Psalm 144:1-8
I. David erkent zijn afhankelijkheid van God en zijn verplichtingen aan Hem, vers 1, 2. Een gebed om verdere goedertierenheid begint zeer gepast met dankzegging voor vroegere zegeningen, en als wij op God wachten om ons te zegenen, dan moeten wij onszelf opwekken om Hem te zegenen.
Hij geeft God de eer voor twee dingen.
1. Voor hetgeen Hij voor hem was. Gezegend zij de Heere, mijn rotssteen, vers 1, mijn goedertierenheid en mijn burg, vers 1. Hij heeft zich in het verbond verbonden om dit te zijn, en ons aangemoedigd om dienovereenkomstig op Hem te steunen. Al de heiligen, die Hem door het geloof tot de hunne gemaakt hebben, hebben bevonden dat Hij niet alleen aan hun verwachtingen beantwoordt, maar ze overtreft. David spreekt er hier van als de reden van zijn vertrouwen, als hetgeen hem gerust deed zijn, en als de oorzaak van zijn blijdschap, en hetgeen waarin hij roemde. Zie hoe hij de woorden vermenigvuldigt om uitdrukking te geven aan zijn voldoening in God en van zijn deel in Hem.
a. "Hij is mijn sterkte op wie ik steun, en van wie ik kracht erlang beide voor mijn werk en voor mijn strijd, mijn rotssteen om op te bouwen, en om een toevlucht in te vinden." Zelfs als wij zwak zijn, kunnen wij krachtig zijn in de Heere en in de sterkte van Zijn macht.
b. Mijn goedertierenheid, niet slechts goed voor mij, maar mijn hoogste goed, in wiens gunst ik mijn gelukzaligheid vind, en die de oorsprong is van alle goedheid, die in mij is, en van wie alle goede gave en alle volmaakte gift komt."
c. "Mijn burg en mijn hoog vertrek, in wie ik mij even veilig acht als een vorst in zijn kasteel of zijn versterkte plaats." David had vroeger een toevlucht gevonden in vestingen te Engedi 1 Samuël 23:29, die misschien natuurlijke sterkten waren. Nu onlangs had hij zich meester gemaakt van de burg Zion, die versterkt was door kunst, en hij woonde in de burg, 2 Samuël 5:7, 9, maar daar steunde of vertrouwde hij niet op. "Heere," zegt hij, "Gij zijt mijn burg en mijn hoog vertrek." De Goddelijke eigenschappen en beloften zijn sterkten voor de gelovige, die natuurlijke sterkten of door kunst gemaakte sterkten ver overtreffen.
d. Mijn bevrijder, en zoals het in het oorspronkelijke met nadruk is: mijn bevrijder voor mij "niet slechts een bevrijder aan wie ik deel heb maar die mij altijd nabij is, en al mijn verlossingen tot mijn wezenlijk voordeel doet zijn."
e. "Mijn schild, om mij te beschutten tegen de boze pijlen, die mijn vijanden op mij afschieten, niet slechts mijn burg in mijn eigen land, maar mijn schild daarbuiten, op het oorlogsveld." Waar een gelovige ook heengaat, overal draagt hij zijn bescherming met zich. Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild.
2. Wat Hij voor hem gedaan heeft.
a. Hij was opgeleid om een schaapherder te zijn, en schijnt noch door zijn ouders, noch door hemzelf, voor iets anders bestemd te zijn geweest. Maar God had hem tot een krijgsman gemaakt, zijn handen waren gewoon de herdersstaf te hanteren en zijn vingeren om de harp te tokkelen, maar God onderwees zijn handen ten krijg en zijn vingeren ten oorlog, omdat Hij hem bestemde om Israëls kampioen te zijn, en waar God de mensen toe roept, daarvoor vindt Hij hen of maakt Hij hen bekwaam. Laat krijgslieden Gode de eer geven voor al hun militaire bekwaamheid, Hij, die de geringste landman leert van de wijze, waarop hij zijn beroep moet uitoefenen, onderwijst de grootste veldheer zijn krijgskunde. Het is te betreuren dat iemand, wiens vingers God ten strijde heeft geleerd tegen Hem strijdt en tegen Zijn koninkrijk onder de mensen. Diegenen hebben bijzondere reden om God met dankbaarheid te erkennen, die blijken bekwaam te zijn tot diensten waaraan zij zelf nooit gedacht zouden hebben.
b. God had hem tot een soevereine vorst gemaakt, had hem geleerd de scepter te voeren zowel als het zwaard te hanteren, te heersen zowel als te strijden, de moeilijker en edeler kunst van de twee. Hij onderwerpt mijn volk aan mij. De voorzienigheid Gods moet erkend worden in het onderworpen maken van het volk aan hun vorst, waardoor orde en welvaart in samenleving bewaard blijven. Er was inzonderheid de hand Gods in, dat het volk van Israël geneigd was om aan David onderworpen te zijn, ingevolge de belofte, die God hem gedaan had, en dat was een afschaduwing van die grote daad van de Goddelijke genade: het brengen van zielen tot onderworpenheid aan de Heere Jezus, waardoor zij gewillig gemaakt worden ten dage van zijn heirkracht.
II. Hij bewondert Gods nederbuigende goedheid jegens de mens en in het bijzonder jegens hemzelf, vers 3, 4. "O Heere, wat is de mens, welk een arm, zwak schepsel is hij dat Gij hem kent, dat Gij hem acht, dat hij zo onder Uw kennis en zorg is, dat Gij tederlijk acht slaat op een van dat onwaardig, nietig geslacht, zoals Gij op mij acht hebt geslagen." In aanmerking genomen de velerlei schande, die op het mensdom ligt, hebben wij reden om de eer te bewonderen, die God aan het mensdom in het algemeen heeft aangedaan, aan sommigen van hen, aan de heiligen, op zeer bijzondere wijze, zoals aan David, en aan de Messias, op wie deze woorden worden toegepast, Hebreeën 2:6, die daarom uitermate verhoogd was, omdat Hij zichzelf vernederd heeft, om in gedaante gevonden te worden als een mens, en Hem macht heeft gegeven ook gericht te houden, omdat Hij des mensen zoon is. Een dergelijke vraag doet David in Psalm 8:5, en daar geeft hij een verklaring of opheldering van het wonder door de gedachte aan de grote waardigheid, die God op de mens gelegd heeft: met eer en heerlijkheid hebt Gij hem gekroond, vers 6. Hier stelt hij het in het licht door te wijzen op de nietigheid en sterflijkheid van de mens, in weerwil van de waardigheid, die op hem gelegd is, vers 4. De mens is der ijdelheid gelijk, hij is zo broos, zo zwak, zo hulpeloos, door zo velerlei zwakheden omvangen, en zijn verblijf hier is zo kort en onzeker, dat hij geheel en al der ijdelheid gelijk is. Ja, hij is de ijdelheid zelf, hij is dit in zijn beste toestand. In zijn dagen is weinig substantie, in aanmerking genomen hoevele gedachten en zorgen door de onsterflijke ziel aan het arme sterflijke lichaam worden gewijd, zij zijn als een voorbijgaande schaduw, duister en voorbijgaande, eindigende met de zon en als deze ondergaat zich oplossende in schaduw. Zij zijn als een schaduw, die voorbijgaat, en er is niets aan verloren. David rangschikt zichzelf onder hen, die aldus gering en verachtelijk zijn.
III. Hij bidt God hem te versterken en voorspoed te geven tegen de vijanden, die hem hebben aangevallen, vers 5-8. Hij zegt niet wie zij waren, voor wie hij vreesde, maar zegt: Verstrooi hen, verdoe hen. God wist wie hij bedoelde, al heeft hij hen niet genoemd. Maar naderhand beschrijft hij hen, vers 7, 8. Het zijn vreemden, slechte naburen van Israël, heidenen voor wie hij verplicht was vreemd te zijn, en met wie hij geen verbond mocht sluiten, en die zich daarom vreemd gedragen jegens ons. Niettegenstaande de voorspoed, waarmee God Davids wapenen tegen hen gezegend had, waren Zij toch kwellend en verraderlijk, mensen, in wie men geen vertrouwen kon stellen, men kan niet aan op hun woord, want hun mond spreekt leugen, ja, als zij er de hand op geven of u de hand bieden om u te helpen, dan zijn zij niet te vertrouwen, want hun rechterhand is een rechterhand der valsheid. Tegen de zodanigen kunnen wij ons niet verdedigen, maar wij kunnen vertrouwen op de God van de waarheid en gerechtigheid, die de leugen haat om ons tegen hen te verdedigen.
1. David bidt dat God zal verschijnen, iets buitengewoons zal doen ter overtuiging van hen die aan hun drekgoden de voorkeur gaven boven de God Israëls, vers 5. Neig Uw hemelen, Heere, en maak het duidelijk, dat zij inderdaad Uwer zijn, dat Gij er de Heere van zijt Jesaja 64:1. Laat Uw voorzienigheid mijn vijanden dreigen, hen donker aanzien zoals de wolken donker en dreigend de aarde aanzien als zij zwaar zijn en laag hangen, zwanger zijn van een storm. Strijd tegen hen, die strijden tegen ons, zodat het duidelijk blijkt dat Gij voor ons zijt. Raak de bergen aan, onze sterke, statige vijanden, dat zij roken. Openbaar U door de dienst van de engelen, zoals Gij op de berg Sinai gedaan hebt.
2. Dat Hij tegen zijn vijanden zou verschijnen, dat Hij tegen hen van de hemel zou strijden, zoals Hij soms gedaan heeft door bliksemen, die Zijn pijlen zijn, Zijn vurige pijlen, tegen welke het hardste stalen harnas niet bestand is, zo alles doordringend is de kracht van de bliksem, dat Hijzelf deze pijlen zou afschieten, die, daarvan zijn wij zeker, het doel nimmer missen zal. Dat Hij verschijnen zou voor hem, vers 7. Hij bidt om hun verderf, ter bevordering van zijn eigen verlossing en de rust van zijn volk. "Steek Uw hand, zend Uw macht, van de hoogte uit, want daarheen zien wij uit naar hulp, ontzet mij, en ruk mij uit deze grote wateren, die op het punt zijn van mij te overstelpen." Gods tijd om Zijn volk te hulp te komen, is als zij verzinken en alle andere hulp faalt.