Psalm 109:21-31
David, Gods toorn aangekondigd hebbende tegen Zijn vijanden, neemt nu hier Gods vertroostingen voor zichzelf, maar op zeer nederige wijze, en zonder in het minst te roemen.
1. Hij stort zijn klacht uit voor God betreffende de treurige toestand, waarin hij zich bevond, en die waarschijnlijk aan zijn vijanden de gelegenheid gaf om over hem te juichen en hem te horen, "ik ben ellendig en nooddruftig, en daarom een geschikt voorwerp van medelijden, en een die Uwe hulp nodig heeft en afsmeekt."
a. Hij was ontroerd in zijn gemoed vers 22, mijn hart is in het binnenste van mij doorwond, niet slechts gebroken door uitwendige moeilijkheden, die soms de geest afmatten en neerdrukken, maar doorwond door een besef van schuld, en een verslagen geest, wie zal die opheffen. Wie kan hem genezen?
b. Hij gevoelde zijn einde naderen, ik ga ineen gelijk een schaduw wanneer zij zich neigt, ik ben reeds zo goed als heengegaan. Het leven des mensen, op zijn best genomen, is als een schaduw, soms is het als de schaduw van de avond, de voorbode van de naderende nacht, als de schaduw wanneer zij zich neigt
c. Hij was onvast, omgedreven als een sprinkhaan, zijn geest is dobberend, aarzelend, telkens zinnende clip nieuwe raadslagen, in zijn uitwendige toestand was geen vastheid, hij was als een veldhoen op de bergen.
d. Zijn lichaam was uitgeteerd, vers 24. Mijne knieen struikelen door vasten hetzij door gedwongen vasten, uit gebrek aan voedsel toen hij vervolgd werd, of uit gebrek aan eetlust toen hij ziek was, of door vrijwillig vasten als hij zijn ziel kwelde met vasten, hetzij vanwege zonde, of uit droefheid, zijn eigene, of die van anderen, Psalm 35:19, 69:11. "Mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is, het vet, dat het had, heeft het verloren, zodat ik een geraamte ben geworden er is niets aan mij dan vel en been." Maar het is beter deze magerheid te hebben in het lichaam, terwijl de ziel gezond is en welvaart dan magerheid te hebben in de ziel, terwijl het lichaam op allerlei goed onthaald wordt.
e. Hij werd bespot en gesmaad door zijn vijanden, vers 25, zijn vroomheid en zijn beproevingen gaven hun stof tot lachen, om die beide is de ziel van Gods volk de spot van de weelderigen zat geweest. In dit alles was David een type van Christus, die in Zijn vernedering aldus doorwond werd en aldus gesmaad, hij was ook een type van de kerk, die dikwijls verdrukt, door onweder voortgedreven, ongetroost is.
2. Hij bidt om genade voor zichzelf, in het algemeen, vers 21. "Maar Gij, o Heere Heere, maak het met mij, verschijn voor me en handel voor mij." Indien God voor ons is, dan zal Hij meer dan overvloedig voor ons doen boven al wat wij kunnen bidden of denken. Hij schrijft God niet voor wat Hij voor hem doen zal, maar laat het over aan Zijn wijsheid.
"Heere, doe voor mij wat goed is in Uwe ogen. Doe Gij wat Gij weet, dat voor mij is, werkelijk voor mij is in het gevolg en de uitkomst, hoewel het voor het ogenblik tegen mij schijnt te zijn." Meer in het bijzonder bidt hij, "Help mij, Heere mijn God, verlos mij vers 26. Help mij in mijn benauwdheid, verlos mij uit mijn benauwdheid, verlos mij van zonde, help mij om mijn plicht te doen." Hij bidt, vers 28 Zegen Gij, hoewel zij vloeken. Hier
a. Veracht hij de vloek zonder oorzaak van zijn vijanden, Laat hen vloeken. Van Simeï zei hij: Laat hem vloeken. Zij kunnen slechts hun boosaardigheid aan de dag leggen, zij kunnen hem niet meer kwaad doen dan de mus door weg te zwerven, of de zwaluw door te vliegen, Spreuken 26:2.
b. Hij acht dat de zegen van God genoegzaam tegen hun vloeken kan opwegen. Zegen Gij, en dan doet het er niet toe dat zij vloeken. Als God ons zegent, behoeven wij er ons niet om te bekommeren dat er iemand is die ons vloekt, want hoe kunnen zij vloeken die God niet vloekt, ja, die Hij zegent? Numeri 23:8. Der mensen vloeken zijn machteloos. Gods zegeningen zijn alvermogend, en zij die door ons onrechtvaardiglijk gevloekt worden kunnen in het geloof Gods zegen verwachten Zijn bijzondere zegen, en er om bidden. Toen de Farizeen de arme man uitwierpen om zijn belijden van Christus, heeft Christus hem gevonden, Johannes 9:35. Als de mensen zonder grond of oorzaak al het kwaad van ons zeggen dat zij kunnen, en al het kwaad dat zij kunnen ons toewensen, dan kunnen wij getroost ons hart tot God opheffen in deze bede: Laat hen vloeken, maar zegen Gij. Hij bidt: dat zich Uw knecht verblijde, vers 28. Zij, die Gods zegen weten te waarderen, zullen, zo zij er slechts zeker van zijn, zich erin verblijden.
3. Hij bidt dat zijn vijanden beschaamd zullen worden, vers 28, met schande bekleed zullen worden, vers 29 dat zij zich met hun beschaamdheid zaken bedekken, dat zij aan zichzelf overgelaten zullen worden om te doen hetgeen hen aan gevaar blootstelt en hun dwaasheid voor alle mensen openbaar maakt, of liever, dat zij teleurgesteld zullen worden in hun plannen en ondernemingen tegen David en hierdoor bedekt worden met schande, zoals de tegenstanders van de Joden het geweest zijn, Nehemia 6:16. Ja hij bidt hierom: dat zij tot bekering gebracht mogen worden, dat het voornaamste is, dat wij van God voor onze vijanden moeten begeren. Zondaren brengen in waarheid schande over zichzelf, maar het zijn ware boetelingen, die zich werkelijk schamen en zich met hun eigen schande bedekken.
4. Hij pleit op Gods heerlijkheid, op de eer Zijns naams: Maak het mij, om Uws naams wil, vers 21, inzonderheid op de eer van Zijn goedertierenheid, waardoor Hij Zijn naam bekend heeft gemaakt: "dewijl Uwe goedertierenheid goed is, verlos mij, het is hetgeen, waar Gij zelf u in verlustigt, en waar ik op betrouw. Verlos mij niet naar mijn verdienste, want ik heb er gene, maar naar Uwe goedertierenheid laat deze de bron, de reden, de mate zijn van mijn verlossing."
Eindelijk. Hij besluit de psalm met blijdschap, de blijdschap des geloofs, blijdschap in de verzekerdheid dat zijn tegenwoordige strijd eindigen zal in overwinning.
a. Hij belooft God dat hij Hem zal loven, vers 30. Ik zal de Heere met mijn mond zeer loven, niet alleen met man hart, maar met mijn mond, ik zal Hem loven, niet alleen in het verborgen, maar in het midden van velen."
b. Hij belooft zichzelf dat hij oorzaak zal hebben om God te loven, vers 31. Hij zal de nooddruftige ter rechterhand staan, als zijn beschermer en voorspraak om zijn zaak te bepleiten tegen zijn beschuldigers, en hem vrij te doen uitgaan om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen en haar zouden doden, indien zij het konden. God was Davids beschermer in zijn lijden en Hij was ook met de Heere Jezus in het zijne "Hij stond tot zijn rechterhand," zodat Hij niet heeft gewankeld, Psalm 16:8, Hij beschermde Zijn ziel tegen hen, die beweerden er de rechters over te zijn, en ontving haar in Zijn handen. Laat allen, die lijden naar de wil van God, hun ziel Hem aanbevelen.