4. En de vierentwintig ouderlingen en de vier dieren (levenden) vielen neer en aanbaden God, die op de troon zat (
Hoofdstuk 5:14), zeggende om het dubbele Hallelujah (
Vers 1,
3) te bevestigen en het van hun zijde door een derde aan te vullen: "Amen, Hallelujah! "
Het "als" bij de woorden "een grote stem van een grote schare" stelt vergelijkend voor, dat het geluid door Johannes vernomen zo sterk is geweest, alsof een grote menigte van mensen haar stem met kracht laat horen. Met het "Hallelujah" wordt dan tevens dadelijk en herhaaldelijk (Vers 3, 4, 6) de hoofdtoon van het gezang als dat van een verheven loflied voorgesteld. En zeker is het niet zonder bedoeling, dat juist hier, waar het hele oordeel over de vijanden van God en van Zijn volk reeds begonnen is, het uitdrukkelijke Hallelujah wordt gevonden, dat overigens in de Openbaring n ook in het Nieuwe Testament niet meer voorkomt. Zijn oorsprong heeft het Hallelujah in Psalm 104:35 en het kan nauwelijks aan enige twijfel onderhevig zijn, of hier in het bijzonder op deze plaats wordt gedoeld. Dat het Hebreeuwse woord wordt behouden, evenals het Amen en het Hosanna, dient om te wijzen op het inwendig verband van de gemeente van het Nieuwe Testament met die van het Oude.
Met het "Amen, Hallelujah! " is het loflied geëindigd voor het oordeel, dat aan het grote Babel is volbracht, maar juist daarom nog niet het loflied in het algemeen; want er blijft nog een andere daad van God over, waarvoor Hij eveneens moet worden geprezen.
De tijd, waarin de antichrist, nadat de 10 koningen de mededingster, die de volle verwezenlijking van zijn plannen tot hiertoe nog tegenstonden, de Roomse Kerk met haar opperhoofd (vgl. Ezechiel 28:1-19) terzijde heeft gesteld en daarop haar kracht en macht aan dezen hebben overgegeven (Hoofdstuk 17:13), zijn heerschappij zal uitoefenen, is bepaald. Die is reeds vastgesteld door de profetie, die de profeet van het Oude Testament (Daniël 12:6 v.) uit de mond van de Zoon van God zelf ontvangen heeft ("een bestemde tijd, bestemde tijden en een helft" in het geheel 3 jaar) en vervolgens is die bevestigd door het woord van Christus in Mattheus 24:22, zodat aan Johannes daarover geen nadere mededeling gegeven hoefde te worden, dan de herhaling over dat punt in Hoofdstuk 12:14 ingelast. De kerkelijke toestanden en burgerlijke verhoudingen onder deze heerschappij zijn in Hoofdstuk 13 en met de voorstelling van de zevende schaal van de toorn in Hoofdstuk 16:17-21 reeds duidelijk genoeg getekend, waarbij nog het woord van de apostel in 2 Thessalonicenzen 2:3-12 komt, zodat over dat alles op deze plaats wordt heengegaan en met het drievoudig Hallelujah over de val van het grote Babel in de volgende verzen tevens een vierde over de oprichting van het rijk van Christus, waarna de val van de antichrist onmiddellijk voorafgaat, verbonden wordt. Het papisme is de oprichting van het rijk van Christus op aarde in een uitwendige wereldlijke heerschappij door mensen geweest; wel met een goede mening, maar toch ook met duizendvoudig overschrijden van het recht van de Kerk en teweeg gebracht onder onnoembaar vele en zware zonden. Deze kon alleen plaats hebben door hoererij met de wereld en doordat de Kerk, die dat ondernam, tenslotte tot de grote hoer werd gemaakt, die op de ontzettendste gedaante van de macht van de wereld gezeten is. De Heere neemt nu de zaak zelf ter hand, vernietigt beide, de hoer en het beest en geeft dan aan het duizendjarig rijk, dat Hij in Israël heeft opgericht (Hoofdstuk 20:1) en daarmee aan het uitverkoren volk de daaraan geschonken belofte van de heerlijkheid van het rijk van David onder de ware Salomo; aan de theocratie; die vorm, die met Zijnen heiligen wil overeenstemt. Zo is de volgende afdeling Vers 5-10, zoals Hengstenberg zich uitdrukt, het voorportaal tot het gebouw, dat van Vers 11 af zich aan onze blikken voordoet, dit omvat echter niet de hele afdeling: Hoofdstuk 19:11-20:15, maar beperkt zich tot Hoofdstuk 20:1-6 Vers 11-21 leert, wat eerst nog moet worden opgeruimd eer het gebouw kan worden opgetrokken; die wegneming is echter zo'n vluchtig werk, dat het slechts de ziener hoeft te worden herinnerd en voor het koor van de hemelingen zo goed als niet aanwezig is, waarom zij nu reeds hun lofgezang laten horen.
Het oordeel over de grote hoer is overeenkomstig Gods waarheid en gerechtigheid. Wanneer Hij ook lang vertoeft, gaat Hij toch eindelijk met volle strengheid tegen Zijn vijanden te werk en vergeldt hen naar hun handelingen. De rechtvaardigen noemen hier de grote hoer, namelijk de afvallige Europese Christenheid, waar het Pausdom aan het hoofd staat, dat tot de toekomst-religie is overgegaan. Openbaring 7:5 De zwaarste misdaad was de afgoderij van de grote hoer en vervolgens de moord van de getuigen, wier bloed aan haar hand kleeft. Voor deze beide wandaden wordt in deze wereld op zo vreselijke wijze wraak aan haar genomen, maar nog nadrukkelijker in de toekomstige verdoemenis. De vrouw heeft alle natiën door de toverij van haar zingenot vervoerd en de hoer heeft de aarde door de hoererij van haar godsdienst-vervalsing verdorven. De hoer en de vrouw wedijveren met elkaar in boosheid; evenwel was de hoer de ziel van de vrouw.
Zelfs bij haar verdoemenis doen de rechtvaardigen een Hallelujah horen. De wraakneming over het bloed van de Godsknechten is juist die verdoemenis; de lichamelijke dood en de verwoesting van haar woonplaats zou voor zulke gruwelen nog weinig betekenen. De verdoemenis van deze geesten is van alle zijde beschouwd billijk en wordt door Gods rechtvaardigheid streng geëist. Lang heeft Hij in Zijn onuitsprekelijk geduld verbeid en rustig toegezien, hoe zij Zijn Evangelie misbruikt, afgeschaft en Zijn knechten omgebracht hebben. Ten slotte gebruikt Hij geweld; het vuurvlammende Godsgericht treft hen met alle strengheid, het uur van hun veroordeling is daar en zij lijden smart in de vlam, welker rook tot in de eeuwigheid der eeuwigheden opstijgt (Openbaring 4:10, 11).
Deze "grote schare" bestaat uit de heiligen, benevens de Apostelen en Profeten. Johannes hoort haar in de geest; want er wordt een jubelzang aangeheven over een gebeurtenis, die nog niet plaats gehad had, maar pas in de toekomst zou voorvallen. In wezenlijkheid weergalmde dit loflied pas eeuwen later bij Rome's ondergang. Zij roepen: "Hallelujah! " Hoe vaak hadden de vrienden van Jezus dat Hallelujah gezongen in dit tranendal; gezongen te midden van de verdrukkingen, die zij van de wereld te verduren hadden; gezongen om er hun verslagen harten door op te beuren en zich te sterken in het geloof in en vertrouwen op God. Nu viert de gemeente van de volmaakt rechtvaardigen de zegepraal over een van de vreselijkste verschijnselen, waarin zich immer de tegen God vijandige macht heeft geopenbaard, het Romeinse rijk. Hoe vaak had de gemeente, toen zij nog behoorde tot de strijdende Kerk, reden gehad tot twijfel, of het heil wel van de Heere was! De grote hoer kon ongestraft de hele wereld bezoedelen met haar hoererij en zich dronken drinken aan het bloed van de heiligen. Maar nu zijn alle nevelen weggevaagd; de diepten en raadselen van het Godsbestuur over wereld en Kerk zijn opgelost; de vreselijke macht is ontbonden, de kruisgemeente verlost en de Heere heeft getoond dat Zijn zegen is over Zijn volk. Nu is het openbaar geworden, dat "van Zijn is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid, Amen! "
Dit herhalen geeft de overvloed van vreugde en van ijver in het prijzen van God te kennen, die niet voldaan is met een aanheffing en opwekking tot Gods lof, maar aandringt om het gezang opnieuw bij het eindigen op te vatten.