Psalm 143:1-6
I. Hier bidt David nederig om gehoord te worden, vers 1, niet alsof hij er aan twijfelde, maar hij begeerde het vurig en was er in zorg over, want zijn gebed opgezonden hebbende, blikte hij het na om te zien hoe het zou slagen Habakuk 2:1. Hij is een smekeling bij zijn God, en hij bidt dat hem wat hij vraagt toegestaan zal worden. Hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen. Hij tekent beroep aan tegen zijn vervolgers, en hij bidt dat zijn zaak onderzocht zal worden, en dat God er uitspraak in zal doen naar Zijn waarheid en naar Zijn gerechtigheid, als de rechter en beoordelaar van recht en onrecht. Of, verhoor mijn smekingen naar Uw waarheid, naar de beloften die Gij hebt gedaan, en waaraan Gij recht zult doen. Wij hebben geen gerechtigheid van onszelf om op te pleiten, en daarom moeten wij pleiten op Gods gerechtigheid, het woord van de belofte, dat Hij ons vrijwillig gegeven heeft, en waarop Hij ons heeft doen hopen.
II. Hij bidt ootmoedig dat er niet naar streng recht met hem gehandeld zal worden, vers 2. Hij schijnt hiermede zijn pleitrede in vers 1 verhoor mij naar Uw gerechtigheid, zo niet te verbeteren, dan toch te verklaren. "Ik bedoel," zegt hij, De rechtvaardige beloften van het Evangelie, niet de rechtvaardige bedreigingen van de wet, indien ik verhoord word naar de gerechtigheid van dit verbroken verbond van de staat van de onschuld, dan ben ik volkomen verloren", en daarom:
a. Is zijn bede: "Ga niet in het gericht met Uw knecht, handel niet met mij naar streng recht, zoals ik verdien dat er met mij gehandeld wordt." In dit gebed moeten wij erkennen Gods dienstknechten te zijn, gehouden en verplicht om Hem te gehoorzamen, aan Hem verantwoordelijk te zijn en zeer begerig om Zijn gunst te verkrijgen, en wij moeten ons Hem welbehaaglijk maken. Wij moeten erkennen dat wij dikwijls tegen Hem overtreden hebben, tekort zijn gekomen in onze plicht jegens Hem, dat Hij rechtvaardiglijk een onderzoek zou kunnen instellen naar onze overtredingen, en overeenkomstig de wet tegen ons zou kunnen handelen, en dat, indien Hij dit deed het oordeel, de uitspraak, gewis tegen ons zou zijn. Wij hebben generlei recht om wijziging van die uitspraak te eisen, het recht moet zijn loop hebben, het vonnis ten uitvoer worden gebracht, en dan zijn wij verloren. Maar wij moeten ons bemoedigen met de hoop dat er genade en vergeving is bij God, en Hem vurig bidden om het voordeel, de weldaad dier goedertierenheid. Ga niet in het gericht met Uw knecht, want Uw knecht gaat in het gericht met zichzelf, en indien wij onszelf oordelen dan zullen wij niet geoordeeld worden.
b. Zijn pleitrede is: niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn, want niemand kan op onschuld pleiten, noch op enigerlei gerechtigheid voor hemzelf, het zij dat hij niet gezondigd heeft, of dat hij niet verdient te sterven van zijn zonden, of dat hij van zichzelf enigerlei genoegdoening kan aanbieden ja indien God in het gericht met ons treedt zullen wij Hem niet een uit duizend kunnen antwoorden, Job 9:3, 15:20. Eer David om de wegneming van zijn leed bidt, bidt hij om de vergeving van zijn zonde, en daarvoor vertrouwt hij zuiver en alleen op genade.
III. Hij klaagt over de overmacht van zijn vijanden over hem, vers 3. "Saul, deze grote vijand, heeft mijn ziel vervolgd, mijn leven gezocht met rusteloze vijandschap en boosaardigheid, en hij is zo ver gegaan met zijn vervolging, dat hij mijn leven vertreedt ter aarde, hoewel ik nog niet onder de aarde ben, ben ik toch ter aarde neergeworpen, en dat is er dus het naaste aan toe, hij heeft mij genoodzaakt om in duisternis te wonen, vers 3, niet slechts in duistere spelonken, maar in duistere gedachten, en sombere angsten, in wolken van neerslachtigheid, hulpeloos en hopeloos als degenen, die over lang dood zijn. Heere, laat mij genade vinden bij U, want ik vind geen genade bij de mensen. Zij veroordelen mij, maar, Heere, veroordeel Gij mij niet. Ben ik niet een voorwerp van medelijden voor U, geschikt om verdedigd te worden, en is mijn vijand niet een voorwerp van Uw misnoegen, geschikt om tegen opgetreden te worden?
IV. Hij betreurt de gedruktheid van zijn geest, die door zijn uitwendig leed veroorzaakt is, vers 4. Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, en ben ik schier in wanhoop gedompeld als er van buiten strijd en van binnen vrees is, en deze vrees een nog groter tiran is dan Saul zelf, en niet zo gemakkelijk te ontlopen. Het is soms het lot van de beste mensen, dat hun geest voor een tijd schier overstelpt is in hen en hun hart mistroostig is, en ongetwijfeld is dit hun zwakheid. David was niet slechts een groot heilige, maar een groot krijgsman, en toch was zelfs hij soms op het punt om in de dag des tegenspoeds te bezwijken. Huilt, gij dennen, dewijl de cederen gevallen zijn.
V. Hij neemt de geschikte middelen te baat ter verruiming van zijn ontroerd gemoed. Hij had geen krachten om ze te verzamelen tegen de verdrukking van de vijand, maar als hij van niets anders bezit kan houden, dan zal hij toch doen wat hij kan om bezit te houden van zijn ziel en innerlijke vrede te bewaren. Te dien einde
1. Ziet hij terug, en gedenkt aan de dagen van ouds, vers 5, aan Gods vroegere verschijningen voor Zijn verdrukt volk, en in het bijzonder voor hem. Het is voor het volk van God dikwijls een verlichting geweest als zij in druk waren, om te denken aan de wonderen, waarvan hun vaders hun verteld hebben, Psalm 77:6, 12.
2. Hij ziet rond, en let op de werken van God in de zichtbare schepping, en Gods regering van de wereld door Zijn voorzienigheid. Ik overleg al Uw daden. Velen zien ze, maar zien er de voetstappen niet in van Gods wijsheid, macht en goedheid, en daarom ontvangen zij er het voordeel, het goede niet van, dat zij ervan ontvangen konden, omdat zij ze niet bepeinzen, niet overleggen, zij verwijlen niet bij dat rijke onderwerp, maar stappen er van af, alsof zij het uitgeput hadden, als zij er nog nauwelijks aan begonnen zijn, ik peins over, of ik spreek bij mijzelf over de werken Uwer handen, hoe groot, hoe goed zij zijn! Hoe meer wij nadenken over de macht van God, hoe minder wij het aangezicht of de kracht van de mens zullen vrezen, Jesaja 51:12, 13.
3. Hij ziet met vurige begeerten op tot God en Zijn gunst, vers 6. Ik breid mijn handen uit tot U, als een, die om een aalmoes vraagt en vol verwachting is iets groots te zullen ontvangen, gereed staande om het aan te grijpen en het welkom te heten. Mijn ziel dorst naar U, is voor U zo luidt het oorspronkelijke geheel voor U, zij is als een dorstig land, dat dor en droog zijnde door overmatige hitte, smacht naar regen. Zo behoef ik, zo smeek ik de steun en de verkwikking van de Goddelijke vertroostingen onder mijn beproevingen, en niets anders kan mij verlichting schenken. Dat is het beste wat wij kunnen doen als onze geest in ons overstelpt is, en met recht bezwijken diegenen onder hun last, die dit gerede middel niet willen aanwenden om zich verlichting te verschaffen.