Psalm 147:12-20
Jeruzalem en Zion, de heilige stad en de heilige berg, worden hier opgeroepen om God te loven vers 12. Immers, waar anders zal Gods lof geofferd worden, dan daar waar Zijn altaar is? Waar anders kunnen wij verwachten, dat Hem eer gegeven zal worden dan in de schoonheid van de heiligheid? Laat de inwoners van Jeruzalem in hun eigen huizen de Heere loven, laat de priesters en Levieten, die in Zion, de stad hunner plechtigheden, de dienst waarnemen, op bijzondere wijze de Heere loven. Zij hebben meer reden om het te doen dan anderen, en er rusten op hen grotere verplichtingen om het te doen dan op anderen, want het is hun werk het is hun roeping. "O Zion, loof uw God Hij is de uwe, en daarom zijt gij gehouden en verplicht om Hem te loven, dat Hij de uwe is, daarin ligt alle zaligheid opgesloten, zodat het u nooit aan stof kan ontbreken om Hem te loven."
Jeruzalem en Zion moeten God loven:
I. Voor de voorspoed, de bloeiende toestand van hun burgerlijke belangen, vers 13,14.
1. Voor de algemene veiligheid, zij hadden poorten, en in tijden van gevaar hielden zij ze gegrendeld, maar dat zou geen krachtdadige, afdoende veiligheid voor hen opgeleverd hebben, indien God de grendelen hunner poorten niet sterk had gemaakt, en hun versterkte plaatsen niet had versterkt. De beste middelen, die wij kunnen beramen en aanwenden, zullen aan het doel niet beantwoorden, tenzij God er Zijn zegen op geeft, daarom moeten wij bij het zorgvuldig en naarstig gebruik maken van die middelen, op Hem steunen voor die zegen, en de ongestoorde rust van ons land aan Hem toeschrijven, meer aan de vurige muur rondom ons, dan aan het water rondom ons, Zacheria 2:5.
2. Voor de toeneming van hun volk, dit versterkt de grendelen van de poorten evenzeer als wat het ook zij. Hij zegent uw kinderen binnen in u met die eerste en grote zegen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde. Het is een troost voor ouders, om hun kinderen van de Heere gezegend te zien, Jesaja 61:9, en een troost voor het geslacht, dat heengaat, om het opkomend geslacht talrijk en veelbelovend te zien, om welke zegen God geloofd moet worden.
3. Voor de openbare rust, dat zij verlost waren van de verschrikkingen en verwoestingen van de oorlog, Hij stelt uw landpalen in vrede, door een einde te maken aan de oorlog, die er is, en oorlogen, die gevreesd werden en dreigden uit te breken, te voorkomen. Hij stelt uw landpalen in vrede, in alle delen van het land, door geschillen tussen naburen te vereffenen, opdat er geen buitenlandse twisten en onlusten zijn, en aan uw grenzen, opdat zij door geen buitenlandse vijanden worden aangevallen. Als er ergens onrust is, dan is het aan de grenzen van een land, de grenssteden liggen het meest aan gevaar blootgesteld, zodat indien er vrede is aan de grenzen, de vrede algemeen is, een zegen, waar wij nooit dankbaar genoeg voor zijn kunnen.
4. Voor grote overvloed, het gewone gevolg van vrede: Hij verzadigt u met het vette van de tarwe, tarwe, het kostbaarste graan, het vette, het beste daarvan, en overvloed, een volheid daarvan. Wat wilden zij meer? Kanaän had overvloed van de beste tarwe, en voerde dit graan uit naar vreemde landen, zoals blijkt uit Ezechiël 27:17. Het land van Israël was niet verrijkt met edelgesteenten of specerijen, maar met de beste tarwe, met brood, dat het hart des mensen sterkt. dat heeft het tot de roem gemaakt van alle landen, en daarvoor werd God in Zion geloofd.
II. Voor de wondervolle blijken van Zijn macht in het weer, inzonderheid in het winterweer. Hij, die Zion en Jeruzalem beschermt, is die God van macht, aan wie al de krachten van de natuur ontleend zijn, van wie zij afhankelijk zijn, en die al de wisselingen van de jaargetijden teweegbrengt, welke, indien zij niet zo bekend waren en niet telkens wederkeerden, ons verbaasd zouden doen staan.
1. In het algemeen: welke veranderingen er ook plaats hebben in deze lagere wereld (en het is die wereld, die aan voortdurende veranderingen onderhevig is) zij worden door de wil, de macht en de voorzienigheid van God teweeggebracht, vers 15. Hij zendt Zijn bevel op aarde, als een, die het onbetwistbaar recht heeft om bevelen te geven, en talloze dienaren, die gereed zijn om Zijn orders te volvoeren. Gelijk in den beginne de wereld gemaakt was door het woord van Zijn kracht, zo wordt zij er nog door onderhouden en bestuurd, God spreekt en het wordt gedaan, want allen zijn Zijn dienstknechten. Dat woord doet uitwerking, niet alleen gewis, maar ook spoedig, Zijn woord loopt zeer snel, want niets kan het weerstaan of vertragen. Gelijk de bliksem, die in een oogwenk de lucht doorklieft, zo is het woord van Gods voorzienigheid, en zo is het Woord van Zijn genade als het uitgezonden wordt met een opdracht, Lukas 17:24. Engelen, die Zijn woord brengen en volbrengen, komen snellijk gevlogen, Daniël 9:21.
2. In het bijzonder: vorst en dooi zijn beide verwonderlijke veranderingen, en in beide moeten wij het woord van Zijn almacht erkennen.
A. Vorst is van God, bij Hem zijn de "schatkameren van de sneeuw en des hagels," Job 38:22, en uit deze schatkameren doet Hij ze voortkomen naar het Hem behaagt.
a. Hij geeft sneeuw als wol, zij wordt bij wol vergeleken om haar witheid, Jesaja 1:18, en haar zachtheid. Stil valt zij neer, en maakt niet meer gedruis dan het vallen van een vlok wol, zij bedekt de aarde en houdt haar warm als een vlies wol, en aldus bevordert zij haar vruchtbaarheid. Zie hoe God werken kan door dingen, die tegenovergesteld zijn aan elkaar, spijs kan voortbrengen uit de eter, en de aarde kan verwarmen door koude sneeuw.
b. Hij strooit de rijm als as, de rijm, die bevroren dauw is, zoals sneeuw en hagel bevroren regen zijn, het ziet er uit alsof as op het gras is gestrooid, en is soms nadelig voor de voortbrengselen van de aarde, en verzengt ze alsof hij hete as was, Psalm 78:47.
c. Hij werpt zijn ijs heen als stukken, hetgeen verstaan kan worden, hetzij van grote hagelstenen, die als ijs in de lucht zijn, of van het ijs, dat de oppervlakte van de wateren bedekt, en dat, als het gebroken is, als stukken of korsten brood is, hoewel het van nature droppelen van drank was.
d. Als wij de vorst zien, de sneeuw en het ijs, dan gevoelen wij ze in de lucht, Wie zal bestaan voor Zijn koude? De dieren kunnen het niet, zij trekken zich terug in hun holen, Job 37:8, en worden dan gemakkelijk vermeesterd, 2 Samuël 23:20. De mensen kunnen het niet, maar zijn genoodzaakt om het voordeel te zoeken van vuur of van bont, of van beide, en die dan nog weinig genoeg zijn waar en wanneer de koude uiterst streng is. Wij zien de oorzaken niet als wij de uitwerkselen gevoelen, en daarom moeten wij haar Zijn koude noemen, zij wordt door Hem gezonden, en daarom moeten wij haar geduldig dragen, en dankbaar zijn voor warme huizen en kleren, en bedden om de strengheid van het jaargetijde draaglijk voor ons te maken, en Hem de eer geven van Zijn wijsheid en vrijmacht, Zijn macht en Zijn getrouwheid, die gezien worden in het winterweer, en dat evenmin als het zomerweer zal ophouden, Genesis 8:12. En laat ons naar aanleiding hiervan zeggen: indien wij niet bestaan kunnen voor de koude van Zijn vorst, hoe zullen wij dan bestaan voor de hitte van Zijn toorn?
B. Ook de dooi is van God. Als het Hem behaagt, zendt Hij Zijn woord en doet ze smelten, vers 18, de vorst, de sneeuw, het ijs, zij worden allen snellijk opgelost, te dien einde doet Hij Zijn wind, de zuiderwind, waaien, en de wateren, de bevroren waren, vloeien weer evenals tevoren. Wij worden ons spoedig bewust van de verandering, maar de oorzaak ervan zien wij niet, wij moeten het daarom toeschrijven aan de eerste oorzaak. En wij moeten er in opmerken, niet alleen de macht van God, dat Hij zo plotseling, zo onmerkbaar, zo groot en algemeen een verandering teweeg kan brengen in de temperatuur van de lucht en in het aanzien van de aarde wat kan Hij niet doen, die dit elke winter, en misschien dikwijls iedere winter, doet? maar ook van de goedheid van God, het strenge weer duurt niet altijd voort, het zou treurig zijn indien dit wel het geval was, Hij twist niet eeuwiglijk, maar vernieuwt het gelaat des aardrijks. Gelijk Hij gedacht aan Noach, en hem bevrijdde, Genesis 8:1, zo gedenkt Hij aan de aarde, Hooglied 2:11, 12. Dit woord hetwelk dooi teweegbrengt, kan het Evangelie van Christus voorstellen, en deze dooi-teweegbrengende wind de Geest van Christus, (want de Geest wordt vergeleken bij de wind, Johannes 3:8, beide worden gezonden om bevroren zielen te doen smelten, bekerende genade zal evenals de dooi, het hart vertederen, dat hard was, het bevochtigen, en het doen smelten in tranen van berouw, Hij maakt goede genegenheden warm, die tevoren verkild en verstijfd waren. De verandering, die de dooi teweegbrengt, is algemeen, en toch gradueel, zij is zeer blijkbaar, en toch is het onverklaarbaar hoe het geschiedt, zodanig is ook de verandering, die door de bekering van een ziel wordt teweeggebracht, als Gods Woord en Geest gezonden worden om haar te smelten en haar tot zichzelve terug te brengen.
III. Voor Zijn onderscheidende gunst jegens Israël, in hun Zijn Woord en Zijn inzettingen te geven, een nog veel kostelijker zegen dan hun vrede en hun overvloed, vers 14, evenals de ziel kostelijker en voortreffelijker is dan het lichaam. Jakob en Israël hadden Gods inzettingen en rechten onder hen, zij waren onder Zijn onmiddellijk bestuur, de burgerlijke wetten van hun volk waren door Hem gemaakt en vastgesteld, hun staatsinrichting was een theocratie, zij waren bevoorrecht met Goddelijke openbaringen, de grote dingen van Gods wet waren voor hen geschreven, zij hadden een priesterschap, ingesteld door God, ingesteld voor de dingen, die bij God te doen zijn, en profeten voor alle buitengewone gelegenheden. Geen ander volk had zulk een zekere grond voor zijn Godsdienst. Dit nu was:
1. Een voorkomende genade. Zij hebben Gods inzettingen en rechten niet zelf uitgevonden of ontdekt maar God maakte Jakob Zijn woorden bekend, en door Zijn woord maakte Hij hun Zijn inzettingen en rechten bekend. Het is voor ieder volk een grote zegen om het Woord Gods te bezitten, het geloof is uit het gehoor en uit het lezen van dat Woord, dat geloof, zonder hetwelk het onmogelijk is Gode te behagen.
2. Een onderscheidende genade, en dieswege zoveel treffender, alzo heeft Hij geen volk gedaan, en wat Zijn rechten betreft, die kennen zij niet en waarschijnlijk zullen zij die niet kennen voordat de Messias komt en de middelmuur des afscheidsels tussen Jood en heiden verbreekt, opdat het Evangelie aan alle creaturen gepredikt zal worden. Andere volken hebben overvloed van uitwendig goede dingen, sommige natiën waren zeer rijk, anderen hadden prachtige machtige vorsten, en bij hen bloeiden geleerdheid en kunst maar geen hunner was gezegend met Gods inzettingen en rechten, zoals Israël het was, laat Israël daarom de Heere loven in de waarneming van deze inzettingen. Heere waarom is het, dat Gij U aan ons wilt openbaren en niet aan de wereld? Ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.