Psalm 18:30-51
I. In deze verzen ziet David met dankbaarheid terug op de grote dingen, die God voor hem gedaan heeft. Hij heeft niet slechts verlossing voor hem gewrocht, maar hem overwinning en voorspoed gegeven, en hem doen triomferen over hen, die gedacht hebben te triomferen over hem. Als wij er ons toe begeven om God te loven voor een zegen dan moeten wij daardoor geleid worden om te letten op de vele andere, waarmee we omringd werden, de weldadigheden, die ons gevolgd hebben ons leven lang. Vele dingen hebben medegewerkt tot Davids bevordering, en in die allen erkent hij de hand van God, om ons te leren evenzo te doen bij het terugzien op de onderscheidene treden, waarlangs wij tot onze voorspoed en onze welvaart zijn opgeklommen.
1. God had hem al zijn verstand en bekwaamheid in militaire zaken gegeven, waarvoor hij niet was opgeleid of bestemd, zijn aanleg ging meer uit naar muziek en dichtkunst en om een bespiegelend leven te leiden. Hij die mijn handen oefent ten strijde, vers 35.
2. God had hem lichaamskracht gegeven om door het werk en de vermoeienissen van de oorlog te kunnen heengaan, God heeft hem omgord met kracht, vers 33, 40, en dat wel in zo'n mate, dat hij een stalen boog kon verbreken, vers 35. Voor welke dienst het ook zij dat God de mensen bestemt, Hij zal er hen gewisselilk geschikt voor maken.
3. God had hem ook grote vlugheid gegeven, niet om voor de vijanden te vlieden maar om op hen aan te stormen, Hij maakt mijn voeten gelijk als van de hinden, vers 34, "Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij maar" (terwijl zij die wijde stappen nemen allicht scheef gaan) "mijne enkels hebben niet gewankeld." Hij was zo vlug, dat hij zijn vijanden vervolgde en achterhaalde, vers 37
4. God had hem zeer kloekmoedig gemaakt in zijn ondernemingen en hem overeenkomstig zijn kracht stoutmoedigheid gegeven. Vond hij een bende op zijn weg, hij zeg er geen bezwaar in er doorheen te lopen, was het een muur het kostte hem geen moeite er overheen te springen, vers 30, waren het wallen of bolwerken, hij had ze spoedig beklommen en met de bijstand Gods stelde hij zijn voeten op de hoogten des vijands, vers 34.
5. God had hem beschermd en veilig bewaard temidden van de grootste gevaren, menigmaal heeft hij zijn ziel, dat is zijn leven, in zijn hand gesteld en toch is het wonderbaarlijk bewaard gebleven. Gij heb mij het schild uws heils gegeven, vers 36, en dat heeft mij naar alle zijden omgeven, daardoor werd ik uitgeholpen van de twisten des volks, dat mijn verderf beoogde, vers 44, werd ik inzonderheid gered van de geweldenaar, vers 49, van Saul, die meer dan eens een spies naar hem geworpen heeft.
6. God had hem voorspoedig gemaakt, zijn plannen doen slagen, Hij was het, die zijn weg volkomen heeft gemaakt, vers 33, en het was Zijn rechterhand, die hem ondersteunde, vers 36.
7. God had hem de overwinning gegeven over zijn vijanden, de Filistijnen, de Moabieten de Ammonieten, en allen, die tegen Israël hebben gestreden, hij bedoelt inzonderheid deze, zonder die van het huis van Saul buiten te sluiten, die zijn troonsbeklimming tegenstonden, en de aanhangers van Absalom en Seba, die hem hadden willen onttronen. Hij verwijlt lang bij de goedertierenheid Gods over hem in het verslaan van zijn vijanden, zijn overwinningen toeschrijvende niet aan zijn eigen zwaard of boog of aan de dapperheid van zijn helden, maar aan-de gunst van God. Ik vervolgde mijn vijanden, vers 38, ik doorstak hen, vers 39, want Gij hebt mij omgord met kracht tot de strijd, want anders had ik het niet kunnen doen. Al de lof wordt aan God toegeschreven: Gij deedt onder mij nederbukken die tegen mij opstonden vers 40. Gij deedt mijn vijanden mij de rug toekeren niet slechts om hen te vertreden, zoals Jozua, 10:24, maar om hen af te snijden. Zelfs zij, die David haatten die God liefhad en vijanden waren van het Israël Gods, hebben in hun benauwdheid tot de Heere geroepen maar tevergeefs, Hij antwoordde hun niet. Hoe konden zij verwachten dat Hij hun zou antwoorden als Hij het toch was, tegen wie zij streden en toen Hij hen verstiet (gelijk Hij allen zal verstoten, die tegen Zijn volk handelen) kon niemand anders hen te hulp komen, er was geen verlosser, vers 42. Zij, die door God werden verlaten, worden gemakkelijk tenonder gebracht, toen vergruisde ik hen als staf vers 43. Maar hen, wier zaak rechtvaardig is, wreekt Hij, vers 48, en zij, aan wie Hij gunst betoont, zullen gewis verhoogd worden boven degenen, die tegen hen opslaan, vers 49.
8. God had hem ten troon verheven, hem niet alleen verlost en in het leven behouden, maar hem geëerd en groot gemaakt, vers 36. Uw zachtmoedigheid heeft mij doen toenemen, Uw tucht en Uw onderricht volgens sommigen. De goede lessen, die David geleerd heeft in zijn beproeving en leed, bereidden hem voor de waardigheid en macht, voor welke hij bestemd was, en dat hij verminderd werd heeft er zeer veel toe bijgedragen om hem groot te maken. God heeft hem niet slechts een groot veroveraar doen worden, maar ook een groot heerser: Gij hebt mij gesteld tot een hoofd van de heidenen, vers 44, al de naburige volken waren hem schatplichtig. Zie 2 Samuël 8:6, 11. In dit alles was David een type van Christus, die Zijn Vader veilig heeft heengebracht door Zijn strijd met de machten van de duisternis, en over hen heeft doen zegevieren, en wie Hij gegeven heeft tot een Hoofd over alle dingen in de gemeente, die Zijn lichaam is.
II. David ziet op in nederige en eerbiedige aanbidding van de Goddelijke heerlijkheid en volmaaktheid. Nu God in Zijn voorzienigheid hem groot had gemaakt, poogt hij God groot te maken met zijn lof, Hem te loven en te verheerlijken, vers 47. Hij geeft Hem eer:
1. Als de levenden God: de Heere leeft, vers 47. Wij hebben ons leven ontvangen van en wij zijn de voortduur er van verschuldigd aan, die God, die leven heeft in zichzelf, en daarom zeer gepast de levende God wordt genoemd. De goden van de heidenen waren dode goden, de beste vrienden, die wij hebben onder de mensen, zijn stervende vrienden, maar God leeft, leeft tot in eeuwigheid en zal niet falen aan hen, die op Hem betrouwen, maar omdat Hij leeft zullen ook zij leven, want Hij is hun leven.
2. Als een voleindigend God, God is niet slechts volmaakt, maar ook Zijn weg is volmaakt, vers 31. Hij is bekend bij Zijn naam JHWH, Exodus 6:2, een God, die volbrengt en voleindigt wat Hij heeft begonnen, in de voorzienigheid zowel als in de schepping, Genesis 2:1. Het was God, die Davids weg volkomen heeft gemaakt, vers 33, en nog veel meer is Zijn eigen weg volkomen. Er is in Gods werk geen fout, geen gebrek, er velt niets te berispen aan hetgeen Hij doet, Prediker 3:14. En wat Hij onderneemt, daar zal Hij mee voortgaan, welke moeilijkheden er ook voor op de weg liggen. Wat God begint te bouwen, kan Hij voleindigen. 3. Als een getrouw God, wiens rede doorlouterd is. "Ik heb het woord des Heeren beproefd," zegt David, "en het heeft mij niet gefaald." Al de heiligen in alle eeuwen hebben het beproefd, en hun, die er op vertrouwden heeft het nooit gefaald. Het is als zilver, dat van alle bijmengselen, die er de waarde van verminderen, gelouterd is. In de leidingen van Gods voorzienigheid met hem neemt David nota van de vervulling van Zijn belofte aan hem die gelijk zij die leidingen van de voorzienigheid lieflijk maakt, ook eer bijzet aan de belofte.
4. Als de beschermer en verdediger van Zijn volk. David had Hem als zodanig voor zich bevonden. Hij is de God van mijn heil, vers 47 door wiens macht ik verlost ben en hoop verlost te zullen wezen maar niet alleen de mijne, Hij is een schild allen, die op Hem betrouwen, vers 31, Hij beschut en beschermt hen allen, is beide machtig en bereid om dit te doen."
5. Als Eén, die in dit alles ongeëvenaard is, vers 32. Er is een God, en wie is God behalve JHWH? Die God is een rotssteen tot steun en beschutting van Zijn getrouwe aanbidders en wie is een rotssteen, dan alleen onze God. Aldus geeft hij niet alleen eer en heerlijkheid aan God, maar moedigt hij zijn geloof in Hem aan. Wie ook mogen voorgeven godheden te zijn, het is zeker dat er geen God is behalve de Heere, alle anderen zijn namaaksels, Jesaja 44:8, Jeremia 10:10. Wie ook voorwendt ons geluk uit te maken, er is geen rotssteen, dan alleen onze God, geen op wie wij kunnen steunen om ons gelukkig te maken.
III. David ziet voorwaarts in de gelovige hoop dat God hem nog goed doen zal. Hij vleit zich:
1. Dat zijn vijanden volkomen onderworpen zullen worden, en dat degenen, die er nog van waren overgebleven, tot Zijn voetbank gemaakt zullen worden. Dat zijn regering uitgestrekt zal zijn, zodat zelfs een volle, dat hij niet kende, hem zal dienen, vers 44. Dat zijn veroveringen en bijgevolg zijn verkrijgingen gemakkelijk zullen zijn, nauwelijks hadden zij van mij gehoord od zij gehoorzaamden mij vers 45. En dat zijn vijanden er van overtuigd zullen zijn, dat het doelloos is om hem tegen te staan, zelfs zij, die zich in hun vestingen hebben teruggetrokken, hebben er niet op betrouwd, maar hebben gesidderd in hun vestingen, daar zij zoveel van Davids wijsheid, moed en voorspoed gezien hebben. En hoewel de Zone Davids nog niet ziet dat Hem alle dingen onderworpen zijn, weet Hij toch dat Hij zal regeren, totdat alle heerschappij en macht en kracht die zich tegen Hem stellen, teniet zullen gedaan zijn.
2. Dat zijn zaad tot in eeuwigheid zal zijn in de Messias, die, naar hij voorziet, uit zijn lenden zal voortkomen, vers 51. Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, Zijn Messias aan David zelf de gezalfde van de God Jakobs in het type, en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. Hij "zegt niet aan zijn zaden, in het meervoud maar in het enkelvoud aan zijn zaad, dat wil zeggen aan Christus," Galaten 3:16.Hij alleen is het, die voor eeuwig zal regeren, aan de grootheid van Zijn heerschappij en vrede zal geen einde zijn. Christus wordt David genoemd, Hosea 3:5. God heeft Hem Zijn Koning genoemd, Psalm 2:6. Grote verlossingen geeft God, en zal Hij geven, aan Hem en aan Zijn kerk en volk, hier genoemd: Zijn zaad tot in eeuwigheid.
Bij het zingen van deze verzen moeten wij Gode de eer geven van de overwinningen van Christus en Zijn kerk tot nu toe, en van al de verlossingen en voordelen van het Evangelie koninkrijk, en onszelf en elkaar aanmoedigen met de verzekerdheid, dat de strijdende kerk weldra overwinnend zal zijn en tot in eeuwigheid zal blijven.