Psalm 144:9-15
De methode in dit laatste gedeelte van de psalm is gelijk aan die in het eerste, eerst geeft hij eer aan God, en dan smeekt hij genade en zegeningen van Hem af.
I. Hij looft God voor de ervaringen, die hij heeft gehad van Zijn goedertierenheid jegens hem, en de aanmoediging, die hij heeft om nog verdere goedertierenheid van Hem te verwachten, vers 9, 10. Temidden van zijn klachten over de macht en de valsheid van zijn vijanden is hier een heilig juichen in zijn God, O God ik zal U een nieuw lied zingen, een loflied voor nieuwe goedertierenheden, voor de barmhartigheden, die geen einde hebben. Nieuwe gunsten roepen tot nieuwe dankzeggingen, ja wij moeten God danken voor de zegeningen, op welke wij hopen door Zijn belofte, zowel als voor die, welke wij ontvangen hebben door Zijn voorzienigheid, 2 Kronieken 20, 20, 21. Hij zal zijn lofliederen begeleiden door muziek, om zijn heilige blijdschap in God uit te drukken en haar nog meer op te wekken, hij zal God loven met een tiensnarig instrument, op de beste wijze achtende dat alles nog weinig genoeg is om de lof van God te verkondigen. Hij zegt ons wat dit nieuwe lied zijn zal, vers 10. Hij is het, die de koningen verlossing geeft. Dit geeft te kennen:
1. Dat grote koningen niet zichzelf kunnen verlossen zonder Hem. Koningen hebben hun lijfwachten, hebben over legers te gebieden, en hebben alle middelen om zich te beveiligen, die men kan bedenken, maar met dat al is het toch God, die hun verlossing en heil geeft, en hen beveiligt door die middelen, welke Hij niet nodig heeft, Hij zou hen ook zonder deze verlossing kunnen geven, Psalm 33:16. Koningen zijn de beschermers van hun volk maar het is God, die hun beschermer is. Hoe veel dienst zijn zij Hem dan niet verschuldigd met hun macht, die hun al hun heil geeft!
2. Dat goede koningen, die Zijn dienstknechten zijn ten goede voor hun onderdanen, door Hem beschermd en verlost zullen worden. Hij heeft zich verbonden om heil te geven aan die koningen, die Zijn onderdanen zijn en voor Hem regeren, getuigen de grote dingen, die Hij gedaan heeft voor David, Zijn knecht, die Hij menigmaal ontzet heeft van het boze zwaard, waaraan Sauls boosaardigheid en zijn eigen ijver in de dienst van zijn land hem dikwijls blootgesteld heeft. Dit kan zien op Christus, de Zone Davids, en dan is het in waarheid een nieuw lied, een Nieuw- Testamentisch lied, God heeft Hem verlost van het boze zwaard, Hem ondersteund als Zijn knecht, en Hem tot overwinnaar gesteld over al de machten van de duisternis, Jesaja 42:1, 49:8. Aan Hem heeft Hij heil en verlossing gegeven, niet alleen voor Hemzelf maar voor ons, Hem verwekkende om een hoorn der zaligheid te zijn.
II. Hij bidt om het voortduren van Gods gunst, vers 11.
1. Dat hij van de openbare vijanden verlost mocht worden, vers 11. Hier herhaalt hij zijn gebed en pleitgrond van vers 7, 8. Zijn vervolgers waren nog van dezelfde aard, vals en verraderlijk, die een eerlijk man gewis zullen bedriegen en hem te sterk zullen zijn. "Daarom, Heere, verlos Gij mij van hen, want het is een vreemd soort mensen."
2. Dat hij de openbare vrede en voorspoed mocht zien. "Heere, geef ons de overwinning opdat wij rust hebben, die wij nooit zullen hebben zolang het in de macht van onze vijanden is om ons kwaad te doen." Als koning spreekt David hier de ernstige begeerte uit naar het welzijn van zijn volk, waarin hij een type was van Christus, die krachtigdadiglijk en afdoend voorziet in het goede voor Zijn uitverkorenen. Wij hebben hier:
A. De bijzondere omschrijving van de algemene voorspoed, die David voor zijn volk begeert.
a. Een veelbelovend kroost, vers 12.
Dat onze zonen en dochteren alles zullen zijn wat wij hen wensen te zijn." Hij bedoelt niet alleen die van zijn eigen gezin, maar die van zijn onderdanen, die het zaad zijn van het volgende geslacht. Het draagt zeer veel bij tot het geluk van ouders in deze wereld, om hun kinderen in goede omstandigheden te zien.
Ten eerste. Het is aangenaam om onze zonen te zien als planten, welke groot geworden zijn in hun jeugd, als olijfplanten, Psalm 128:3, de planting des Heeren, Jesaja 61:3, hen te zien als planter, niet als onkruid, niet als doornen, hen te zien als planten, die groeien en bloeien, niet verdord of verzengd zijn, hen gezond van lichaamsgestel te zien, met een vlugge bevatting en neigingen tot Godsvrucht, en die waarschijnlijk in hun dag Gode vrucht zullen toebrengen, hen te zien in hun jeugd, hun groeitijd, toenemende in alles wat goed is, wijzer en beter wordende, totdat zij sterk zijn in de geest.
Ten tweede. Niet minder begerenswaardig is het, onze dochters te zien als hoekstenen, of hoekpilaren, uit gehouwen naar de gelijkenis van een paleis of tempel. Door dochters worden families verbonden en aan elkaar verwant tot hun wederzijdse sterkte, zoals de delen van een gebouw aan elkaar verbonden worden door de hoekstenen, en als zij beide naar lichaam en ziel schoon en bevallig zijn, dan zijn ze uitgehouwen, of gepolijst naar de gelijkenis van een schoon en sierlijk gebouw. Als wij onze dochters goed gevestigd zien, gesteund door wijsheid en voorzichtigheid, als wij haar door het geloof verbonden zien aan Christus als de hoofdsteun versierd met de genadegaven van Gods Geest die polijsten hetgeen van nature ruw is, vrouwen zien worden, die de Godzaligheid belijden, als wij haar gereinigd en Gode geheiligd zien als levende tempelen, dan achten wij ons gelukkig in haar.
b. Grote overvloed. Talrijke gezinnen vermeerderen misschien meer de zorg dan het vermaak of genot, als er niet genoeg is om ze te onderhouden, en daarom bidt hij om toeneming van de welvaart met de toeneming van het gezin.
Ten eerste. Dat hun voorraadschuren wel gevuld zullen zijn met de vruchten en voortbrengselen van de aarde, dat onze winkelen vol zijn, zoals die van de goede heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbracht, de dingen, die nieuw het beste zijn heeft hij in deze staat, die welke het best zijn, als zij bewaard worden, heeft hij in die staat, zodat zij de ene voorraad na de anderen uitgeven, ze hebben voor onszelf en voor onze vrienden, opdat wij in overvloed levende, toch niet in weelde leven, want dan misbruiken wij onze overvloed, maar blijmoedig en nuttig leven, opdat wij, overvloed hebbende dankbaar zullen zijn aan God, edelmoedig zullen zijn voor onze vrienden, en barmhartig, milddadig jegens de armen, immers, waartoe zou het anders dienen onze voorraadschuren vol te hebben? Jakobus 5:3. Ten tweede. Dat hun vee grotelijks zou toenemen, dat onze kudden bij duizenden werpen, ja bij tienduizenden op onze hoeve vermenigvuldigen. Veel van de rijkdom van hun land bestond in hun kudden, Spreuken 27:26, hetzelfde kan ook van onze rijkdom gezegd worden, want anders zou wol niet het voornaamste voortbrengsel van ons land zijn. De toeneming van ons vee is een zegen, waarin God erkend moet worden.
Ten derde. Dat hun dieren, die voor arbeid bestemd zijn, er geschikt voor zullen wezen. Dat onze ossen sterk zijn om te arbeiden in het ploegen, dat zij vol en vlezig zijn, naar de lezing van sommigen, in goede toestand om te werken. Niemand van ons is gemaakt om lui en ledig te zijn en daarom moeten wij bidden om gezondheid voor het lichaam, niet dat wij op ons gemak en voor ons genoegen kunnen leven, maar sterk mogen zijn om te arbeiden, opdat wij het werk doen van onze plaats en onze dag, want anders zijn wij erger dan de dieren, immers, als deze sterk zijn, dan is het om te arbeiden.
c. Een ongestoorde vrede.
Ten eerste. Dat er geen oorlog zij. Dat er geen inbreuk, geen inval zij van buitenlandse vijanden, noch een uitval of uitgang zij van deserteurs. Laat onze vijanden geen invallen bij ons doen, en laat het niet nodig zijn dat wij uitgaan om tegen hen te strijden. Oorlog, hetzij die ten aanval of ter verdediging wordt gevoerd, brengt vele en velerlei rampen teweeg.
Ten tweede. Dat er geen verdrukking noch verdeeldheid zij, geen klachten in onze straten, vers 14, dat het volk geen reden hebbe tot klagen, hetzij over hun regering, of over elkaar, noch zo gemelijk zij om zonder reden te klagen. Het is begerenswaardig om aldus rustig en vreedzaam te kunnen wonen.
B. Zijn opmerking naar aanleiding van deze beschrijving van de voorspoed des volks, die hij zozeer begeerde, vers 15. Welgelukzalig is het volk, die het alzo gaat, maar zo is het zelden, en nooit lang, welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is. Van de betrekking eens volks tot God als hun God wordt hier gesproken hetzij:
a. als van hetgeen, dat de fontein is waaruit al die zegeningen voortkomen. Welgelukzalig zijn de Israëlieten, indien zij getrouw blijven aan de Heere als hun God, want dan kunnen zij verwachten dat het hun alzo gaan zal. Nationale Godsvrucht zal gewoonlijk nationale voorspoed teweegbrengen, want natiën als zodanig, in hun nationale hoedanigheid, zijn alleen voor beloningen en straffen vatbaar in dit leven. Of,
b. Hetgeen verre boven al deze genietingen te verkiezen is. De psalmist begon met te zeggen wat de meesten zeggen: Welgelukzalig is het volk, dat het alzo gaat, zij zijn gezegend, die voorspoed hebben in de wereld, maar terstond verbetert hij zijn uitspraak, ja veeleer: welgelukzalig is het volk diens God de Heere is, dat Zijn gunst, Zijn liefde en genade heeft naar de inhoud van het verbond, al is het ook dat zij geen overvloed hebben van het goede van deze wereld. Gelijk dit alles en nog veel meer ons niet gelukkig kan maken, tenzij de Heere onze God is, zo kan, indien Hij onze God is, het gebrek er aan, of het verlies erven, ja het tegenovergestelde er van ons niet rampzalig maken.