Psalm 125:4-5
Hier is:
1. Het gebed, dat de psalmist opzendt voor het geluk van hen, die oprecht en standvastig zijn, vers 4. Heere, doe de goeden wel. Dit leert ons te bidden voor al de Godvruchtigen smeking te doen voor al de heiligen. En wij kunnen in het geloof voor hen bidden, verzekerd zijnde dat met hen, die weldoen, wel gehandeld zal worden. Zij, die zijn zoals zij behoren te wezen, zullen zijn zoals zij zouden wensen te wezen, mits zij oprecht van hart zijn, werkelijk zo goed zijn als zij schijnen te wezen, bij de oprechten houdt God zich oprecht. Hij zegt niet: Heere, doe wel aan de volmaakten, aan hen, die zondeloos en vlekkeloos zijn, maar aan hen, die oprecht en eerlijk zijn. Gods beloften moeten onze gebeden verlevendigen. Het is lieflijk om het goede te wensen aan wie God zich verbonden heeft wel te doen.
2. Het vooruitzicht, dat hij had van het verderf van geveinsden en afvalligen. Hij bidt daar niet om, ik heb de dodelijke dag niet begeerd, maar hij voorzegt het. Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, de weg van de gerechtigheid hebben gekend, maar uit vrees voor de roede van de goddelozen er lafhartig en laaghartig van afgeweken zijn, en zich tot hun kromme wegen hebben geneigd, slinkse middelen hebben gebruikt om te voorkomen dat zij in moeilijkheden zouden geraken of om er zich uit te redden of zij, die in plaats van hun leven te beteren al erger en erger worden, hardnekkiger en meer vermetel worden in hun goddeloosheden. God zal hen weg doen gaan met de werkers van de ongerechtigheid, Hij zal hun hun deel toewijzen met de ergste zondaren. Zondige wegen zijn kromme wegen, zonde is het verkeerd maken van hetgeen recht is. Het oordeel van hen, die uit de rechte weg zich wenden tot die kromme wegen, zal hetzelfde wezen als dat van hen, die altijd op de kromme wegen gewandeld hebben, ja het zal nog ontzettender wezen, want zo enige plaats in de hel heter is dan een andere, dan zal zij het deel wezen van de geveinsden en de afvalligen. God zal hen weg doen gaan, hen doen voortleiden als gevangenen naar de plaats van de terechtstelling, Gaat weg, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, en zij zullen henengaan, al hun vorige gerechtigheid zal niet meer herdacht of genoemd worden. De laatste woorden: Vrede zal over Israël zijn, kunnen verstaan worden als een gebed. God beware Zijn Israël in vrede, als Zijn oordelen uitgaan om af te rekenen met de boosdoeners. Wij lezen ze als een belofte: Vrede zal over Israël zijn, dat is:
a. Als zij die de wegen Gods trouwelooslijk hebben verlaten, hun oordeel ontvangen in het verderf, dat over hen komt, zal van hen, die er getrouw aan hebben vastgehouden, het einde vrede wezen, al is het ook dat zij moeilijkheden ontmoeten op hun weg.
b. De verwoesting van hen, die op kromme wegen gaan, zal bijdragen tot de vrede en de veiligheid van de kerk, toen Herodes stierf wies en vermenigvuldigde het Woord Gods, Handelingen 12:23, 24.
c. De vrede en voorspoed van Gods Israël zal de kwelling en ergernis wezen van hen, die omkomen in hun ongerechtigheid, en zeer veel bijdragen tot hun pijniging, Lukas 13:28, Jesaja 65:13. "Mijne knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijn."