Psalm 140:9-14
Hier is Davids gelovig voorzien:
I. Dat de vervolgers beschaamd en te schande gemaakt zullen worden.
1. Hun teleurstelling, daar bidt hij om, vers 9, dat hun lusten niet bevredigd zullen worden, hun lust van eerzucht, afgunst en wraakzucht. "Geef, Heere, de begeerten des goddelozen niet, maar stel hem er in teleur, laat hen het niet zien dat mijn invloed teniet gaat dat zij zo vurig begeren te zien, maar hoor de stem mijner smekingen. Hij bidt dat hun plannen niet tot uitvoering zullen komen, maar zullen mislukken, bevorder zijn kwaad voornemen niet, laat Gods voorzienigheid geen van zijn plannen begunstigen, maar die dwarsbomen, laat zijn kwaad voornemen geen voortgang hebben, houd zijn raderen tegen, houd hem staande op de weg." Aldus moeten wij bidden tegen de vijanden van Gods volk, dat zij in hun ondernemingen niet zullen slagen. Zo was Davids gebed tegen Achitofel, dat God zijn raad tot zotheid zou maken. De pleitgrond is: dat zij zich anders zouden verheffen, zich zouden laten voorstaan op hun voorspoed, alsof die een bewijs was dat God hen heeft begunstigd. Als trotse mensen voorspoed hebben, worden zij nog trotser, gedragen zij zich onbeschaamder tegenover God en nog beledigender tegenover Zijn volk. En daarom: Heere, maak hen niet voorspoedig."
2. Hun verderf. Daar bidt hij om (zoals wij het lezen), maar sommigen geven er de voorkeur aan om het te lezen als profetie, en het oorspronkelijke laat die lezing toe. Als wij het opvatten als een gebed, dat voortkomt uit de geest van de profetie en dan komt het alles op hetzelfde neer dan voorzegt hij het verderf:
A. Van zijn eigen vijanden: Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, en mijn verderf zoeken.
a. "De overlast hunner lippen zal hen overdekken, hun eigen hoofd overdekken, vers 10, het kwaad, dat zij mij hebben toegewenst, zal henzelf overkomen, hun vervloekingen zullen in hun eigen aangezicht teruggeblazen worden, en de plannen, die zij tegen mij beraamd hebben, zullen op hun eigen verderf uitlopen," Psalm 7:16, 17, Laat hen die door laster, verklikking, door verkeerde voorstelling te geven van hun naasten, door kwaadwillige verzinsels uit te strooien, kwaad stichten, de gevolgen ervan vrezen, en bedenken hoe treurig hun toestand zal zijn als al het kwaad dat door hun toedoen teweeggebracht werd op henzelf neer zal komen.
b. Gods oordelen, die hier vergeleken worden bij vurige kolen, in toespeling op de verwoesting van Sodom, zullen op hen vallen, ja, zoals bij de zondvloed de wateren van boven en die van beneden samenkwamen om de wereld te overstelpen, de vensteren des hemels geopend en de fonteinen des groten afgronds opengebroken werden, zo zullen ook hier, om het verderf van de vijanden van Christus en van Zij n koninkrijk te voltooien, niet alleen gloeiende kolen op hen geworpen worden van boven, Job 20:23, 27:22, maar zij zelf zullen in het vuur geworpen worden beneden, hemel en hel, de troon van God, de Rechter, en de woede van Satan, de pijniger, zullen samentreffen om hen rampzalig te maken. En het vuur, waarin zij geworpen zullen worden, is geen oven des vuurs, waaruit zij misschien zouden ontkomen, maar het is in diepe kuilen, waaruit zij niet opstaan kunnen. Tofeth wordt gezegd diep en wijd te zijn, Jesaja 30:33. B. Van alle anderen, die hun gelijken, vers 12..
a. Mensen van kwade tong, kwaadsprekers, moeten verwachten geschud te zullen worden, want zij zullen op de aarde niet bevestigd worden. Op hetgeen door leugen en bedrog, door laster en onrechtvaardige beschuldiging verkregen werd, zal geen voorspoed zijn, het zal niet duurzaam wezen. Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden. Laat zulke mensen als Doeg niet denken dat zij lang zullen regeren, want zijn oordeel zal het hunne wezen, Psalm 2:5. Een valse tong is maar voor een ogenblik, maar een waarachtige lip zal bevestigd worden.
b. De boze Doeg moet verwachten vernietigd te zullen worden. Het kwaad zal de man des gewelds jagen, vers 12, zoals de bloedhond de moordenaar jaagt en vervolgt om hem te ontdekken, zoals de leeuw zijn prooi najaagt om haar te verscheuren. Kwaad aanstichtende mensen zullen aan het licht gebracht worden, in het verderf worden gestort, het verderf, dat hun bereid is, zal hen achterhalen en ternederwerpen. Het kwaad zal de zondaars vervolgen.
II. Hier is zijn voorzien van de verlossing en vertroosting van de vervolgden, vers 13, 14.
1. God zal hun recht doen door hen te verlossen, die, onrecht geleden hebbende, zich vertrouwend aan Hem overgeven. "Ik weet dat de Heere de rechtzaken, de rechtvaardige en benadeelde zaak van Zijn verdrukt volk, zal uitvoeren, zal handhaven, dat macht niet altijd zal zegevieren over recht, al is het slechts het recht van de ellendigen, van de armen, die slechts weinig hebben, waarop zij recht kunnen laten gelden." God is, en zal zijn, de beschermer van de verdrukte onschuld, en nog veel meer van de verdrukte Godsvrucht, zij, die Hem kennen, kunnen niet anders dan dit weten.
2. Zij zullen Hem recht doen (als ik dit eens zo zeggen mag) door Hem de eer toe te schrijven van hun verlossing. "Gewis, de rechtvaardigen, die er een gewetenszaak van maken om aan God te geven wat Hem toekomt, zowel als aan de mensen wat hun toekomt, zullen Uw naam loven, als zij bevinden dat hun zaak met ijver bepleit werd en met goed gevolg werd gehandhaafd." De slotwoorden: De oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven duiden Gods gunst over hen aan. Mij zult hen toelaten om voor Uw aangezicht te blijven, in genade hier, in heerlijkheid hiernamaals, en het zal hun veiligheid en gelukzaligheid zijn, en hun plicht jegens God. Zij zullen bij U zijn als dienstknechten, die zich bij hun meester ophouden, om hem eer te bewijzen en zijn bevelen te ontvangen. Dit is ware lof- en dankzegging, want het is een leven van dank en lof te leiden, en dit gebruik moeten wij maken van al onze verlossingen, al onze uitreddingen: wij moeten er God ijveriger en blijmoediger om dienen.