Psalm 106:34-48
I. Het verhaal besluit hier met een bericht van Israëls gedrag in Kanaän, dat van dezelfde aard was als hun gedrag in de woestijn, en van Gods handelingen met hen, waarin steeds gerechtigheid en goedertierenheid uitblonken.
1. Zij waren zeer tergend voor God. De wonderen en weldadigheden, die hen vestigden in Kanaän, hebben geen dieper en blijvender indruk op hen gemaakt dan die, door welke zij uit Egypte waren bevrijd, want toen zij nog pas in Kanaän gevestigd waren, verdierven zij zich en verlieten God. Let op het graduele van hun afval.
A. Zij spaarden de volken, die door God ten verderve waren gewild, vers 34. Toen zij in het bezit waren van het goede land, dat God hun beloofd had, hadden zij geen ijver tegen de goddeloze inwoners, die de Heere hun bevolen had uit te roeien, medelijden voorwendende, maar God is zo barmhartig, dat geen mens barmhartiger behoeft te zijn dan Hij is.
B. Toen zij hen spaarden, vleiden zij zich dat zij toch nooit in enigerlei gevaarlijke verwantschap met hen zouden komen, maar de weg van de zonde gaat bergafwaarts, nalaten baant de weg voor doen. Toen zij verzuimd hadden de heidenen te verdelgen, is het volgende nieuws, dat wij van hen horen: zij vermengden zich met de heidenen, zij sloten verbonden met hen, werden gemeenzaam met hen, zodat zij hun werken leerden, vers 35. Hetgeen verrot is, zal eerder hetgeen gezond is bederven, dan er door genezen of gezond gemaakt te worden.
C. Toen zij zich met hen vermengden, en sommigen van hun werken leerden, die onschuldige vermaken schenen, dachten zij dat zij zich toch nooit met hen zouden verenigen in hun aanbidding, maar langzamerhand hebben zij ook dat geleerd, vers 36. Zij dienden hun afgoden, op dezelfde wijze en met dezelfde gebruiken of plechtigheden, waarmee deze hen dienden. En zij werden hun tot een strik, die zonde sleepte andere na zich, en bracht de oordelen Gods over hen, waarvan zij zich wel bewust moesten wezen, maar zij konden niet meer tot zichzelf konen, wisten zich niet los te maken uit de strik.
D. Toen zij zich met hen verenigd hadden in sommige van hun afgoderijen, waarin zij dachten dat het minste kwaad was, hebben zij weinig gedacht dat zij zich ooit schuldig zouden maken aan die wrede en onmenselijke afgoderij: het offeren van hun levende kinderen aan dode afgoden, maar eindelijk zijn zij ook hiertoe gekomen, vers 37, 38 waarin Satan triomfeerde over zijn aanbidders, en zich onthaalde op bloed en moord. Zij hebben hun zonen en hun dochteren delen van henzelf de duivelen opgeofferd, en hebben moord, de onnatuurlijkste moord, bij hun afgoderij gevoegd, men kan er niet zonder afschuw aan denken. Zij vergoten onschuldig bloed, het onschuldigste bloed, want het was het bloed van kinderkens, ja het was het bloed hunner zonen en hunner dochteren. Zie de kracht van de geest, die werkt in de kinderen van de ongehoorzaamheid, en zie zijn boosaardigheid. Het begin van de afgoderij en van de bijgelovigheid is, evenals dat van het krakeel, gelijk een, die het water opening geeft, en er is geen slechtheid, waarvoor zij, die er zich toe begeven, zullen terugdeinzen, want God "heeft hen rechtvaardiglijk overgegeven in een verkeerden zin," Romeinen 1:28.
Ten dele was hun zonde hun straf want hierdoor: a. Benadeelden zij hun land. Het land is door deze bloedschulden ontheiligd geworden, vers 38. Dat goede land, dat heilige land werd onaangenaam, onbehaaglijk voor henzelf, en ongeschikt om de vriendelijke tekenen te ontvangen van Gods gunst en tegenwoordigheid, die bestemd waren om er de eer van te zijn.
b. Zij deden onrecht aan hun eigen geweten, vers 39. Zij hebben gehoereerd door hun daden, en zo hebben zij hun eigen gemoed verdorven, hebben zij zich ontreinigd door hun werken, zich hatelijk gemaakt in de ogen van de heilige God en misschien ook wel voor hun eigen geweten.
2. God bracht zijn oordelen over hen. Wat konden zij anders verwachten? Want Hij is een ijverig God.
A.. Dies is de toorn des Heeren ontstoken tegen Zijn volk, vers 40. De toorn Gods, dat verterende vuur, was tegen hen ontstoken, want hun heeft Hij het meer ten kwade geduid dan aan de heidenen, die Hem nooit gekend hadden, ja Hij walgde van hen, Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel, waarin Hij eens een welbehagen heeft gehad, doch de verandering was niet in Hem, maar in hen. Dat is het ergste in de zonde, dat het ons walglijk maakt voor God, en hoe nader iemand tot God staat in belijdenis, hoe walglijker hij is indien hij tegen Hem rebelleert, het is zoals een mesthoop aan onze deur.
B. Toen werden zij aangevallen door hun vijanden, en daar hun schaduw van hen geweken was, werden zij hun tot een gemakkelijke prooi, vers 41, 42. Hij gaf hen in de hand van de heidenen.
Merk hier op hoe de straf beantwoordt aan de zonde. Zij vermengden zich met de heidenen en leerden hun werken, van hen namen zij gewillig de besmetting van de zonde over, en daarom heeft God rechtvaardiglijk gebruik van hen gemaakt als de werktuigen hunner kastijding. Zondaars zien zich ten verderve gebracht door hen, door wie zij zich lieten verleiden. Satan, die een verzoeker is, zal een pijniger zijn. De heidenen haatten hen, afvalligen verliezen al de liefde van Gods zijde, en verkrijgen er geen van Satans zijde, en toen zij, die hen haatten, over hen heersten, en zij in onderwerping aan hen gebracht werden, was het geen wonder dat zij hen verdrukten en hen met hardheid regeerden, en aldus heeft God hun het verschil doen kennen tussen Zijn dienst en de dienst van de koninkrijken van de landen, 2 Kronieken 12:8.
C. Als God hun enige verlichting schonk, gingen zij toch voort met hun zonden, en zo bleef dan ook hun benauwdheid aanhouden, vers 43. Dit verwijst naar de dagen van de richteren, toen God hun dikwijls verlossers verwekt heeft, maar toch vielen zij dan weer terug in de afgoderij, en verbitterden God door hun raad, hun afgodische daden, zodat zij God er toe brachten om hen aan de een of andere verdrukker over te leveren, zodat zij ten laatste om hun ongerechtigheid zeer naar de diepte werden gebracht. Zij, die zichzelf verkleinen en verlagen door de zonde, en zich niet door berouw willen verootmoedigen, worden rechtvaardiglijk verlaagd en vernederd en door de oordelen Gods naar de diepte gebracht.
D. Eindelijk riepen zij tot God, en toen is God in gunst tot hen wedergekeerd, vers 44-46. Zij werden gekastijd voor hun zonden, maar niet verdelgd, nedergeworpen meer niet verstoten. God verscheen voor hen: a. Als een God van genade, die hun kommer aanzag. Hij zag hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde. Hij hoorde hun geschrei met medelijden, Exodus 3:7, en zag hun tergingen voorbij, want hoewel Hij gezegd had en reden had om het te zeggen- dat Hij hen wilde verdelgen, berouwde het Hem naar de veelheid van Zijn goedertierenheden, en vernietigde Hij het vonnis, hoewel Hij geen mens is dat het Hem berouwen zou, alsof Hij van zin veranderde, is Hij toch een genadig God, die zich over ons ontfermt, en dan Zijn wijze van doen verandert.
b. Als een God van waarheid en trouw, Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en vervulde ieder woord, dat Hij had gesproken, en daarom, slecht als zij waren, wilde Hij niet met hen breken, omdat Hij Zijn belofte niet wilde breken.
c. Als een God van macht, die alle harten in Zijn hand heeft, en ze neigt waarheen Hij wil. Hij gaf hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden en hen hadden gehaat en hen met hardheid hadden geregeerd. Hij heeft niet slechts het overblijfsel van de toorn hunner vijanden opgebonden, opdat die hen niet geheel zou verteren, maar Hij stortte medelijden zelfs in hun harde hart, en maakte hen toegevend, hetgeen meer was dan door menselijke kunst van de krachtigste welsprekendheid teweeggebracht kon worden. God kan leeuwen in lammeren verkeren, en zo iemands wegen de Heere behagen, zal Hij maken dat zelfs zijn vijanden medelijden met hem hebben en met hem bevredigd worden. Als God zich ontfermt, zal de mens ook medelijden hebben. "Tranquillas Deus tranquillat omnia. Als God met ons verzoend is, zal hierdoor alles bevredigd zijn."
II. De psalm besluit met gebed en lofzegging.
1. Gebed voor de voltooiing van de verlossing Zijns volks. Zelfs toen de Heere de gevangenen Zijns volks wederbracht, was het toch nog nodig te bidden: "O Heere, wend onze gevangenis," Psalm 126:1, 4. Zo ook hier: vers 47. Verlos ons, Heere, Heere, onze God, en verzamel ons uit de heidenen. Wij kunnen onderstellen, dat velen, die in de tijd van de richteren genoodzaakt waren om, zoals Naomi, Ruth 1:1, de wijk te nemen naar vreemde landen, in het begin van Davids regering nog niet waren teruggekeerd, daar Sauls tijd niet moedgevend was, en daarom was het tijdig en gepast om te bidden Heere, vergader de verstrooide Israëlieten uit de heidenen, opdat zij de naam Uwer heiligheid loven, niet alleen dat zij reden mogen hebben om te loven en te danken, en harten mogen hebben om te danken, maar dat zij de gelegenheid mogen hebben om het te doen in de voorhoven van het huis des Heeren, waarvan zij nu gebannen waren, en zich aldus mogen beroemen in Uwen lof, tegenover hen, die hen in minachting honend hebben opgeroepen de liederen des Heeren te zingen in een vreemd land.
2. Lof voor het begin en de voortgang ervan, vers 48. Geloofd zij de Heere, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. Hij is een gezegende God van eeuwigheid, en zal dit zijn tot in eeuwigheid, laat Hem dan als zodanig door al Zijn aanbidders geloofd en geprezen worden. Laat de priesters dit zeggen, en laat dan al het volk amen zeggen, amen, Hallelujah, ten teken van hun hartelijke instemming met deze gebeden, lofzeggingen en belijdenissen van zonde. Naar deze regel bevinden wij, dat het volk als deze psalm, of ten minste de slotverzen ervan, gezongen werden, Amen zei, en de Heere loofde door te zeggen Hallelujah. Het is zeer passend om door deze twee veelbetekenende woorden instemming te betuigen met des leraars gebeden en lofzeggingen, die hij, als de mond van de gemeente, Gode aanbiedt, overeenkomstig Zijn wil, zeggende Amen op de gebeden, en Hallelujah bij de lofzeggingen.