25. En David bouwde daar 1) de HEERE een altaar, dat hij snel liet opwerpen van zonen en stenen, en offerde brandoffers en dankoffers, die de Heere op zijn gebed met vuur van de hemel aanstak, tot bewijs, dat dit de plaats was, die Hij van nu af gekozen had, dat Zijn Naam daar woonde (
Deuteronomium 12:5vv.). Alzo werd de HEERE het land verbeden en deze plaag van over Israël opgehouden.
1) Van nu af was David gewoon alleen op Arauna's dorsvloer te offeren, en bestemde die tot de plaats voor de toekomstige tempel (1 Kronieken 21:26-22:1 voor de bouw waarvan hij dan ook gedurende zijn volgende regeringstijd alle voorbereidingen nam (1 Kronieken 22:2-27:34).
David's dankgebed na verkregen afwending van de plaag, hebben wij in Psalm 30 voor ons, waarvan het doel tevens is, om de plaats in te wijden, die voor de toekomstige tempel bestemd was en reeds voorlopig "David's huis" de plaats waar hij offerde, geworden was; die Psalm diende tevens om de gedachtenis aan de gebeurtenis, waarbij zij deze bestemming verkreeg, bij het volk levend te houden. Van nu af was het David's streven, om niet enkel de tempelbouw voor te bereiden, maar ook om Israël's hart en neiging telkens meer te richten op Jeruzalem, als kerkelijk middelpunt van het nog onverdeelde rijk, en om aan het volk recht dringend de bede op de lippen te leggen, om de vredestijd en om de vredevorst, die het werk, dat hij niet zelf mocht uitvoeren, zouden voltooien. Dit blijkt allereerst uit het in hoger toon gestemde lied Psalm 122, waarvan wij het ontstaan in het laatste tiental jaren van David's regering plaatsen. De erkentenis dat die af te bidden vredestijd zeker komen zal, ja dat hij in beginsel reeds aangebroken is, wil de 124e Psalm opwekken door herinnering aan de gevaren, die door David's bestuur tot dusver met Gods hulp overwonnen zijn, en door voorstelling van de tegenwoordige toestand van vrijheid van alle in- of uiterlijke verdrukking. Opdat die toestand tot volkomenheid kome en voortdurend genoten worde, moet het volk van de Heere zich hoeden voor alle hoogzwevende gedachten en ontwerpen, en in kinderlijke ootmoed zijn heil slechts van Hem de Heere, verwachten: dan is het veilig. Zijn eigen innerlijk bestaan, zo als het door Gods tucht, ook door die, welke de geschiedenis van ons hoofdstuk leert, eindelijk geworden is, moet hij hier, zoals hij in Psalm 131 doet, openleggen om Israël te tonen, van welke aard zo'n hart zijn moet. Op deze weg van ootmoed en van kinderlijke overgave aan God, had David zich niet op de voorgrond gesteld, maar uit de afzondering laten halen, de hem toegedachte troon niet met geweld in bezit genomen, maar gewillig en geduldig de lange moeitevolle omweg van diepe vernedering betreden, totdat hij uit Gods hand ontving, wat Gods belofte hem had toegezegd: en zo heeft David aan het volk de heerlijkheid, de lang ontbeerde gemeenschap der heiligen aangebracht, waarvan het herstel met de oprichting van de ark op Sion begonnen en die door de godsdienstige vereniging van alle delen van het land op de enige plaats van het heiligdom, die zich nog zegenrijker ontwikkelen moet, als dat heiligdom zal zijn opgericht. Deze gemeenschap der heiligen, moet Israël zo vermaant David in de 133ste Psalm behouden en door Gods genademiddelen bij zich voeden en bevestigen..
Waar David in gehoorzaamheid van het geloof het bevel van de Heere volbrengt, om op Arauna's dorsvloer een altaar te bouwen en het offer te ontsteken, daar geeft de Heere er Zijn zegen op, door zich te laten verbidden. Zo gaat het altijd. Christus Jezus is altaar en offer tegelijk, en wanneer nu de zondaar op dit offer gelovig zijn handen leert leggen en Gods bevel gehoorzaamt, om in de grote kracht van dit offer te geloven, door de onweerstaanbare genade van de Heilige Geest, daar wordt het ook ervaren, dat wij met een verzoend God te doen hebben, dat de Engel met het vlammend zwaard is verdwenen, omdat de Wet haar verdoemende kracht heeft verloren..
SLOTWOORD OP DE BOEKEN VAN SAMUEL
Evenals de volgende boeken van de Koningen vormden de twee boeken van Samuël oorspronkelijk één geheel; zij zijn van elkaar gescheiden door de Alexandrijnse vertaling, de Septuaginta, die weer de tweemaal twee delen tot een geheel van vier delen gebonden heeft en deze: 1e, 2e, 3e en 4e boek van de Koningen noemt, of liever de Koninkrijken, basileiwn, met het oog op de beide koninkrijken, van Saul en David, die in de boeken van Samuël, en van Juda en Israël, die in de boeken van de Koningen voorkomen. Ditzelfde heeft de Vulgaat gedaan. Onze verdeling wordt reeds gevonden in de Hebreeuwse Bijbel volgens de Masora, door de rabbijn Daniël Bomberg in het jaar 1525 uitgegeven.
De boeken van Samuël dragen die naam niet, omdat Samuël voor de vervaardiger wordt gehouden, maar om de inhoud. Samuël is de hoofdpersoon van die tijd, niet alleen, toen hij zelf rechter was, maar ook omdat hij Saul en David zalfde en daardoor, ten minste direct ook op hun tijd grote invloed had. Wat in deze beide boeken voorkomt, zo merkt Abarbanel terecht op, kan vrijwel allemaal tot Samuël teruggebracht worden, ook dat wat door als het ware een werk van zijn handen was. Sommige gedeelten in deze boeken zijn zeer kort, andere weer zeer uitvoerig beschreven; toch vinden wij een bepaald plan, dat als een gouden draad het geheel doorloopt. De hoofdgedachte is: de geschiedkundige ontwikkeling van het ware koningschap. "Israël moest een koninkrijk van priesters worden (Exodus 19:5vv.). Hoewel deze belofte de tijden van het Oude Verbond ver te boven ging en pas met de volmaking van het Godsrijk in het Nieuwe vervuld zou worden, zo moest dit Godsplan toch reeds naar de oude bedeling tot werkelijkheid gebracht worden. Israël moest niet slechts een priesterlijk, maar ook een koninklijk volk worden, niet slechts tot een gemeente van de Heere geheiligd, maar ook tot een koninkrijk van God verhoogd. Het aardse koninkrijk van Israël is daarom een veelbetekenend keerpunt in Israël's ontwikkeling tot het doel van zijn goddelijke roeping; deze voortgang wordt tot een onderpand aan de goddelijke belofte, die David ontving (2 Samuël 7:12vv.), dat de Heere zijn koninkrijk voor eeuwig bevestigen zou. Met deze belofte richtte God voor Zijn Gezalfde het eeuwig verbond op, waarop David aan het einde van zijn regering terugziet (2 Samuël 23:1vv.). Zo wijst het einde van deze boeken naar hun begin terug. De profetie van Samuëls vrome moeder, dat de Heere Zijn koning macht zou geven en de hoorn van Zijn gezalfde verhogen (1 Samuël 2:10), heeft in het koninkrijk van David een vervulling gevonden, die het volkomen worden van dat koninkrijk van God onder de scepter van David's zoon, de Messias, waarborgt." Wie deze boeken vervaardigd heeft is niet te bepalen; alleen dit: uit plaatsen als 1 Samuël 9:9; 27:6; 30:25 2 Samuël 13:18; 18:18 blijkt, dat de schrijver na de scheuring van het rijk, onder Rehabeam of Abia, geleefd heeft; zonder twijfel is het een profeet van het rijk van Juda geweest, die bij de samenstelling van zijn werk de reeds voorhanden schriften, met name de optekeningen van de profeten, zich tot nut gemaakt heeft..
Wie de Schrijver geweest is van deze gewijde Boeken is niet nader bekend. Het veiligst doet men door aan te nemen, dat het een profeet van de Heere is geweest, die kort na Salomo's dood, onder de leiding van de Heilige Geest, deze Boeken heeft samengesteld en gebruik heeft gemaakt van verschillende aantekeningen, die er bestonden, omtrent het leven van Samuël, Saul en David.
Wat door sommigen gesteld wordt, dat de Schrijver geleefd heeft na de tijd van Abia, is niet te verdedigen, omdat elke zinspeling op het verval van beide rijken ten enenmale gemist wordt en we aan de andere zijde gedurig lezen "tot op deze dag", waardoor gezegd wordt, dat wat vermeld wordt, nog bestond toen deze Boeken werden samengesteld. Wie hij echter ook moge geweest zijn, dit blijkt wel, dat hij, onder de leiding van Gods Geest, een zeer aanschouwelijke en levendige voorstelling van zaken geeft en alles zo nauwkeurig mogelijk beschrijft, zodat het gehele boek de innerlijke sporen draagt van volkomen betrouwbaarheid en van zuivere historische nauwgezetheid.
Het is de Schrijver erom te doen, om voor de navolgende tijden het helder te doen uitkomen, hoe God, de Heere, niet in Saul, maar in David en Salomo het zuivere beeld van een theocratisch koning geeft en hoe, waar de God van Israël aan Zijn volk een zichtbaar koning schenkt, Hij door Zijn Profeten Zelf in alles de gang van zaken bestuurt, aan de door Hem verordende koningen Zijn profeten geeft, opdat deze de koning als raadslieden toegevoegd zullen zijn, om het volk te regeren in recht en gerechtigheid.
Maar bovenal hoe èn David èn Salomo, beiden, typen zijn van Hem, die genoemd is: "een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vrees van God."
Wat Thenius van een gedeelte aanmerkt, geldt gewis van het gehele werk van de Schrijver: "Zij (deze Boeken) behoren tot het mooiste, wat de geschiedboeken van het Oude Testament ons opleveren. Zij bevelen zich aan door aanlokkelijke eenvoud in de beschrijving en geven ons een hoog denkbeeld van de veelzijdige invloed van de profetische werkzaamheid.".