34. Mijne overdenking van Hem, mijne rede, waarmee ik Hem prijs (
Vers 24), zal zoet zijn, voor mij zal het ene vreugde zijn Zijne volmaaktheden te bepeinzen en Hij zal er een welgevallen in hebben (
Vers 31); ik zal mij in den HEERE verblijden, en weet, dat ik daardoor Hem vreugde verschaf. 35. De zondaars daarentegen, die Zijne eer schandvlekken en Zijnen toorn doen ontbranden, zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn 1), zodat zij niet langer het bestaan der op zichzelve zo goede schepping in gevaar brengen. Loof den HEERE, mijne ziel! Hallelujah! d.i. Looft den Heere, alle gij Zijne schepselen.
1) Deze ontboezeming hangt ten nauwste zamen met de uitspraak: de Heere verblijde Zich in Zijne werken. Want dewijl de zondaars de wereld door hun ongerechtigheden verderven, daaruit vloeit voort, dat zij aan God minder aangenaam is en Zijn werk Hem licht mishaagt. Want het kan niet anders, of die bezoedeling beledigt Hem, welke door alle delen verspreid ligt, bederft en ontsiert Zijn zo heerlijk werk. Derhalve, dewijl de goddelozen door een verkeerd misbruik van de gave Gods maken, dat de wereld enigszins ontaardt en afwijkt van haar oorspronkelijke bestemming, begeert de Profeet terecht, dat zij uitgeroeid worden, totdat zij geheel vergaan. Laten wij ons derhalve herinneren, dat de Voorzienigheid Gods zo uitblinkt, dat wij tot gehoorzaamheid er aan geroepen, de weldaden; welke Hij tot ons gebruik heeft bestemd, zuiver en wettig gebruiken. Vervolgens, dat het ons smarte, dat zulke kostbare schatten goddeloos worden verkwist..
Tot aan het einde toe lag op het gehele lied der schepping een paradijsglans van vreugde en van vrede een glans, die van de heerlijkheid Gods afstraalde op de geschapene wereld, van welke Hij erkende, dat alles zeer goed was, en die in Hem de bron van haar leven heeft en den rijkdom Zijner grote goedheid dagelijks geniet. Maar reeds het woord van het afkeren van Zijn aangezicht, en het terugkeren van Zijn schepsel tot het stof, nog meer die innige wens, dat de Heere de echo zijner heerlijkheid uit de schepselen, op welke Hij ze gelegd heeft, steeds moge ontvangen en Zich in Zijne werken verheuge, verandert den toon van het lied des lofs in dien van heiligen ernst. Daaruit is de belofte geboren, dat hij van zijne zijde zich levenslang aan den lof zijns Gods zal houden, met zijne overdenking den Heere wil behagen en zich in zijnen God wil verheugen. Daaruit is ook voortgekomen de heilige verwensing der zondaars, die den Heere door hunnen gehelen wandel de eer ontroven en de vreugde wegnemen. Doch gelijk hij reeds te voren het verlangen naar de eeuwige eer des Heeren uitgesproken heeft, zo sluit het lied gelijk het ook bij elke prediking moet zijn, niet met de aankondiging van straf, maar de laatste toon is een uitroepen van Gods ere, en een oproepen van alle schepselen tot des Heeren lof, ene profetie van den nieuwen hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, waar God alles in allen is en het eerste en laatste woord een Hallelujah zijn zal. Wij vinden hier het Hallelujah het laatst in dezen Psalm, en het is opmerkelijk, dat dit Hallelujah in vereniging voorkomt met het uitzicht op de gehele vernietiging der goddelozen. Vervolgens komt het nog 25 malen in de Psalmen en twee malen in de Openbaring 19:1, 3) voor..
Zou Hij die de gehele schepping voedt ene gekochte ziel kunnen laten sterven? Terwijl Hij alles met vreugde onderhoudt, alles bestuurt, en Zich verheugt in Zijne werken, laat gij uwe zielen, geroerd door deze genade, overpeinzen en loven. Terwijl de verharde zondaars van de aarde worden weggedaan en in de hel geworpen, mogen onze Hosanna's en Hallelujah's opklimmen tot Hem, die ons beminde en Zichzelven voor ons gaf. Vijfde tafereel! (Vers 34, 35). De zee met hare ontelbare bewoners, de vloten op haren rug, de vissen in haren schoot, de onafzienbare kolk met zijn vierendertig millioen vierkante mijlen water, ene speelplaats, waar voor Gods aangezicht de reusachtige monsters dartelen, gelijk voor ons gewapendoog de infusiediertjes in een waterdrop.
Ene terugkaatsing wederom van het Mozaïsch tafereel: "En God zei: Dat de wateren overvloedig voortbrengen een gewemel van levende zielen! En God schiep de grote walvissen, en alle gevleugeld gevogelte. En God zegende ze en zei: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt! Toen was `t avond geweest en morgen geweest: de vijfde dag." En gelijk op den zesden dag, de mens, meesterstuk en kroon der aardse schepping, ten laatste verschijnt om den almachtigen Schepper van al deze wonderen en heerlijkheden te aanbidden, zo lost ten slotte de Psalm zich op in één bezielden lof ter ere van Hem, Wiens grote huishouding dit alles is, de Bron van alle leven, den milden Verzorger van aller bestaan, den Heere voor Wien alles moet beven en die waardig is dat men Hem love-de tegenoverstelling van de goddelozen, die een wanklank zijn in de harmonie der schepping en ene smet op Gods schone aarde.
Wat dunkt u, M.H.! had Herder geen recht om naar aanleiding van dit lied te getuigen: Deze Psalm verenigt schoonheid en waarheid. Wat heb ik aan al de Mythologiën, zo zij mij niets leren? Wat baat het mij, dat de Noordse Edda den hemel als het bekkeneel van een verslagen reus voorstelt, uit wiens gebeente de aarde, uit wiens bloed de wateren zijn voortgekomen? Deze Davidspoëzie is poëzie van het hart en het verstand. Wij kunnen bij Job misschien verhevener schilderingen van de formatie der aarde aantreffen, maar waarachtiger en schoner zijn er niet!
Het is een eigenaardig kenmerk der Hebreeuwse natuurpoëzie, dat zij als ene terugkaatsing van het geloof in Gods eenheid, ook het ganse heelal in Zijne eenheid beschouwt. De natuur wordt niet afgeschetst als op zich zelf bestaande, als iets dat door eigene schoonheid wordt verheerlijkt; de gewijde zanger beschouwt ze altijd in verband met ene hogere werkzame geestelijke macht. De natuur is hem schepping, in hem zamenstel, de levendige uitdrukking aan de alomtegenwoordigheid Gods in de zichtbare wereld. Men zou kennen beweren, dat in dezen 104den Psalm alleen het beeld van het ganse heelal is opgehangen. Men moet verbaasd staan als men in een lied van zo geringen omvang in enkele grote trekken hemel en aarde geschilderd ziet. Tegenover het veel bewogen leven in de natuur staat hier het stil en moeitevol arbeiden des mensen van den opgang der zon totdat de avond een einde aan het dagwerk maakt. Deze tegenstelling, deze algemeenheid van opvatting bij de wisseling der onderwerpen, dit terugzien op de alomtegenwoordige, onzichtbare macht, die de aarde verjongen en tot stof verbrijzelen kan, dit alles brengt dat plechtige in dat lied teweeg, waardoor het behoort niet zozeer tot de gemoedelijke als tot de verhevene poëzie.
Geen der vier hemelstreken is zo gezegend op aarde als het helder Oosten, waar de opgaande zon de kindsheid des mensdoms bescheen. Daar lag het paradijs der onschuld ingesloten tussen zijne wier rivieren; daar zag de eerste mens, wijs, heilig en gelukkig al de wonderen dier jonge schepping, van welke de Heere God gezien had dat zij goed was. Daar wees Jehova Zijnen vriend Abraham het land, dat Hij hem en zijn nakroost had toegedacht, aan; een land overvloeiende van melk en honing; daar lag het beloofde, het verkregene, honderdmaal verbeurde, duizendmaal gezegende land, waar Jehova met Zijn volk woonde in het Heilige der Heiligen, waar Hij, door wien de wereld gemaakt was, in het vlees verscheen. Nog heden ten dage roemen de reizigers dat land als het schoonste van het gehele Oosten. En echter hebben, sinds Jehova Zijn zegen terug nam, Zijn tempel de verwoesting overgaf, en Zijn volk in ballingschap verstrooide, zoveel rampen dien bodem geteisterd, zoveel oorlogen hem platgetreden, zoveel barbaarsheid en dwingelandij zijne akkers uitgeput, dat het nauwelijks een denkbeeld meer geven kan van wat het eenmaal moet zijn geweest, het onvergelijkelijk Kanaän, met zijn Thabor en Karmel, met zijne Palmstad en Heilige stad, met zijn leven en vruchtbaarheid uitstortende Jordaan, zijn schilderachtige meren, bloeiende valleien, welige akkers; met zijn overvloed van wijndruiven, olijven, granaten, vijgen, dadels; met zijne duizenden en tien duizenden van schapen en lammeren, rondgeweid in grazige vlakten (in dat land van weelde woestijnen genoemd) en aan de aartsvaderlijke putten gedrenkt; het Kanaän waar de dichterlijke zoon van Isaï zijns vaders schapen hoedde. Hoe open was het hart van dezen jongeling voor de schoonheden der natuur, die hem omringde, voor de wonderen, welke de dag aan den dag, de nacht aan den nacht verkondigde, zijn zoetste wellust was het den bezielden toon zijner harp te paren aan het verheven lied, dat voor zijne oren de schepping aanstemde. Ook in de stilte van den nacht welde in zijn hart menig schoon gezang op, dat bestemd was om de opgetogenheid der volgende eeuwen uit te maken. Maar het is niet slechts de schepping, die hij schildert, het is niet slechts de indruk van berg en dal, boom en beek, hemel en aarde die hij wedergeeft; zijn geest klimt tot den Schepper op, zijn gemoed is vol van God. Dien heiligt hij stem en snaren. Davids liederen zijn Psalmen, lofzangen tot heerlijkheid des Allerhoogsten, wiens handenwerk, wiens grootheid, wiens goedheid, ja al wiens volmaaktheden hij op het gelaat der schepping leest, der schepping, die hij niet slechts aanschouwt bij het licht der geschapene zon, maar ook bij het licht van den Heiligen Geest. (N. BEETS).