Psalm 103:19-22
I. Hier is de leer van de algemene voorzienigheid uitgesproken, vers 19. Het geluk van Zijn bijzonder volk heeft Hij verzekerd door belofte en verbond, maar de orde van het mensdom en van de wereld in het algemeen verzekert Hij door Zijn gewone voorzienigheid. De Heere heeft een troon, een troon der heerlijkheid, een troon van de regering. Hij, die alles gemaakt heeft, bestuurt alles door Zijn woord en Zijn kracht. Hij heeft Zijn troon bevestigd, zodat hij niet kan wankelen, al de maatregelen van Zijn bestuur heeft Hij voorverordineerd, en Hij doet alles naar de raad Zijns willens. Hij heeft hem bevestigd in de hemelen boven ons, en buiten ons gezicht, want Hij "houdt het vlakke Zijns troons vast, Hij spreidt Zijn wolk daarover" Job 26:9, maar zelf kan Hij "door de donkere wolk heen oordelen," Job 22:13, vandaar dat gezegd wordt dat "de hemel heerst," Daniël 4:26 en wij worden er toe geleid om dit te bedenken door de invloed, die zelfs de zichtbare hemel uitoefent op deze aarde, Zijn gebied, Job 38:33, Genesis 1:16. Maar hoewel Gods troon in de hemel is en Hij daar Zijn hof houdt, en wij daarheen gewezen worden om tot Hem te gaan Onze Vader, die in de hemelen zijt, heerst toch Zijn koninkrijk over alles. Hij neemt kennis van al de inwoners en al de zaken van deze lagere wereld, en beschikt over alle personen en zaken naar de raad Zijns willens, tot Zijn eigen heerlijkheid, en niets is van Zijn rechtsgebied uitgezonderd.
II. De plicht van algemene lof en hulde die daarvan afgeleid is, indien allen onder Gods heerschappij zijn, dan moeten allen Hem hulde bewijzen.
1. Laat de heilige engelen Hem prijzen, vers 20, 21. Looft de Heere, Zijn engelen en wederom: Looft de Heere, al Zijn heirscharen, gij zijn dienaars. David had zichzelf en anderen opgewekt om God te loven en hier aan het einde roept hij de engelen op om dit te doen, niet alsof zij het nodig hadden om door ons opgewekt te worden om God te loven, zij doen het gestadig, maar aldus drukt hij zijn hoge gedachten uit van God als de aanbidding van de heilige engelen waardig zijnde, aldus spoort hij zichzelf en anderen aan tot die plicht door de overweging, dat het het werk is van engelen, en vertroost hij zich bij de bewustheid van zijn eigen zwakheid en tekortkoming in die plicht met de overweging dat er een wereld is van heilige engelen, die in Gods huis wonen en Hem steeds loven. Kortom: de zalige engelen zijn heerlijke, schitterende dienaren van de volzalige God.
Merk op:
A. Hoe bekwaam zij zijn voor de post, waarop zij zich bevinden. Zij zijn machtig want Zij zijn krachtige helden, zij zijn instaat om grote dingen tot stand te brengen, en onvermoeid met hun werk voort te gaan. En zij zijn even gewillig als bekwaam, zij zijn gewillig om hun werk te kennen, want zij doen Zijn woord, zij staan gereed om bevelen en instructies van hun grote Heere te ontvangen en "zien altijd Zijn aangezicht," Mattheus 18:10, teneinde op de eerste aanduiding van Zijn wil te letten. Zij zijn gewillig om hun werk te doen. Zij doen Zijn geboden, vers 20, zij doen Zijn welbehagen, vers 21. Zij betwisten Zijn bevelen niet, maar begeven zich geredelijk tot de uitvoering ervan, Zij stellen het ook niet uit, maar komen snellijk gevlogen. Zij doen Zijn bevelen, zodra zij de stem Zijns woords horen, aldus Dr. Hammond. Gehoorzamen is beter dan offerande, want engelen gehoorzamen maar offeren niet.
B. Wat hun dienst is, zij zijn Zijn engelen, Zijn dienaars, de Zijnen, want Hij heeft hen gemaakt, en heeft hen gemaakt voor Hemzelf, de Zijnen, want Hij gebruikt hen, ofschoon Hij hen niet nodig heeft, de Zijnen, want Hij is hun eigenaar en heer, zij behoren Hem toe, en zij staan Hem ten dienste. Alle schepselen zijn Zijn dienaars, maar niet zoals de engelen, die in de tegenwoordigheid van Zijn heerlijkheid zijn. Soldaten en zeelieden en alle goede onderdanen dienen de koning, maar niet op dezelfde wijze als de hovelingen, de staatsministers en de beambten van zijn huis.
a. Nu en dan, bij sommige gelegenheden, dienen de engelen God in deze lagere wereld, zij doen Zijn bevelen, gaan uit op Zijn boodschappen, Daniël 9:21, voeren Zijn krijgen, 2 Koningen 6:17, en verrichten diensten tot welzijn van Zijn volk, Hebreeën 1:14.
b. Zij loven Hem gestadig in de bovenwereld, hiermede begonnen zij intijds, Job 38:7, en nog is dit hun werk, waarvan zij "dag noch nacht rusten," Openbaring 4-8. Het is Gods heerlijkheid dat Hij zulke dienaren heeft, maar nog meer is het Zijn heerlijkheid, dat Hij hen niet nodig heeft en niet door hen bevoordeeld wordt.
2. Laat al Zijn werken Hem loven, vers 22, alle, aan alle plaatsen Zijner heerschappij, want daar zij allen Zijn werken zijn, zijn zij allen onder Zijn heerschappij, en zij zijn gemaakt en worden geregeerd om Hem te zijn tot een naam en een lof. Al Zijn werken, dat is: al de kinderen van de mensen in alle delen van de wereld, laat hen allen God loven, ja, en ook de mindere schepselen, die mee Gods werken zijn, laat hen Hem voorwerpelijk loven, daar zij het niet werkelijk kunnen, Psalm 145:10. Maar dit alles zal David er niet van vrijstellen om het te doen maar er hem veeleer toe opwekken om het met des te meer blijmoedigheid te doen, en deel te nemen aan dit concert, want hij eindigt zoals hij begon, vers 1, Loof de Heere, mijne ziel. God te loven en Hem eer te geven moet de alfa en omega zijn van al ons dienen. Hij begon met: Loof de Heere, mijne ziel! en toen hij nu deze voortreffelijke hymne had geschreven en gezongen tot Zijn eer, zei hij niet: Mijne ziel, gij hebt de Heere geloofd, zit nu neer, en rust, maar: Loof de Heere, mijne ziel! al meer en meer. Als wij nog zoveel gedaan hebben in de dienst van God, moeten wij ons opwekken om nog meer te doen. Gods lof is een onderwerp, dat nooit uitgeput zal raken, en daarom moeten wij nooit denken dat dit werk afgedaan is, voor wij in de hemel komen, waar het tot in alle eeuwigheid gedaan zal worden.