1 Samuël 7:1-2
Wij moeten nu de ark vergezellen naar Kirjath-Jearim en haar daar dan laten, om er geen woord meer van te horen, totdat David haar meer dan veertig jaren later vandaar gehaald heeft, 1 Kronieken 13:6 behalve nog eenmaal.
I. Zeer gaarne wijlen wij haar derwaarts vergezellen, want de lieden van Beth-Semes hebben door hun eigen dwaasheid datgene tot een last voor zich gemaakt, dat een zegen voor hen had kunnen wezen, en wij zouden haar gaarne willen zien onder degenen voor wie zij een reuk des levens ten leven zal zijn, want in elke plaats waar zij nu onlangs geweest is, is zij een reuk des doods ten dode geweest.
1. De mannen van Kirjath-Jearim brachten haar met blijdschap in hun stad, vers 1. Op het eerste woord kwamen zij en haalden de ark des HEEREN op. Hun naburen, de lieden van Beth-Semes, waren niet meer blij haar kwijt te wezen, dan zij om haar te ontvangen, wel wetende dat de slachting, die de ark te Beth-Semes had aangericht, geen willekeurige daad van macht was maar van noodzakelijke gerechtigheid, en die er onder geleden hadden, hadden het zichzelf te wijten, niet aan de ark, wij kunnen staat maken op het woord, dat God gezegd heeft, "Vertoornt Mij niet en Ik zal u geen kwaad doen', Jeremia 25:6. De oordelen Gods over hen, die Zijn inzettingen ontheiligen, moeten ons niet bevreesd maken voor de inzettingen, maar bevreesd maken ze te ontheiligen, of er een slecht gebruik van te maken.
2. Zorgvuldig voorzien zij er in, dat zij behoorlijk onder hen ontvangen wordt, met oprechte liefde, en als een geëerde gast, met achting en eerbied.
A. Zij zorgen voor een geschikte plaats om haar te huisvesten. Zij hadden geen openbaar gebouw dat zij er mee konden versieren, maar zij brachten haar in het huis van Abinadab, dat op de hoogste grond stond, en waarschijnlijk het beste huis was in hun stad. Of wellicht was de heer van dit huis de uitnemendste onder hen door Godsvrucht, en de ark het best gezind. De mannen van Beth-Semes lieten haar blootgesteld aan weer en wind op een steen in het open veld, en hoewel het een stad was van priesters ontving haar niemand van hen in zijn huis, maar de mannen van Kirjath-Jearim hebben, hoewel zij slechts gewone Israëlieten waren haar logies gegeven, ongetwijfeld in het beste vertrek van het huis, waarin zij gebracht werd. God zal een rustplaats vinden voor Zijn ark, indien sommigen haar van zich werpen, zal toch het hart van anderen geneigd worden om haar te ontvangen. Het is iets nieuws dat Gods ark in een particulier woonhuis komt.
Christus en Zijn apostelen predikten van huis tot huis, toen zij geen openbare gebouwen tot hun beschikking konden krijgen. Priesters worden soms in Godsdienstige dingen beschaamd gemaakt en overtroffen door gewone Israëlieten.
B. Zij stelden een geschikt persoon aan om haar te verzorgen. Zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark des HEEREN bewaarde, niet de vader, misschien omdat hij oud en zwak was, of omdat hij de zaken van zijn huis en gezin had te verzorgen, waaraan zij hem niet wilden onttrekken, maar de zoon, die waarschijnlijk een zeer vroom, Godvruchtig jongeling was, vol van ijver voor het goede, werd opgedragen de ark te bewaren, niet slechts voor geroofd te worden door boosaardige Filistijnen, maar voor aangeraakt te worden door nieuwsgierige Israëlieten, die er zouden willen inzien. Hij moest het vertrek rein en in goede orde houden, waarin de ark was, opdat zij, hoewel in een nederig verblijf gehuisvest, er toch niet als een verwaarloosd ding zou uitzien, waar niemand iets om gaf. Het blijkt niet dat deze Eleazar van de stam van Levi was, en nog veel minder dat hij van Aaron was. Dit was ook niet nodig, want hier was geen altaar, hetzij voor brandoffer of voor reukwerk, maar wel kunnen wij onderstellen dat vrome Israëlieten voor de ark kwamen om te bidden en hij was daar, om hen, die daarvoor kwamen, te ontvangen en te helpen. Tot dit doel hebben zij hem geheiligd, dat is, met zijn eigen toestemming hebben zij hem de plicht opgelegd om zich aan dit werk te geven, er voortdurend mee bezig te zijn, in de naam van al hun medeburgers hebben zij hem hiertoe afgezonderd. Dit was niet naar de regel, maar wegens de moeilijke omstandigheden, waarin men was kon dit wel verschoond worden. Als de ark pas uit de gevangenschap is wedergekeerd, kunnen wij niet verwachten dat zij zo opeens weer van de gewone plechtigheden omgeven is, maar moeten de dingen nemen zoals zij zijn.
II. Maar wij willen haar niet gaarne daar laten blijven. Wij wensen haar weer te Silo te zien, maar dit is verwoest, Jeremia 7:14, wij zouden haar te Nob wensen, of te Gibeon, of waar ook de tabernakel en de altaren zijn, maar zij schijnt daar aan de weg te moeten liggen, omdat er geen mannen waren, die genoeg ijver hadden voor de algemene zaak om haar naar haar eigen plaats te brengen.
1. De tijd van haar verblijf aldaar was lang zeer lang, meer dan veertig jaren lag zij daar in de velden van het woud, een onbekende, afgezonderde plaats, onbezocht en schier vergeten, vers 2. Het geschiedde van die dag af. dat de ark des Heeren te Kirjath-Jearim bleef en de dagen werden vermenigvuldigd, en het werden twintig jaren, het was lang totdat David haar vandaar haalde.
Het was zeer vreemd, dat gedurende al de tijd van Samuëls regering de ark niet naar haar plaats in het heilige van de heiligen werd gebracht, een bewijs van het afnemen van heiligen ijver onder hen.
God heeft dit toegelaten om hen te straffen voor hun veronachtzaming van de ark, toen zij in haar plaats was, en om te tonen dat de grote nadruk, die door de inzetting op de ark gelegd was, slechts typisch was van Christus, en de toekomstige goederen, die niet bewogen kunnen worden, Hebreeën 9:23, 12:27.. Het was een rechtvaardige smaad voor de priesters, dat niemand van hun orde geheiligd was om de ark te bewaren.
2. Twintig jaren van die tijd gingen voorbij eer het huis Israëls de afwezigheid van de ark begon te gevoelen. De Septuaginta geven hier een enigszins duidelijker lezing van de tekst dan wij: En het was twintig jaren, eer (dat is: toen) het gehele huis Israëls weer omzag naar de HEERE.
Zolang bleef de ark in afzondering, zonder dat de Israëlieten haar gemis gevoelden of er een onderzoek naar instelden, hoewel, zolang zij afwezig was van de tabernakel, het teken van Gods bijzondere tegenwoordigheid ontbrak, en zij ook de verzoendag niet konden houden, zoals zij gehouden moest worden.
Zij waren tevreden met de altaren zonder de ark, zo gemakkelijk kunnen uitwendige belijders zich tevreden stellen met uitwendige ceremoniën zonder enig teken van Gods tegenwoordigheid en welbehagen. Eindelijk begonnen zij echter na te denken, begonnen zij de Heere achterna te klagen, hiertoe opgewekt waarschijnlijk door de prediking van Samuël, waarmee Gods Geest op buitengewone wijze werking heeft geoefend.
Nu wordt in geheel Israël een gezindheid openbaar tot berouw en bekering, nu beginnen zij te zien op Hem, die zij veronachtzaamd hebben, en te rouwklagen, Zacheria 12:10. Dr. Lightfoot denkt dat deze gebeurtenis en die tijd schier even merkwaardig waren als enigerlei gebeurtenis of tijd, waarvan wij in de Schrift melding vinden gemaakt, en dat de grote bekering, verhaald in Handelingen 2 en 3 er de enige parallel van is.
Zij, die Gods inzettingen weten te waarderen kunnen niet anders dan het zeer betreurenswaardig vinden ze te ontberen. Waar berouw en oprechte bekering beginnen met de Heere achterna te klagen, wij moeten er ons van bewustzijn, dat wij Hem door onze zonde er toe gebracht hebben zich van ons terug te trekken, en dat het ons verderf zal wezen, indien wij in die toestand van verwijdering van Hem blijven, en niet rusten vóór wij Zijn gunst weer deelachtig zijn geworden, en Hij in genade tot ons is wedergekeerd.
Het stond beter met de Israëlieten toen zij de ark misten en er om treurden dan toen zij de ark hadden en er nieuwsgierig in zagen, of er zich op verhovaardigden. Het is beter de mensen verlangend te zien in de schaarsheid van de genademiddelen, dan hen er van te zien walgen als zij overvloedig zijn.