Hebreeën 2:5-9
De apostel, na deze verheven verklaring omtrent de leer van de persoonlijke voortreffelijkheid van Christus boven de engelen gegeven te hebben, keert nu tot dat aangename onderwerp opnieuw terug en vervolgt het, vers 5.
Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.
I. Hier geeft de apostel ene ontkenning, die ene bevestiging insluit. De staat van de evangelische gemeente, hier de toekomende wereld genoemd, is niet onderworpen aan de engelen, maar onder de persoonlijke zorg en regering van den Verlosser zelf. Zomin de staat van de gemeente, zoals zij thans is, als die geheel herstelde staat, waarin zij verkeren zal als de overste der wereld zal zijn buiten geworpen en de koninkrijken der aarde het koninkrijk van Christus zullen geworden zijn, is overgelaten aan de regering der engelen, maar Jezus Christus zal Zijn grote macht aannemen en zegevieren. Hij maakt van den dienst der engelen niet hetzelfde gebruik bij het geven van het Evangelie als bij het geven der wet, die was de staat van de oude of verouderende wereld. De nieuwe wereld is onderworpen aan Christus en onder Zijn volstrekte en enige heerschappij gesteld, in alle geestelijke en eeuwige opzichten. Christus heeft de regering van de gemeente des Evangelies, hetgeen tegelijkertijd de eer van Christus en de gelukzaligheid en veiligheid der gemeente te kennen geeft. Het is zeker dat noch de eerste stichting van de gemeente des Evangelies, noch haar verdere opbouw en regering, noch haar eindoordeel en volmaking aan de engelen is opgedragen, maar aan Christus. Zo grote belangen wilde God niet aan Zijne heiligen overlaten, voor zulk een taak zijn de engelen te zwak.
II. Hier volgt een beschrijving uit de Schrift van dien gezegenden Jezus, aan wie de wereld des Evangelies onderworpen is. Zij is genomen uit Psalm 8:5-7. Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt? Of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt? enz. Deze woorden moeten beschouwd worden als toepasselijk zowel op de mensheid in het algemeen, als, zoals hier geschiedt, op den Heere Jezus Christus.
1. Toepasselijk op de mensheid in het algemeen. In dien zin vinden wij hier een hartelijke, dankbare lofverheffing van den groten God voor Zijn wonderbare neerbuiging en vriendelijkheid voor de kinderen der mensen.
A. Hij gedenkt hunner en is zorgzaam voor hen, zij bestaan alleen door den raad Zijner goddelijke liefde. De gunsten van God voor de mensen ontspringen alle uit Zijn eeuwige gedachten en voornemens van barmhartigheid voor hen, gelijk al onze plichtmatige eerbied voor God zijn oorsprong vindt in ons gedachtigzijn aan Hem. God is altijd bezig met ons, laat ons nooit Hem vergeten.
B. Hij bezoekt hen. Gods genadig voornemen met de mensen is vruchtbaar in genadige bezoeken aan hen, Hij komt om ons te zien, hoe het met ons is, wat wij najagen, wat ons ontbreekt, aan welke gevaren wij blootgesteld zijn, welke moeilijkheden wij ontmoeten, en door Zijn bezoeken wordt onze geest bewaard. Laat ons zo Gode gedenken, dat wij dagelijks in den weg van plicht Hem naderen. C. Hij maakt den mens het hoofd van alle schepselen in deze lagere wereld, den gevelsteen van Zijn gebouw, het voornaamste doel van Gods wegen op aarde, en alleen een weinig minder dan de engelen in plaats en ten opzichte van het lichaam zolang hij hier is, om te worden gelijk de engelen en de gelijke der engelen, bij de opstanding der rechtvaardigen, Lukas 20:36.
D. Hij kroont hem met heerlijkheid en eer, de eer van te bezitten edele krachten en vermogens der ziel, uitnemende leden en delen des lichaams, waardoor hij aan beide werelden verbonden is, bekwaam om de belangen der beide werelden te dienen en om van beide de gelukzaligheid te genieten.
E. Hij geeft hem recht en heerschappij over de lagere schepselen, welke voortduren zolang hij voortgaat in verbinding met God en in zijn plicht jegens God.
2. In toepassing op den Heere Jezus. En alles wat hier gezegd wordt is op Hem toepasselijk, en op Hem alleen, vers 8, 9. En hier kunnen wij opmerken:
A. Welke de bewegende oorzaak is van al de vriendelijkheid door God aan de mensen betoond, door Christus voor hen en aan hen te geven. Dat is de genade van God. Want: wat is de mens?
B. Wat de vruchten van deze vrije genade Gods zijn, ten opzichte van de gave van Christus voor ons en aan ons, zoals zij opgenoemd worden in deze Schriftuurplaats.
a. Dat God voor ons aan Christus gedacht in het verbond der verzoening.
b. Dat God om onzentwil Christus bezocht, en tussen hen beiden besloten werd dat Christus in de volheid der tijden in de wereld komen zou als de grote waarachtige offerande.
c. Dat God Hem een weinig minder dan de engelen gemaakt heeft, door Hem mens te maken om te kunnen lijden en zich te vernederen tot den dood toe.
d. Dat God de menselijke natuur van Christus met heerlijkheid en ere kroonde, die in haar wezen volkomen heilig was, en den Geest had zonder mate, en in welke door een onafscheidelijke vereniging met de goddelijke natuur in den tweeden Persoon van de Drie-eenheid de volheid der Godheid lichamelijk woonde, opdat Hij door Zijn lijden voldoening aanbrengen zou, voor allen den dood smakende, krachtig gevoelende en ondergaande de bittere angsten van dien schandelijken, smartelijken en vervloekten kruisdood, en daardoor de gehele mensheid in een nieuwen proefstaat overbrengende.
e. Dat Hij met heerlijkheid en eer gekroond werd, als een beloning voor Zijne vernedering in het lijden des doods, bevorderd tot de hoogste waardigheid in den hemel, bekleed met volstrekte regeermacht over alle dingen, en dat daardoor die oude Schriftuurplaats in Christus vervuld werd, welke nooit zo volkomen vervuld was in enigen mens, die ooit op aarde leefde.