Hooglied 2:8-13
De kerk verlustigt zich hier ten zeerste in de gedachte van nog verder gemeenschap te hebben met Christus, nadat zij van haar zwakheld hersteld is.
1. Zij verheugt zich in zijn nadering, vers 8. Zij hoort Hem spreken, "Dat is de stem van mijn liefste, mij roepende, om mij te zeggen dat Hij komt." Als één van Zijn schapen kent zij Zijn stem, eer zij Hem nog ziet, en kan haar gemakkelijk onderscheiden van die van een vreemde Johannes 10:4, 5, en als een getrouwe vriendin van de Bruidegom verblijdt zij zich met blijdschap om de stem van de bruidegom, Johannes 3:29. Met welk een triomf en gejuich roept zij: "Dat is de stem van mijn liefste, het kan de stem wezen van niemand anders, want niemand buiten Hem kan tot het hart spreken, om dit te doen branden."
A. Ze ziet Hem komen, ziet de gangen van haar God, haar koning, Psalm 68:24. Zie, Hij komt. Dit kan zeer goed toegepast worden op het vooruitzicht, dat de oud-testamentische heiligen hadden op de komst van Christus in het vlees. Abraham heeft van verre zijn dag gezien, en was verblijd. Hoe naderbij de tijd kwam, hoe helderder ontdekkingen ervan gedaan werden, en zij, die uitzagen naar de vertroosting Israëls met het oog van het geloof, zagen Hem komen en verheugden zich in dat gezicht. Zie, Hij komt, want zij hadden Hem horen zeggen: Zie, Ik kom, Psalm 40:8, waaraan hun geloof hier zijn zegel hecht. Zie, Hij komt, zoals Hij beloofd had.
a. Hij komt vrolijk, en met grote snelheid, Hij komt, springende en huppelende als een ree, en als een welp van de herten vers 9, als één die genoegen heeft en vermaak schept in zijn eigen onderneming, en er zijn hart op gezet heeft, en Zijn vermakingen waren met de mensenkinderen. Toen Hij gedoopt stond te worden met de doop des bloeds hoe werd Hij toen geperst totdat het volbracht was! Lukas 12:50.
b. Hij komt, al de moeilijkheden, die op Zijn weg liggen, gering achtende en ze teboven komende, Hij komt, springende over de bergen en huppelende over de hemelen, zo lezen het sommigen, de ontmoedigingen niet tellende, waar Hij doorheen moest gaan. De vloek van de wet, de dood aan het kruis moeten ondergaan worden, met al de machten van de duisternis moet worden gestreden, Naar voor het vastberaden besluit van Zijn liefde worden deze bergen tot vlakten. Welke tegenstand er ook te eniger tijd geboden wordt aan de verlossing van Gods kerk, Christus zal er doorheen breken, zal ze teboven komen.
c. Hij komt haastig, als een ree, als een welp van de herten, zij vonden de tijd lang iedere dag als een jaar maar in werkelijkheid haastte Hij, toen zoals nu, zeker Hij komt haastig, Hij die staat te komen, zal komen en niet toeven. Als Hij komt ter verlossing van Zijn volk, vliegt Hij op een wolk en blijft nooit weg over Zijn tijd, die de beste tijd is. Wij kunnen dit toepassen op particuliere gelovigen, die bevinden dat zelfs wanneer Christus merkbare voorrechten en vertroostingen terughoudt en schijnt hen verlaten te hebben, het toch slechts voor een klein ogenblik is, en dat Hij spoedig zal wederkeren met eeuwige goedertierenheid.
2. Zij verblijdt zich in de blik, die zij van Hem heeft, en in de stralen van Zijn gunst. Hij staat achter ons maar, ik weet dat Hij daar is, want soms ziet Hij door de vensters, of ziet er door naar binnen, en vertoont zich door de traliën. Zo was de toestand van de oud-testamentische kerk terwijl zij in de verwachting was van de komst van de Messias, de ceremoniële wet wordt een middelmuur des afscheidsels genoemd, Efeziers 2:1-4, een deksel 2 Corinthiers 3:13, maar Christus stond achter die muur, zij hadden Hem nabij zich, hoewel zij Hem niet duidelijk konden zien, Hij, die het wezen was, was niet ver van de schaduw, Coloss. 2:17. Zij zagen Hem, kijkende door de vensters van de ceremoniële inzettingen, en glimlachende door de tralies, in hun offeranden en reinigingen ontdekte Christus zich aan hen en gaf hun aanduidingen en onderpanden van Zijn genade, beide om hen aan te sporen en aan te moedigen in hun verlangen naar Hem en naar Zijn komst. Zo is onze toestand in vergelijking met wat hij zijn zal bij Christus wederkomst, thans zien wij Hem door een spiegel in een duistere rede, het lichaam is een muur tussen ons en Hem, door welks vensteren wij nu en dan een gezicht op Hem hebben, maar niet van aangezicht tot aangezicht, zoals wij hopen Hem weldra te zullen zien. In de sacramenten is Christus nabij ons, maar het is achter de muur van uitwendige tekenen, door die traliën openbaart Hij zich aan ons, maar weldra zullen wij Hem zien gelijk Hij is. Sommigen verstaan dit van de staat van een gelovige als hij onder een wolk is, Christus is buiten het gezicht, en toch niet ver weg. Zie Job 34:14 en vergelijk Job 23:8-10. Zij noemt de muur, die tussen haar en haar liefste is onze muur, omdat het zonde is en niets andere die scheiding maakt tussen ons en God, en dat is een muur, die wij zelf hebben opgeworpen, Jesaja 59:1, daar achter staat Hij, als wachtende om genadig te zijn, en gereed en bereid om met ons verzoend te zijn op ons berouw. Dan ziet Hij door het venster naar binnen, beschouwt de gezindheid van ons hart en de werkingen van onze ziel, Hij ziet door het venster, en toont zich door hun vertroosting te schenken, opdat zij op Zijn terugkomst zullen blijven hopen.
3. Zij herhaalt de vriendelijke uitnodiging, die Hij haar had gegeven om met Hem te komen wandelen, vers 10-13. Zij gedenkt aan hetgeen haar liefste tot haar gezegd had, want het had een zeer aangename en krachtige indruk op haar gemaakt, en het woord, dat ons levend heeft gemaakt, zullen wij nooit vergeten. Zij vertelt het tot aanmoediging van anderen, hun vertellende wat Hij aan haar ziel gezegd en gedaan heeft, Psalm 66:16.
A. Hij noemde haar Zijn vriendin, Zijn schone, wat zij ook moge wezen voor anderen, voor Hem is zij aangenaam, en in Zijn ogen is zij beminnelijk. Zij, die Christus aannemen voor hun liefste, zullen door Hem erkend worden als de Zijnen, nooit was liefde verloren of verspild, die aan Christus werd gegeven. Door Zijn liefde uit te drukken voor de gelovigen, nodigt Christus hen om Hem te volgen, en moedigt hen daartoe aan.
B. Hij riep haar om op te staan en te komen, vers 10, en wederom, vers 13. De herhaling geeft achterlijkheid in haar te kennen, (wij hebben het nodig om dikwijls geroepen te worden om te komen tot Jezus Christus, gebod op gebod, en regel op regel) maar het geeft vurigheid te kennen in Hem, zozeer is Zijn hart gezet op het welzijn van kostelijke zielen, dat Hij hen dringt tot hetgeen goed voor hen is.
C. Als reden gaf Hij het weerkeren van de lente op en de lieflijkheid van het weer, hetgeen sierlijk beschreven wordt in een grote verscheidenheid van uitdrukkingen.
a. De winter is voorbij de donkere, koude en onvruchtbare winter, de lange en harde winters waren ten slotte voorbij, zij duren niet eeuwiglijk. En de lente zou zo aangenaam niet zijn als zij is, indien zij niet volgde op de winter, als een tegenhanger van haar schoonheid, Prediker 7:14. Het gelaat van de hemel noch dat van de aarde is altijd hetzelfde, maar is onderworpen aan voortdurende wisselvalligheid, dagelijkse en jaarlijkse. De winter is voorbij, maar niet voorbij voor altijd, hij zal terugkomen, en wij moeten er voor voorzien in de zomer, Spreuken 6:6, Wij moeten wenen in de winter en ons verblijden in de zomer, als niet wenende en als niet blij zijnde, want beide gaan voorbij. b. De plasregen is over, hij is overgegaan, de winterregen, de koude, stormachtige regen is nu voorbij, en de dauw is als de dauw van de kruiden. Zelfs de regen, die de wereld heeft overstroomd, was ten slotte voorbij Genesis 8:1-3, en God heeft beloofd, de aarde niet meer door een algemene overstroming te verwoesten, hetgeen een type en afschaduwing was van het verbond van de genade, Jesaja 54:9.
c. De bloemen worden gezien in het land. De hele winter zijn zij dood en begraven in haar wortels, en er is geen teken van ze, maar in de lente herleven zij, en vertonen zij zich in een verwonderlijke verscheidenheid, en gelijk de dauw, die ze voortbrengt, die naar geen mens wacht, Micha 5:6. Zij verschijnen, maar spoedig zullen zij weer verdwijnen, en hierin is de mens gelijk de bloem des velds, Job. 14:2.
d. De zangtijd genaakt. De vogeltjes, die de gehele winter in hun schuilhoeken verborgen waren, en nauwelijks nog leven als de lente weerkeert, vergeten al de rampen van de winter, en zingen naar hun beste vermogen de lof van hun Schepper. Hij, die de vogelen verstaat, als zij in hun nood tot Hem roepen, Psalm 147:9, neemt ongetwijfeld ook nota van hen, die zingen van vreugde, Psalm 104:3. Het zingen van de vogels kan ons beschamen als wij zwijgen van Gods lof, ons, die, beter gevoed zijn dan zij, Mattheus 6:26, en beter onderwezen, Job 35:11, en van meer waarde zijn, daar wij vele musjes teboven gaan. Zij leven zonder overmatig bezorgd te zijn, Mattheus 6:26, en daarom zingen zij, terwijl wij murmureren.
e. De stem van de tortelduif wordt gehoord in ons land, zij is één van de vogels van het jaargetijde, vermeld in Jeremia 8:7, die de tijd opmerken van hun komst, en de tijd van hun zingen, en aldus ons beschamen die het recht des Heeren niet weten, de tijden niet verstaan, noch datgene doen wat schoon is op zijn tijd, in de zangtijd niet zingen.
f. De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, waaraan wij weten dat de zomer nabij is, Mattheus 24:32, wanneer de jonge vijgjes rijpe vijgen zullen zijn en geschikt om genuttigd te worden, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. De aarde brengt niet slechts bloemen voort, vers 12, maar vruchten, en de reuk van de vruchten, die nuttig zijn is verre te verkiezen boven de reuk van de bloemen, die alleen voor de uiterlijke schijn en voor vermaak zijn. Men zegt dat slangen verjaagd worden door de reuk van wijnstokken, en wie de oude slang is en wie de ware wijnstok is weten wij zeer wel.
Deze beschrijving nu van de terugkerende lente als een reden om op te staan en tot Christus te komen, is van toepassing:
Ten eerste. Op de inleiding van het evangelie in de plaats van de oud-testamentische bedeling, gedurende welke het wintertijd is geweest voor de kerk. Christus Evangelie verwarmt hetgeen koud is, maakt datgene vruchtbaar, hetwelk tevoren dood en onvruchtbaar was, als het tot enigerlei plaats komt, brengt het schoonheid en heerlijkheid aan die plaats, 2 Corinthiers 3:7, 8 en geeft aan de leraren reden tot blijdschap. De lente is een aangename tijd en dat is ook de evangelietijd, zie Psalm 96:l. Sta dan op en gebruik deze lentetijd, kom weg van de wereld en het vlees, kom in gemeenschap met Christus, 1 Corinthiers 1:9.
Ten tweede. Op de verlossing van de kerk van de macht van vervolgende vijanden, en de herstelling van vrijheid en vrede voor haar na een strenge winter van lijden en bedwang. Als de stormen van beroering en benauwdheid voorbij zijn, als de stem van de tortelduif, het blijde geklank van het evangelie van Christus weer gehoord wordt en de inzettingen in vrijheid bijgewoond kunnen worden, sta dan op en kom om van dit gelukkige tijdperk gebruik te maken. Wandel in het licht des Heeren, zing op de weg des Heeren toen de gemeenten vrede hadden werden zin gesticht. Handelingen 9:31.
Ten derde. Op de bekering van zondaars van de natuurlijke staat tot de staat van de genade, die gezegende verandering is als het weerkeren van de lente, het is een algemene verandering en een zeer aangename, het is een nieuwe schepping, het is wedergeboren worden. De ziel, die hard en koud en bevroren was, en onnut zoals de aarde in de winter, wordt vruchtbaar zoals de aarde in de lente, en evenals zij, brengt zij haar vruchten trapsgewijze tot volkomenheid. Deze gezegende verandering is zuiver en alleen te danken aan de nadering en de invloeden van de Zon van de gerechtigheid, die van de hemel tot ons roept om op te staan en te komen, kom, en vergader in de zomer.
Ten vierde. Op de vertroostingen van de heiligen na een staat van inwendige gedruktheid en moedeloosheid. Een kind van God onder twijfel en vrees is als de aarde in de winter, zijn nachten zijn lang, zijn dagen donker, goede neigingen zijn verkild, er wordt niets gedaan, niets verkregen, de hand is verzegeld. Maar er zal weer lieflijkheid, vertroosting komen, de vogels zullen weer zingen en de bloemen ontluiken, sta dan op, arme, kwijnende ziel, en kom tot uw Liefste. Sta op, schudt u uit het stof, Jesaja 52:2. Maak u op, word verlicht, want uw licht komt, Jesaja 60:1, wandel in dat licht, Jesaja 2, 5.
Ten vierde. Op de opstanding van het lichaam op de laatste dag en de heerlijkheid, die geopenbaard zal worden. De beenderen, die in het graf lagen zoals de wortels van de planten des winters in de grond liggen, zullen groenen als het tere gras, Jesaja 66:14, 26:19. Dat zal een eeuwig vaarwel zijn aan de winter, en een blijde ingang tot een eeuwige lente.