Psalm 122:6-9
1. Hier roept David anderen op om het goede voor Jeruzalem te wensen, vers 6, 7. Bidt om de vrede van Jeruzalem, om haar welvaren, om al het goede voor haar, inzonderheid om de eensgezindheid van haar inwoners en hun bewaring tegen de invallen van vijanden. Dit kunnen wij in waarheid begeren, opdat wij in haar vrede zelf vrede hebben, en hierom moeten wij ernstig bidden, want het is de gave Gods, en Hij wil er om verzocht worden. Zij die niets anders kunnen doen voor de vrede van Jeruzalem, kunnen er voor bidden, hetgeen nog iets meer is dan hun welwillendheid te betuigen, het is het verordineerde middel om zegen te verkrijgen. Wij moeten, een ieder van ons, de vrede en het welvaren van de Evangeliekerk, inzonderheid in ons eigen land, ernstig begeren en er vurig om bidden. Nu worden wij hier:
A. Aangemoedigd in ons bidden voor Jeruzalems vrede: wel moeten zij varen die u beminnen. Wij moeten bidden voor Jeruzalem, niet uit gewoonte, of omdat dit als het ware in de mode is, maar uit een beginsel van liefde voor Gods regering over de mensen, en der mensen aanbidding van God. In het streven naar het openbare welzijn bevorderen wij ook het onze, want zozeer bemint God de poorten van Zion, dat Hij allen zal liefhebben, die haar beminnen, en dus kunnen zij niet anders dan voorspoedig zijn, hun ziel zal ten minste welvaren door de inzettingen, die zij zo liefhebben.
B. Bestuurd in onze gebeden er voor, woorden in onze mond gelegd, vers 7. Vrede zij in uw vesting. Hij leert ons te bidden:
a. Voor al de inwoners in het algemeen, allen, die binnen haar muren zijn, van de geringste tot de aanzienlijkste. Vrede zij in uw forten, laat die nooit worden aangevallen, of, indien zij worden aangevallen, laat hen nooit veroverd worden, maar een krachtige beveiliging wezen voor de stad.
b. Voor de vorsten en regeerders in het bijzonder, welvaren zij in uw paleizen in de woningen van hen, die het roer van staat in handen hebben, de openbare zaken besturen, want indien zij voorspoed hebben, strekt dit tot welzijn van het algemeen. De armere klassen zijn licht geneigd om de voorspoed van de paleizen te benijden, maar hier wordt hen geleerd ervoor te bidden.
2. Hij besluit dat hij, wat anderen ook mogen doen, zich een getrouw vriend van Jeruzalem zal betonen:
A. In zijn gebeden: "Ik zal nu spreken, thans, nu ik de stammen zo blijmoedig zie opgaan naar de getuigenis Israëls, en de zaak beslist is dat Jeruzalem de plaats moet wezen waar God Zijns naams gedachtenis stichten wil, zal ik zeggen: Vrede zij in u." Hij heeft niet gezegd: "Laat anderen bidden voor de openbare vrede, de priesters en de profeten wier werk het is, en het volk, dat niets anders te doen heeft en ik zal er voor strijden en er voor regeren, neen, "ook ik zal er voor bidden."
B. In zijn streven, waarmee hij zijn gebeden zal ondersteunen. "Ik zal tot het uiterste van mijn vermogen het goede voor u zoeken." Al wat binnen de kring ligt van onze werkzaamheid voor het openbare welzijn moeten wij doen, want anders zijn wij niet oprecht in ons bidden er voor.
Nu zou men kunnen zeggen: het is toch niet te verwonderen, dat David om het welvaren van Jeruzalem heeft gebeden, daarin stak geen bijzondere verdienste, het was zijn eigen stad, en de belangen van zijn familie, zijn gezin, waren er aan verbonden. Dat is waar, maar hij betuigt dat dit toch niet de reden was waarom het welvaren van Jeruzalem hem zo ter harte ging, maar dat dit voortkwam uit zijn warme liefde:
a. Voor de gemeenschap van de heiligen, het is om mijner broederen en mijner vrienden wil, dat is: om de wille van alle ware Israëlieten, die ik beschouw als mijn broeders, zo noemt hij hen, 1 Kronieken 28:2, en die dikwijls zijn metgezellen waren geweest in de aanbidding Gods, waardoor mijn hart aan hen verbonden is.
b. Voor de inzettingen Gods, hij "had een welgevallen tot het huis zijns Gods," 1 Kronieken 29:3, hij smaakte groot genoegen in de openlijke eredienst, en om die reden wilde hij bidden om het welvaren van Jeruzalem. Onze belangstellende zorg voor het openbare welzijn is dan recht en goed, als zij voortkomt uit oprechte liefde tot Gods inzettingen en Zijn getrouwe aanbidders.