Psalm 108:7-14
Hier kunnen wij leren hoe te bidden, zowel als hoe te loven.
1. In ons bidden moeten wij denken aan het algemene welzijn, en de belangen van de kerk Gods op het hart dragen voor de troon van de genade, vers 7. Zij is Gods beminde, en daarom moeten ook wij haar liefhebben, en daarom moeten wij bidden om haar bevrijding, en achten dat ons gebed verhoord is indien God geeft waar wij om vragen voor Zijn kerk, al is het ook dat Hij uitstelt om ons te geven waar we Hem om vragen voor onszelf. Geef heil voor Uwe kerk, en dan verhoort Gij mij, dan heb ik wat ik begeerde. De gehele aarde worde met Gods heerlijkheid vervuld en de gebeden van David, de zoon van Isai hebben een einde Psalm 72:19, 20, meer begeert hij niet.
2. Wij moeten in het gebed geloof oefenen in de macht en belofte van God. In Zijn macht: geef heil door Uwe rechterhand, die machtig is om te behouden, en in Zijn belofte: God heeft gesproken in Zijn heiligheid, vers 8) in Zijn heilig woord, waarop Hij gezworen heeft bij Zijn heiligheid, en daarom zal ik van vreugde opspringen, vers 8. Wat Hij beloofd heeft, zal Hij volbrengen, want het is het woord beide van Zijn waarheid en Zijn macht. Een werkzaam geloof kan zich verblijden in hetgeen God gezegd heeft, al is het nog niet geschied, want bij Hem zijn zeggen en doen niet twee, al zijn zij dit dikwijls bij ons.
3. Wij moeten in het gebed ons de vertroosting toe-eigenen van hetgeen God ons verschaft en op ons gevestigd heeft. God heeft aan David beloofd hem te geven:
a. Het hart van zijn onderdanen, en daarom beschouwt hij de onderscheidene delen des lands reeds als het zijne. Sichem en Sukkoth, Gilead en Manasse, Efraïm en Juda, zij zijn allen mijn, vers 9. Met zo'n verzekerdheid kunnen wij spreken van de vervulling van hetgeen God beloofd heeft aan de Zone Davids, Hij zal Hem, zonder te falen, de heidenen geven tot Zijn erfdeel en de einden van de aarde tot Zijn bezitting, want aldus heeft Hij gesproken in Zijn heiligheid, ja, en van al de particuliere personen die Hem gegeven zijn, zal Hij er geen verliezen, evenals David, zal ook Hij het hart hebben van Zijn onderdanen, Johannes 6:37.
b. De nek van Zijn vijanden, dit is beloofd, en daarom beschouwt David Moab, Edom, en Palestina reeds als het zijne, vers 10. Over Palestina zal ik juichen, hetgeen Psalm 60:10 verklaart en opheldert: "juich over mij, o gij Palestina!" hetgeen naar sommiger oordeel gelezen moet worden: "o mijne ziel, juich over Palestina." Zo is de verhoogde Verlosser aan Gods rechterhand gesteld, in de volle verzekerdheid, dat ter bestemder tijd Zijn vijanden gesteld zullen worden tot een voetbank van Zijn voeten, hoewel Hem "nu nog niet alle dingen onderworpen zijn, , Hebreeën 2:8..
4. Wij moeten aangemoedigd zijn door het begin van de zegen, en hopen op de voltooiing ervan, vers 10, 11. "Wie zal mij voeren in een vaste stad, die nog niet veroverd is? Wie zal mij meester doen worden van het land van Edom, dat nog niet onderworpen is?" Deze vraag moest voorzeker behandeld worden in zijn geheime raad, of in een krijgsraad: Welke methoden zij moesten aanwenden om de Moabieten te onderwerpen, en alzo dat land tenonder te brengen. Maar hij brengt die vraag in zijn gebed, en geeft de zaak over in Gods handen: Zult Gij het niet zijn, o God? Voorzeker zult Gij het zijn. Het is waarschijnlijk dat hij met te meer verzekerdheid sprak van de verovering van Edom vanwege de aloude Godsspraak betreffende Jakob en Ezau, dat de oudste de jongsten zou dienen, en de zegen van Jakob, door welke hij tot een heer over Ezau gesteld was, Genesis 27, 37.
5. Wij moeten in het gebed niet ontmoedigd worden, ons aangrijpen van God niet opgeven, al is het ook dat God ons in Zijn voorzienigheid misnoegen betoond heeft. "Hoewel Gij ons hadt verstoten, zult Gij nu toch uittrekken met onze heirkrachten, vers 12. Gij zult ons wederom vertroosten naar de dagen, in welke Gij ons gedrukt hebt." Rampspoedige gebeurtenissen zijn soms bedoeld ter beproeving van de standvastigheid van ons geloof en ons gebed, waarin wij behoren te volharden, welke moeilijkheden er zich ook voordoen op onze weg, en niet verslappen.
6. Wij moeten hulp zoeken van God en alle vertrouwen op het schepsel laten varen, vers 13. Heere, geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, maak onze plannen voorspoedig, en verijdel de raadslagen van onze vijanden tegen ons." Het is niet ontijdig om te spreken van benauwdheid terzelfder tijd dat wij spreken van overwinning en juichen, inzonderheid als het is om ons aan te vuren in het gebed om hulp van de hemel, en dan is dit een goede pleitgrond: want des mensen hulp is ijdelheid. Zij is dit in werkelijkheid, en daarom is het met ons gedaan zo Gij ons niet helpt, wij zien dit in, en daarom steunen wij op U om hulp te verkrijgen, en hebben zoveel te meer reden om haar te verwachten.
7. Wij moeten geheel en al steunen en betrouwen op de gunst en genade van God, beide voor kracht en voor voorspoed in ons werk en onze krijg, vers 13..
a. Wij moeten het onze doen, maar wij kunnen niets uit onszelf, het is alleen in God, dat wij kloeke daden zullen doen. Paulus erkent dat zelfs hij niets vermag, niets dat nuttig is, dan door Christus, die hem kracht geeft, Filipp. 4:13.
b. Als wij ook nog zo ons best gedaan hebben, kunnen wij toch door generlei verdienste of kracht van onszelf welslagen, het is God zelf, die onze wederpartijders zal vertreden, want met al onze dapperheid zijn wij er niet toe instaat. Wat we ook doen, wat wij ook verkrijgen, God moet er al de eer voor ontvangen.