6. En David legde bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs, zowel het gebied van Zoba, als dat van Damascus, werden David tot knechten, brengende geschenken, schatting, en de HEERE behoedde David overal, waar hij heenging (
Vers 15). De naam Syrië (in het Hebreeuws Aram, ter aanduiding van van Sem's vijfde zoon (
Genesis 10:21vv.) afstammende volkeren), omvat in zijn uitgestrektste betekenis het gehele gebied tussen het Taurus- en het Amanus-gebergte in het noorden, de Arabische woestijn en de grens van Egypte in het zuiden, de Middellandse Zee in het westen en de Eufraat in het oosten, zodat ook Phoenicië en Palestina daartoe gerekend worden (
Lukas 2:2 Handelingen 21:3 21:3); ja zelfs de vlakten tussen de Eufraat en de Tiger heten in de Hebreeuwse grondtekst niet zelden het vlakkeland, of de vlakte van Aram (
Genesis 25:20 Hosea12:13) en Aram van de beide stromen (Mesopotamië?) (
Genesis 24:10 Psalm 60:2). Wat echter gewoonlijk onder Syrië verstaan wordt, en waarvan wij hier alleen te spreken hebben, is het land aan de zijde van de Eufraat tot aan de Middellandse zee, zuidelijk tot aan de Libanon en Anti-Libanon reikende, van Phoenicië (
2 Samuël 5:11) door de Eleutherus gescheiden, en noordelijk tot aan de golf van Issus. Noordelijk van de Libanon rijst een noordwaarts zich uitstrekkende bergrug op, thans de zogenaamde Dschebel Nossairieh, die in het westen naar het kustland afdaalt, maar in het oosten in een grote vlakte op de Eufraat aan uitloopt en noordelijk door de Orontes wordt doorsneden; aan de overzijde van deze vloed begint een ander gebergte, namelijk het voorgebergte van de Taurus met takken in verschillende richting. Het binnenland wordt door de Orontes in het noordwesten besproeid; hij ontspringt op de Anti-Libanon, verenigt zich bij Baäl-bek of Heliopolis met kleinere stromen, neemt een noordwestelijke loop, terwijl hij reeds na weinig uren afstand van zijn oorsprong een grote hoeveelheid water vertoont, gaat tussen, met hoog gras en riet, rijk voorziene oevers voorbij de stad Riblath (2 Koningen .23:33; 25:6), en verder voorbij Emesa, dat misschien hetzelfde is als Helam (10:17), totdat hij zich bij Epipharia, het Bijbelse Hamath (
Numeri 13:22), zich noordwestelijk wendt, tussen de door Seleucus Nicator gestichte en naar zijn vader genoemde stad Antiochië en het daar tegenoverliggende Daphne doorstroomt, en niet ver van Seleucia insgelijks door Seleucus Nicator gebouwd (die daar ook begraven ligt), in zee valt. Oostelijk van Seleucia en Antiochië, op de Eufraat aan, ligt het oude Berrhoä, het tegenwoordig beroemde Haleb of Aleppo, in de streek waarvan een voortreffelijke, door de oud-Perzische koningen zeer hooggeschatte wijn groeide; dit is misschien de in
Ezechiel 28:18 vermelde plaats Helbon (wijn van Helbon, Luther "sterke wijn), maar Robinson heeft op zijn tweede reis haar teruggevonden in het dorp met dezelfde naam, ten noordwesten van Damascus, waar ook veel wijn gebouwd word. In het zuidoosten daarentegen wordt het land gedeeltelijk besproeid door de Chysorrhoas, die aan de oosterhelling van de Anti-Libanon ontspringend, aan een nauw op Damascus aan zich uitstrekkend dalgebied leven en wasdom geeft, terwijl het overige gedeelte van de oostelijke helling als volstrekt onbebouwd en onbewoond woestijngebied bij de inboorlingen de aan Afrika herinnerde naam van Sahara draagt. Deze stroom is zonder twijfel de in
2 Koningen 5:12 genoemde Abana; haar water is schoon, helder en doorschijnend, daarentegen dat van de Jordaan (
Jozua 3:1) troebel en van leemachtige kleur, waarom Naäman zeer natuurlijk de rivier uit zijn geboorteland voor beter kon houden, dan die in het land Israël. De Chrysorrhoas stroomt door Damascus heen en stroomt 4 of 5 uur oostelijk van de stad met twee armen in twee kleine meren. De op dezelfde plaats met haar opgenoemde Farpar is waarschijnlijk de andere rivier, die als zelfstandige stroom van enige betekenis is, de Awadsch, die uit de vereniging van enige beken ontstaat en zuidelijk van Damascus insgelijks in het meer uitstroomt. De weg van Damascus, in noordoostelijke richting naar de Eufraat, voert ons eerst naar Thadmor, of het bij Grieken en Romeinen genoemde Palmyra (
1 Koningen 9:18), een beroemde handelsstad, die in een oase ligt, die eenmaal buitengewoon vruchtbaar en rijkelijk met water voorzien was, en thans zeer verdord is. Van Thadmor loopt de weg naar de 3 à 4 dagreizen verwijderde Eufraat naar Tiphsah of Tahpsakus op het noordoostelijkste grenspunt van Salomo's rijk (
1 Koningen 4:24), een landings- en losplaats voor de waren, die langs de Eufraat van Babylon komen of daarheen verzonden worden; maar de zuiver oostelijke weg brengt ons naar Hena (
2 Koningen 18:34), eertijds op een door de Eufraat gevormd eiland, thans aan beide oevers van de vloed gelegen. Gaan wij van Hena langs de oostelijke oever stroomopwaarts, zo komen wij eerst aan het landschap Ava of Iwa (
2 Koningen 17:24;
18:34), verder, daar waar de Chaboras zich in de Eufraat ontlast, te Karchemisch of Circesium (
Jeremia 46:2). Van hier zou de rechte weg over Thadmor ons over Thelasser (
2 Koningen 19:12) voeren; maar wij volgen de stroom verder tot Thapsakus, steken hier de rivier over en komen op de naar Hamath leidende weg, na ongeveer een dagreis te Rezeph (
2 Koningen 19:12). Terwijl wij nu nog twee dagreizen de weg verlaten en in de richting op Emeza aan ons begeven, komen wij te Arphad (2 Koningen .18:34; 19:13), verder van daar, iets in het midden tussen Emeza en Thadmor, hebben wij ongetwijfeld het landschap Zoba te zoeken. Syrië is over het geheel een zeer vruchtbaar land, geschikt tot veefokkerij (vooral waren de Syrische schapen met vetstaarten beroemd) en van een zacht klimaat, dat dikwijls door aardbevingen en sprinkhanen-zwermen geteisterd wordt. De handel uit Oost-Azië naar de westelijke landen Arabië en Egypte nam zijn weg door Syrië, en Damascus was steeds een hoofdstapelplaats; aan die handel nam ook Israël soms deel door factorijen en bazaars, die het daar mocht oprichten (
1 Koningen 20:34). De naam "Syrië", die het land bij de Griekse en Romeinse schrijvers voert en die in Luthers vertaling overal in de plaats van het Hebreeuws "Aram" staat, heeft het waarschijnlijk ontvangen van het land Kir (
Jesaja 22:6), van waar naar
Amos 9:7 de Arameeërs naar Syrië zijn getrokken, en waarheen (naar
2 Koningen 16:9) koning Tiglat-Pilezer van Assyrië, de inwoners van Damascus voerde, waardoor de voorzegging in
Amos 1:3-
5 vervuld werd. De geleerden zijn het met elkaar oneens, waar dit Kir ligt; sommigen verstaan daaronder een landstreek aan de rivier Cyrus, die in Armenië ontspringende, in haar benedenloop zich met de Araxes verenigt en in de Kaspische zee zich ontlast (
Genesis 2:11); anderen denken aan het landschap Karina, ter plaatse waar Medië met Susiana (Elam) en Assyrië zich verenigt. Daar woonden de Semieten van Assyrische stam, die volgens de Medische keilinscripties (spijkerschrift) Ssur geheten waren, en van daar ging de naam Syrië over op het land tussen de Eufraat en de Middellandse Zee..