Psalm 116:1-9
In dit deel van de psalm hebben wij:
I. Een algemeen bericht van Davids ervaring, en zijn vrome besluiten, vers 1, 2, die, als het ware, de inhoud zijn van de gehele psalm en er een denkbeeld van geven.
1. Hij had Gods goedheid ervaren in antwoord op zijn gebed, de Heere hoort mijn stem, mijn smekingen. David had in zijn benauwdheid nederig en dringend genade van God afgesmeekt, en God had hem gehoord, had genadiglijk zijn gebed aangenomen, en hem een antwoord des vredes gegeven. Hij neigt Zijn oor tot mij, dit geeft Zijn bereidwilligheid te kennen om het gebed te horen, Hij legt, als het ware, Zijn oor aan de mond van het gebed om het te horen, al wordt het slechts gefluisterd in onuitsprekelijke zuchtingen. Hij luistert en hoort toe, Jeremia 8:6. Maar het geeft ook te kennen dat het een verwonderlijke nederbuigendheid is in God om het gebed te horen, het is Zijn oor te buigen. Heere, wat is de mens, dat God zich aldus tot hem nederbuigt!
2. Uit aanmerking hiervan besloot hij zich geheel aan God en Zijn eer toe te wijden.
a. Hij zal God te meer liefhebben. Hij begint de psalm ietwat plotseling met een belijdenis van hetgeen, waarvan zijn hart vervuld was. Ik heb de Heere lief, zoals Psalm 18:2, en zeer gepast begint hij hiermede volgens het eerste en grote gebod, en Gods doel in al Zijn gaven aan ons. lk heb Hem alleen lief en niets buiten Hem, dan hetgeen ik liefheb om Zijnentwil. Gods meedogende liefde jegens ons eist met volle recht onze wederliefde en ons welbehagen in Hem.
b. Hij zal het gebed te meer liefhebben. dies zal ik Hem aanroepen. Onze ervaringen van Gods goedheid jegens ons in de verhoring van ons gebed zijn sterke aanmoedigingen voor ons om te volharden in het gebed, wij hebben niettegenstaande onze onwaardigheid en onze gebrekkigheid in het bidden, voorspoed gehad op ons gebed, waarom zouden wij er dan niet mee voortgaan? God verhoort het gebed om het ons te doen liefhebben, en verwacht dit van ons uit dankbaarheid voor Zijn gunst. Waarom zouden wij in een ander veld gaan om op te lezen, als het ons in dit veld zo goed gegaan is? Neen, ik zal de Heere aanroepen in mijn dagen, zolang als ik leef, tot de laatste dag. Zolang als wij voortgaan te leven, moeten wij voortgaan met bidden ú deze ademtocht moet ons bijblijven tot onze laatste ademtocht, omdat wij er dan afscheid van zullen nemen, en tot aan die tijd hebben wij er voortdurend behoefte aan.
Il. Een meer bijzonder verhaal van Gods genadige handelingen met hem, en de goede indruk, die hierdoor op hem teweeggebracht werd.
1. God heeft zich in Zijn handelingen met hem een goede God betoond, en daarom getuigt hij dit van Hem, en vermeldt het voor het nageslacht, vers 5, de Heere is genadig en rechtvaardig. Hij is rechtvaardig, en heeft mij geen onrecht gedaan door mij te beproeven, Hij is genadig en was zeer goedertieren in mij te ondersteunen en te verlossen. Laat ons allen van God spreken zoals wij Hem bevonden hebben, en hebben wij Hem ooit anders dan goed en genadig bevonden? Neen, onze God is barmhartig, barmhartig jegens ons, en het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn. Ga Davids ervaringen eens na: A. Hij was in grote benauwdheid en ellende vers 3. De smarten des doods hadden mij omvangen, dat is: zulke smarten als waarschijnlijk mijn dood zouden veroorzaken, ja die voor doodsbenauwdheid werden gehouden, zeer hevige lichaamspijnen misschien, of benauwdheid van geest, hier angsten der hel genoemd, gewetensangst, voortkomende uit bewustzijn van schuld. De smarten des doods zijn grote smarten, en de angsten der hel grote angsten. Zo laat ons dan naarstigheid doen om ons te bereiden voor de eerste, ten einde aan de laatste te kunnen ontkomen. Deze omgaven hem van alle zijden, zij grepen hem aan, hielden hem vast, zodat hij niet kon ontkomen, van buiten was strijd, van binnen vrees. "Ik vond benauwdheid en droefenis, ze vonden mij niet slechts, maar ik vond haar." Zij die droefgeestig zijn, hebben veel smart van hun eigen vinding, benauwdheid, die zij zichzelf aandoen, door aan hun verbeelding en hartstocht toe te geven, dit is soms de zwakheid geweest van Godvruchtigen. Als wij door de leiding van Gods voorzienigheid in een slechte toestand zijn gekomen, laat ons hem dan niet door onze eigen onvoorzichtigheid nog slechter maken.
B. In zijn benauwdheid nam hij door gelovig en vurig gebed de toevlucht tot God, vers 4. Hij zegt ons dat hij bad: maar ik riep de naam des Heeren aan, toen hij tot het uiterste was gebracht, maakte hij gebruik hiervan, niet als het laatste redmiddel maar als het oude en enige middel, dat hij altijd als een zalf had bevonden voor iedere wond. Hij zegt ons wat zijn gebed was. het was kort maar ter zake: Och Heere, bevrijd mijn ziel, red mij van de dood, en bewaar mij voor zonde, want deze is dodelijk voor de ziel. Beide de nederigheid en de vurigheid van zijn gebed komen uit in deze woorden: o Heere, ik smeek
a. Als wij tot de troon van de genade komen, dan moeten wij er komen als bedelaars om een aalmoes, om noodzakelijk voedsel. De volgende woorden, vers 5, de Heere is genadig, kunnen als een deel van zijn gebed worden beschouwd, als een pleitgrond om kracht bij te zetten aan zijn bede en ter aanmoediging van zijn geloof en zijn hoop, "Heere, bevrijd mijn ziel, want Gij zijt genadig en barmhartig, en daarop alleen steun ik om hulp te erlangen."
C. In antwoord op dit gebed kwam God met tijdige en afdoende hulp. Uit ervaring bevond hij dat God genadig en barmhartig is, en in Zijn mededogen de eenvoudige bewaart, vers 6. Omdat zij eenvoudig en oprecht zijn en zonder bedrog, bewaart God hen, zoals Hij Paulus bewaard heeft, die in de wereld verkeerd heeft, niet in vleselijke wijsheid, maar in eenvoudigheid en oprechtheid. Ofschoon zij eenvoudig zijn, zwak en hulpeloos, zichzelf niet kunnen redden, mensen van geen diepte en van weinig beradenheid, maar God bewaart hen, omdat zij zich aan Hem toevertrouwen en niet op hun eigen genoegzaamheid steunen. Zij, die zich door het geloof onder Gods bescherming stellen, zijn veilig.
Laat David zijn eigen ondervinding verhalen.
a. God heeft hem ondersteund onder zijn benauwdheden. "Ik was uitgeteerd, was in diepte van ellende verzonken, en toen heeft Hij mij verlost. Hij heeft mij geholpen om het ergste te dragen en het beste te hopen, mij geholpen om te bidden, want anders zou mijn begeerte gefaald hebben, Hij heeft mij geholpen om te wachten, want anders zou mijn geloof hebben opgehouden. Ik was een van de eenvoudigen, die God bewaart, "de ellendige, die riep, en de Heere hoorde," Psalm 34:7. Gods volk is nooit zo naar de diepte gebracht, of er zijn eeuwige armen onder hen, en zij, die aldus ondersteund worden, kunnen niet verzinken. Ja het is in de tijd van nood, van zeer dringende nood, dat God verkiest te hulp te komen, Deuter. 32:36.
b. God heeft hem uit zijn benauwdheid verlost, vers 8. Gij hebt gered, hetgeen of het voorkomen betekent van het gevaar, de ellende, waarin hij op het punt was te geraken, of zijn verlossing uit de benauwdheid waarin hij reeds was. God heeft genadiglijk gered:
Ten eerste, zijn ziel van de dood. Het is Gods grote goedertierenheid jegens ons dat wij levend zijn, en die goedertierenheid is te meer merkbaar als wij op het punt waren om te sterven, maar toch gespaard en opgericht werden, juist wederkerende tot verbrijzeling, maar toen de order ontvangende om weer te keren. Dat een leven, hetwelk zo dikwijls verbeurd werd en zo dikwijls aan gevaar was blootgesteld, toch nog verlengd werd, is een wonder van genade. De verlossing van de ziel van de geestelijke en eeuwige dood moet inzonderheid dankbaar erkend worden door allen, die thans geheiligd zijn en weldra verheerlijkt zullen wezen.
Ten tweede. Zijn ogen van tranen, dat is: zijn hart van bovenmatige smart. Het is een grote genade om bewaard te worden hetzij voor de oorzaken van smart, het kwaad, dat de smart veroorzaakt, of in elk geval van door onmatige smart te worden verslonden. Als God hen, die nedergebogen zijn, vertroost, de zak ontbindt van de treurenden en hen met blijdschap omgordt, dan redt Hij hun ogen van tranen hetgeen toch niet volkomen zal geschieden voor wij komen tot die wereld, waar God alle tranen van onze ogen zal afwissen.
Ten derde. Zijn voet van aanstoot, van in zonde te vallen, en daardoor in ellende. Het is een grote genade, als onze voeten bijna uitgeweken zijn, dat God onze rechterhand vat, Psalm 73:2, 23, zodat, als wij in verzoeking komen, wij er toch niet door overwonnen worden. Of, "Gij hebt mijn voeten bewaard van in het graf te vallen, toen ik daar reeds een voet in had."
2. In zijn dankerkentenis aan God toonde David zich een Godvruchtig man. God had dit alles voor hem gedaan, en daarom:
A. Zal hij een leven leiden van verlustiging in God, vers 7. Mijne ziel keer weer tot uw rust.
a. Neem rust, en wees gerust, verontrust u niet zo door wantrouwend vrezen, als gij somwijlen gedaan hebt. Stel u gerust en verheug u, God heeft goedertierenlijk met u gehandeld, en daarom behoeft gij niet te vrezen dat Hij ooit hard met u zal handelen."
b. "Rust in God. Keer tot Hem weer als tot uw rust, en zoek die rust niet in het schepsel welke alleen in Hem gevonden wordt." God is de rust van de ziel, alleen in Hem kan zij gerust wonen, tot Hem derhalve moet zij wederkeren en in Hem moet zij zich verblijden, Hij heeft aan ons welgedaan. Hij heeft overvloedig voorzien in hetgeen ons aangenaam en ter verkwikking is, en ons aangemoedigd om daarvoor tot Hem te komen, te allen tijde, bij alle gelegenheden, laat ons dus hiermede tevreden zijn. Keer weer tot de rust, die Christus geeft aan hen, die vermoeid en belast zijn, Mattheus 11:28. Keer weer tot uw Noach, zijn naam betekent rust, zoals de duif, toen zij geen rust vond, tot de ark is weergekeerd. Ik ken geen woord, dat meer geschikt is om er des nachts onze ogen mee te sluiten als wij gaan slapen, noch om ze er mee te sluiten in de dood, die langdurige slaap, dan dit woord: Mijne ziel, keer weer tot uw rust. B. Hij zal een leven leiden van toewijding aan God, vers 9. Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren in de landen der levenden dat is: in deze wereld, zolang als ik er in zal blijven leven. Het is onze grote plicht om voor het aangezicht des Heeren te wandelen, om alles wat wij doen, te doen zoals het ons betaamt in Zijn tegenwoordigheid en onder Zijn oog, ons Hem welbehaaglijk te maken als aan de heilige God, door onderworpenheid aan Zijn wil als onze soevereine Heere, en door een blijmoedig vertrouwen in Hem als een algenoegzaam God. "Ik ben God de Almachtige, wandel voor Mijn aangezicht." Genesis 17:1. Wij moeten wandelen waardiglijk de Heere tot alle behaaglijkheid. De gedachte, dat wij in het land van de levenden zijn, behoort ons daartoe op te wekken. Wij zijn gespaard en in het land van de levenden gelaten door de macht en lankmoedigheid en barmhartigheid onzes Gods, en daarom moeten wij nauwgezet onze plicht jegens Hem betrachten. Het land van de levenden is een land van goedertierenheid, waarvoor wij dankbaar moeten zijn, het is een land van gelegenheid, die wij moeten waarnemen. Kanaän wordt het land van de levenden genoemd, Ezechiël 26:20, en zij, wier lot is in zo'n dal des gerichts, hebben het zeer bijzonder nodig, om de Heere geduriglijk voor zich te stellen. Indien God onze ziel gered heeft van de dood, dan moeten wij wandelen voor Zijn aangezicht. Een nieuw leven moet in werkelijkheid een nieuw leven zijn.