en van de weduwen, vers 18. Het is Zijn eer de hulpelozen te helpen, hen te ondersteunen, die hulp nodig hebben en aan wie de mensen geneigd zijn onrecht te doen, of hen tenminste te minachten. Zie Psalm 68:6, 7, 146:7, 9,6,.
b. Maar, waarlijk God is Israël goed op zeer bijzondere wijze, en daarom zijn zij onder bijzondere verplichtingen jegens Hem. Hij is uw lof, en Hij is uw God, vers 21. Hebt Hem daarom lief en dient Hem vanwege de betrekking, waarin Hij tot u staat. Hij is uw God, een God in verbond met u, en als zodanig is Hij uw lof, dat is:
a. Hij legt eer op u, Hij is de God, in wie gij de gehele dag kunt roemen, dat gij Hem kent en door Hem gekend zijt. Indien Hij uw God is, dan is Hij uw eer.
b. Hij verwacht eer van u. Hij is uw lof, dat is: Hij is de God, die gij gehouden en verplicht zijt te loven. Indien Hij geen lof heeft van u, vanwaar zou Hij die dan kunnen verwachten? Hij woont onder de lofzangen Israëls. Aanmerkt:
Ten eerste. Zijn genaderijke verkiezing van Israël, vers 15. Hij heeft lust gehad aan uw vaderen, en daarom heeft Hij hun zaad verkoren. Niet dat er iets in hen was om die gunst te verdienen of dat er hen toe heeft aanbevolen maar aldus was het goed in Zijn ogen. Hij wilde goed voor hen wezen, ofschoon Hij hen niet nodig had.
Ten tweede. De grote dingen, die Hij voor Israël gedaan heeft, vers 21, 22. Hij doet hen gedenken aan hetgeen zij niet alleen met hun oren hadden gehoord, en hun vaderen hun verteld hebben maar ook aan hetgeen zij met hun ogen hadden gezien, en dat zij aan hun kinderen moeten vertellen, inzonderheid, dat binnen enkele geslachten zeventig zielen (want er waren niet meer toen Jakob afging naar Egypte) vermenigvuldigd zijn zodat zij tot een groot volk werden als de sterren des hemels in menigte. En hoe talrijker zij waren, hoe meer lof en dienst God van hen verwachtte, maar evenals in de oude wereld, bleek het dat, toen zij begonnen zich te vermenigvuldigen, zij zich hebben verdorven.