Johannes 3:22-36
In deze verzen hebben wij:
I. Christus' vertrek naar het land van Judea, vers 22, waar Hij met Zijne discipelen verbleef.
1. Nadat onze Heere Jezus Zijn openbaar dienstwerk had aangevangen, heeft Hij veel gereisd, zoals ook de aartsvaders gedaan hebben. Het behoorde grotelijks tot Zijn staat van vernedering, dat Hij geen vaste woonplaats had, maar, evenals Paulus, in reizen menigmaal is geweest, en evenzo was het ook een voorbeeld van Zijn onvermoeiden ijver in het werk, waarvoor Hij in de wereld was gekomen, dat Hij rondtrok om het te kunnen doen, menige moeizamen voetstap heeft Hij afgelegd om goed te doen aan de zielen. De Zon der gerechtigheid heeft een wijden cirkel beschreven om Zijn licht en Zijne warmte te verspreiden, Psalm 19:6.
2. Hij placht niet lang te Jeruzalem te blijven. Hoewel Hij er dikwijls heenging, is Hij toch altijd, evenals nu, spoedig naar het land teruggekeerd. Na dezen, nadat Hij dit gesprek met Nicodemus gehad heeft, kwam Hij in het land van Judea, niet zozeer tot meerdere afzondering, (hoewel nederige en onbekende plaatsen den nederigen Jezus het meest schikten in Zijn staat van vernedering) als wel om meer nuttig te kunnen zijn. Wellicht hebben Zijne prediking en Zijne wonderen het meest gerucht gemaakt te Jeruzalem, de bron van alle nieuwstijdingen, maar zij deden er het minste goed, dáár, waar de aanzienlijkste mannen van de Joodse kerk den meesten invloed hadden.
3. Toen Hij in het land van Judea kwam, gingen Zijne discipelen met Hem, want dezen waren het, die met Hem steeds gebleven zijn in Zijne verzoekingen. Velen, die tot Hem toestroomden te Jeruzalem, konden Hem niet volgen naar het land, zij hadden er niets te doen, maar Zijne discipelen vergezelden Hem. Als de ark verreist, dan is het beter om ook te verreizen en haar te volgen (zoals zij gedaan hebben, van wie wij lezen in Jozua 3:3) dan zonder haar stil te blijven zitten, al was het ook in Jeruzalem zelf.
4. Dáár onthield Hij zich met hen, dietribe -Hij ging met hen om, hield gesprekken met hen. Hij heeft zich niet voor Zijn gemak en genoegen teruggetrokken op het land, maar om vrijer met Zijne discipelen te kunnen omgaan, zie Hooglied 7:11, 12. Zij, die bereid zijn om met Christus te gaan, zullen Hem bereid vinden om bij hen te blijven. Men veronderstelt, dat Hij nu vijf of zes maanden in die landstreek gebleven is.
5. Dáár doopte Hij, Hij liet als discipelen toe de zodanige, die in Hem geloofden, en meer eerlijkheid en moed hadden, dan die te Jeruzalem waren, Hoofdstuk 2:24. Johannes begon te dopen in het land van Judea, Mattheus 3:1, daarom is Christus aldaar begonnen, want Johannes had gezegd: Er is Een, die na mij komt. Hij zelf doopte niet met Zijn eigen hand, maar Zijne discipelen deden het op Zijn bevel en naar Zijne aanwijzing, gelijk blijkt uit Hoofdstuk 4:2. Maar het dopen Zijner discipelen was Zijn dopen. De heilige inzettingen zijn van Christus, al worden zij ook door zwakke mensen bediend.
II. Johannes' volharding in zijn werk, zo lang hij er de gelegenheid toe had, vers 23, 24. Hier wordt ons gezegd: 1. Dat Johannes doopte. In zijn wezen was de doop van Christus gelijk aan dien van Johannes, want Johannes getuigde van Christus, en daarom waren zij volstrekt niet met elkaar in strijd. Maar:
a. Christus begon het werk der prediking en des doops, voordat Johannes het had neergelegd, ten einde gereed te zijn om Johannes' discipelen te ontvangen, als hij weggenomen zou worden, en aldus kon het werk zonder stoornis voortgaan. Het is voor mensen, die een werkzaam, nuttig leven leiden, ene vertroosting om diegenen te zien, die hun plaats zullen innemen en hun werk zullen voorzetten.
b. Johannes volhardde in zijn werk van prediken en dopen, ofschoon Christus er nu mede begonnen was, want, naar de mate der gave hem gegeven, wilde hij de belangen van Gods koninkrijk blijven bevorderen. Er was nog werk te doen voor Johannes, want Christus was nog niet algemeen bekend, en het hart des volks was nog niet ten volle bereid voor Hem door berouw en bekering. Van den hemel had Johannes zijne orders ontvangen, en hij wilde voortgaan met zijn werk totdat hij vandaar contraorders zou ontvangen. Hij voegt zich nu niet bij Christus, gaat niet tot Hem, opdat, hetgeen vroeger tussen hen was voorgevallen, niet den schijn zou hebben van ene afspraak of samenspanning, maar hij gaat voort met zijn arbeid, totdat hij door Gods voorzienigheid er van afgeroepen wordt. De grotere gaven van sommigen maken den arbeid van anderen, die bij hen achterstaan, niet onnodig of nutteloos, er is werk genoeg voor allen. Diegenen zijn gemelijk en weerstrevend, die neerzitten en niets doen, omdat zij zich door anderen overtroffen zien. Al is het, dat wij slechts een talent hebben, moeten wij er toch rekenschap van geven, en al bemerken wij ook, dat wij weldra zullen heengaan, moeten wij tot den einde toe blijven voortgaan.
2. Dat hij doopte in Enon bij Salim, plaatsen, die wij nergens elders vermeld vinden, waarom de geleerden in grote verlegenheid zijn om ze aan te duiden. Wáár zij nu ook geweest mogen zijn, het schijnt dat Johannes van plaats tot plaats ging. Hij achtte niet, dat er een bijzondere kracht of heiligheid was in den Jordaan, omdat Jezus er in gedoopt was, wat voor hem een reden zou geweest zijn om dáár te blijven, maar als hij er reden toe vond, ging hij tot andere wateren. Evangeliedienaren moeten gaan waar goede gelegenheid is voor hun ambt en werk. Hij koos ene plaats, waar veel water was hudata polla -vele wateren, dat is: vele stromen van water, zodat er, overal, waar hij personen gewillig bevond om den doop te ondergaan, water voorhanden was om er hen in te dopen, ondiep wellicht, zoals gewoonlijk het geval is, waar vele beekjes zijn, maar die toch aan het doel beantwoorden. En in dat land was overvloed van water een kostelijke zaak.
3. Dat dáár de mensen kwamen en gedoopt werden Hoewel zij niet in zo grote en talrijke scharen kwamen als bij zijn eerste optreden, bleef hij toch niet zonder bemoediging, want er waren toch nog personen, die tot hem kwamen en hem erkenden. Sommigen achten, dat dit zowel van Jezus als van Johannes gezegd is: Zij kwamen daar en werden gedoopt, dat is: sommigen kwamen tot Johannes en werden door hem gedoopt, en sommigen tot Jezus en werden door Hem gedoopt, en daar hun doop een was, waren ook hun harten een.
4. Er wordt bij opgemerkt, vers 24, dat Johannes nog niet in de gevangenis was geworpen, ten einde de geschiedenis duidelijk te maken door er op te wijzen, dat deze handelingen plaatshadden voor hetgeen verhaald is in Mattheus 4:12. Zolang Johannes in vrijheid was, heeft hij nooit afgelaten van zijn werk, ja hij scheen er zich met nog meer ijver op te hebben toegelegd, daar hij zag, dat zijn tijd kort was, hij was nog niet in de gevangenis geworpen, maar hij verwachtte, dat dit weldra geschieden zou, Hoofdstuk 9:4.
III. Een strijd van "de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging," vers 25. Zie, hoe het Evangelie van Christus niet is gekomen om vrede op aarde te brengen, maar verdeeldheid. Merk op:
1. Wie de twistenden waren: Sommigen uit de discipelen van Johannes en de Joden, die zich niet aan zijn doop der bekering hadden onderworpen. De zondige wereld wordt verdeeld in boetvaardigen en onboetvaardigen. In dezen strijd schijnen de discipelen van Johannes de aanvallers te zijn geweest, de uitdaging is van hen uitgegaan, waaruit blijkt dat zij nieuwelingen waren, die meer ijver dan bescheidenheid hadden. Aan de waarheden Gods werd dikwijls geschaad door de ruwheid en roekeloosheid van hen, die het op zich hadden genomen ze te verdedigen, eer zij daartoe geschikt waren.
2. Waarover zij twistten: de reiniging, of Godsdienstige wassingen.
a. Wij kunnen onderstellen, dat Johannes' discipelen zijn doop roemden, zijne reiniging prezen, als instar omnium -alle anderen overtreffende, er de voorkeur aan gaven boven alle andere reinigingen der Joden, en zij hadden gelijk, maar pas-bekeerden zijn maar al te licht geneigd tot roemen op het door hen verkregene, terwijl hij, die den schat vindt, hem behoorde te verbergen, totdat hij zeker is van zijn bezit, en er in den eersten tijd niet zo veel over moest spreken.
b. Van hun kant hebben de Joden met even stellige verzekerdheid de reinigingen geroemd en geprezen, die onder hen in gebruik waren, zowel die, welke door de wet van Mozes waren ingesteld, als die welke door de inzettingen der ouden waren voorgeschreven. Voor de eersten hadden zij het gezag van Gods bevel, voor de laatsten het gezag van het kerkgebruik. Nu is het zeer waarschijnlijk, dat de Joden, den voortreffelijken aard en het doel van den doop van Johannes niet kunnende ontkennen, den doop van Christus er tegen inbrachten, hetgeen aanleiding gaf tot de klacht, die nu volgt, vers 26:"Hier is", zeggen zij, "de doop van Johannes aan de ene plaats, en terzelfder tijd doopt Jezus aan een andere plaats, en daarom is de doop van Johannes, die door zijne discipelen zo hoog geroemd wordt, of gevaarlijk en van boze gevolgen voor den vrede in kerk en staat, daar hij, gelijk gij ziet, de deur openzet voor allerlei partijschappen. Nu Johannes begonnen is, zal voortaan iedere nog zo geringe leraar zich als doper gaan opwerpen. Of, op zijn best genomen, is die doop gebrekkig, onvolkomen. Indien in den doop van Johannes, dien gij zo roemt, iets goeds is, staat toch ginds de doop van Jezus er boven, zodat gij reeds in de schaduw gesteld zijt door een groter licht, en zo zal er naar uwen doop weldra geen navraag meer zijn." Aldus worden door de toeneming van het Evangelielicht tegenwerpingen gemaakt tegen het Evangelie, alsof kindsheid en mannelijken leeftijd in strijd waren met elkaar, en de bovenbouw in strijd was met het fondament. Er was gene reden voor om den doop van Christus aan te voeren tegen den doop van Johannes, want zij waren zeer goed met elkaar bestaanbaar.
IV. Ene klacht, waarmee Johannes' discipelen tot hun meester kwamen betreffende Christus en Zijn doop, vers 26. In verlegenheid gebracht door bovengenoemde tegenwerping, en waarschijnlijk er door verontrust en enigszins vertoornd, komen zij tot hun meester en zeggen: "Rabbi! die met u was, en door u gedoopt was, doopt nu zelf, en alle mensen komen tot hem, zult gij dit toelaten?" Dit werd veroorzaakt door hun begeerte naar disputeren. Het is iets heel gewoons, dat mensen, die in een dispuut het onderspit hebben moeten delven, diegenen aanvallen, die hun geen leed doen. Indien deze discipelen van Johannes niet begonnen waren te twisten over reiniging, eer zij de leer des doops goed begrepen, dan zouden zij zonder hartstocht op de tegenwerping hebben kunnen antwoorden. In hun klacht spreken zij eerbiedig tot hun eigen meester, Rabbi, maar zeer achteloos spreken zij van onzen Heiland, hoewel zij Hem niet noemen.
1. Zij geven te kennen, dat het een onbegrijpelijke aanmatiging was van Christus, dat Hij nu op eigen gezag ging dopen, alsof Johannes, deze plechtigheid des doops het eerst in toepassing gebracht hebbende, er nu ook het monopolie van moest hebben, een patent, als het ware, voor de uitvinding. "Die met u was over den Jordaan, als uw discipel, zie-en verwonder u, diezelfde doopt en neemt u het werk uit de handen." Zo wordt de neerbuigende goedheid en minzaamheid van den Heere Jezus, zoals Zijn zich laten dopen door Johannes, dikwijls onrechtvaardiglijk en onvriendelijk tegen Hem gekeerd.
2. Zij menen, dat dit een blijk van ondankbaarheid was jegens Johannes. Hij, wie gij getuigenis gaaft, doopt, alsof Jezus al Zijne vermaardheid te danken had aan het goede getuigenis, dat Johannes van Hem had afgelegd, maar dit nu onwaardiglijk had misbruikt ten nadele van Johannes. Maar Christus had het getuigenis van Johannes niet nodig, Hoofdstuk 5:36. Hij heeft meer ere op Johannes doen afstralen, dan Hij aan hem ontleend heeft, maar het is ons eigen om te denken, dat anderen ons meer verschuldigd zijn dan zij in werkelijkheid zijn. En daarenboven: Christus' doop was volstrekt gene belemmering, maar wel de grootste verbetering van den doop van Johannes, want deze moest slechts den weg banen tot Christus. Johannes was rechtvaardig jegens Christus in zijne getuigenis van Hem, en Christus' beantwoorden aan dat getuigenis heeft Johannes bediening eerder verrijkt dan verarmd.
3. Zij maken de gevolgtrekking, dat Johannes' doop er geheel door verduisterd zal worden, op den achtergrond zal geraken: "Zij komen allen tot hem, zij, die ons plachten te volgen, stromen nu naar hem toe, het is dus tijd, dat wij op onze hoede zijn." Het was inderdaad niet vreemd, dat allen tot Hem kwamen. Voor zoveel Christus geopenbaard is, zal Hij verheerlijkt worden, maar waarom is dit een grief voor de discipelen van Johannes? Het streven naar het monopolie van achting en eer is ten allen tijde het verderf der kerk geweest, en de schande van hare leden en leraren, evenals ook het wedijveren der belangen en een onderlinge naijver op elkaar. Wij dwalen grotelijks als wij denken, dat de uitnemende gaven en genade, de zegenrijke arbeid van den een tot vermindering en verkleining moet strekken van den ander, die genade heeft ontvangen om getrouw te zijn, want de Geest is vrij, "delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil. Paulus verblijdde zich in het nut, dat gesticht werd zelfs door zijne tegenstanders, Filippenzen 1:18. Wij moeten het God overlaten om Zijn eigen werktuigen te kiezen en te gebruiken naar het Hem behaagt, en niet begeren, dat ons alleen dat voorrecht geschonken zal worden.
V. Hier is Johannes' antwoord op de klacht zijner discipelen, vers 27 en verder. Zijne discipelen verwachtten, dat hij die zaak even kwalijk zou nemen als zij, maar Christus' openbaring aan Israël was voor Johannes gene verrassing, maar juist hetgeen hij verwachtte, het was voor hem gene verontrusting, maar juist hetgeen hij wenste. Daarom stuitte hij de klacht, evenals Mozes gedaan heeft: Zijt gij voor mij ijverende? En hij nam deze gelegenheid waar om het getuigenis te bevestigen, dat hij tevoren van Christus als zijn Meerdere had afgelegd, terwijl hij van harte gaarne den invloed, dien hij in Israël had, aan Hem overdraagt. In hetgeen hij hier spreekt is deze eerste Evangeliedienaar (want dat is Johannes geweest) een treffelijk voorbeeld voor alle leraren, om zich zelven te vernederen en den Heere Jezus te verhogen.
1. In vergelijking met Christus vernedert Johannes zich, vers 27-29. Hoe meer anderen ons verheffen, hoe meer wij ons moeten verootmoedigen en versterken tegen de verzoeking van vleierij en toejuiching, en het ijveren onzer vrienden voor onze eer door ons onze plaats te herinneren en te gedenken wat wij zijn, 1 Corinthiërs 3:5.
a. Johannes berust in de Goddelijke beschikking en is er mede tevreden, dat een mens geen ding kan aannemen, zo het hem uit den hemel niet gegeven is, vanwaar alle goede gaven komen, Jakobus 1:17, een algemene waarheid, die in dit geval zeer toepasselijk is. Verschillende bedieningen zijn overeenkomstig de leiding en aanwijzing der Goddelijke voorzienigheid, verschillende gaven overeenkomstig de bedeling der Goddelijke genade. Ware eer neemt niemand zich zelven aan, Hebreeën 5:4. In de bewegingen en daden van het geestelijk leven zijn wij even noodzakelijk en voortdurend afhankelijk van Gods genade, als wij in de bewegingen en daden van het natuurlijke leven afhankelijk zijn van Gods voorzienigheid. Dit wordt nu hier als reden opgegeven:
A. Waarom wij hen niet moet benijden, die een groter aandeel hebben van gaven dan wij hebben, of zich in een ruimeren werkkring bewegen. Johannes herinnert er zijne discipelen aan, dat Jezus hem niet zo ver zou overtreffen, indien Hij het niet van den hemel had ontvangen, want als mens en als Middelaar heeft Hij gaven ontvangen, en indien God Hem den Geest heeft gegeven zonder mate, vers 34, moeten wij Hem dat dan misgunnen, of er over morren? Diezelfde reden geldt ook voor anderen. Indien het Gode behaagt aan anderen meer bekwaamheid en meer voorspoed te geven dan aan ons, moet dit ons dan mishagen, zodat wij Hem beschouwen als onrechtvaardig, onverstandig en partijdig? Mattheus 20:15.
B. Waarom wij niet ontevreden moeten zijn, al staan wij bij anderen achter in gaven en in bruikbaarheid, en al is het ook dat wij door hun uitnemendheid in de schaduw worden gesteld. Johannes was bereid te erkennen, dat het de gave, de vrije gave des hemels was, die hem tot prediker, profeet en doper had gemaakt, het was God, die hem de liefde en achting des volks had doen verwerven, en, zo zijn invloed thans afneemt, Gods wil geschiede! Hij, die geeft, kan ook weer ontnemen. Wat wij van den hemel ontvangen moeten wij nemen, zoals het is gegeven. Nu heeft Johannes nooit ene opdracht voor een altijddurend ambt ontvangen, maar slechts voor de tijdelijke waarneming van een ambt, dat dus spoedig voorbij zou zijn, en daarom kan hij, als hij zijn dienstwerk volbracht heeft, het rustig aanzien, dat het verouderd en uit den tijd is geraakt. Sommigen geven een geheel andere betekenis aan deze woorden: Johannes had zich moeite gegeven met zijne discipelen, om hen de betrekking te doen verstaan, die zijn doop had op Christus, die na hem zou komen, en toch voor hem geworden is, en datgene voor hen zou doen, dat hij niet kon doen, en toch hechten zij zich nu aan Johannes, en morren zij over den voorrang van Christus boven hem. "Wel," zegt Johannes, "ik zie, dat een mens geen ding kan aannemen (dat is bemerken, of begrijpen) zo het hem uit den hemel niet gegeven is." De arbeid der leraren is vruchteloos, tenzij Gods genade er kracht van uitwerking aan geve. De mensen verstaan niet wat zeer duidelijk en eenvoudig is, en geloven niet hetgeen gans blijkbaar is, tenzij het hun van den hemel gegeven wordt te verstaan en te geloven. b. Johannes beroept zich op het getuigenis, dat hij tevoren van Christus had afgelegd, vers 28. Gij kunt mij getuigenis geven, dat ik telkens en nogmaals gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar ik ben voor Hem henen gezonden. Zie hoe standvastig Johannes was in zijn getuigenis van Christus, niet als een riet, dat van den wind ginds en weer bewogen wordt." Noch de donkere, dreigende blikken van de overpriesters, noch de vleierijen van zijn eigen discipelen konden hem bewegen om te dien opzichte een anderen toon aan te slaan. Dit moet hier nu dienen om zijne discipelen van het onredelijke hunner klacht te overtuigen. Zij hadden gesproken van het getuigenis, dat hun meester van Jezus heeft afgelegd, vers 26. "Welnu", zegt Johannes, "weet gij dan niet meer wat dit getuigenis geweest is? Brengt u dat voor den geest, en gij zult het antwoord hebben op uw vittende aanmerking. Heb ik niet gezegd: Ik ben de Christus niet? Waarom wilt gij m ij dan als een mededinger beschouwen van Hem, die het wèl is? Heb ik niet gezegd: dat ik voor Hem heen uitgezonden ben? Waarom acht gij het dan vreemd, dat ik voor Hem uit den weg ga? Het is troostrijk voor hem zelven, dat hij nooit aanleiding heeft gegeven aan zijne discipelen om hem als mededinger van Christus te beschouwen, maar integendeel, hen gewaarschuwd heeft voor die dwaling. Het is voor getrouwe leraren ene voldoening, dat zij op hun plaats gedaan hebben wat zij konden om de buitensporigheden te voorkomen, waarin hun gemeente vervallen is. Niet slechts had Johannes hen niet aangemoedigd om te hopen, dat hij de Messias was, maar hij had hun duidelijk en onomwonden het tegendeel gezegd, hetgeen hem nu ene voldoening was. Het wordt gewoonlijk als ene verontschuldiging aangevoerd voor hen, aan wie onrechtmatige eer wordt bewezen, als zij zich die laten welgevallen, dat-si populus vult decipi, decipiatur -indien de mensen bedrogen willen wezen, zo laat hen dan bedrogen zijn, maar dat is een slechte grondregel voor hen, wier plicht en roeping het is om den mensen uit den droom te helpen, hun een verkeerden waan te ontnemen. Een waarachtige lip zal bevestigd worden.
c. Johannes sprak zijn grote voldoening uit over den voortgang van Christus en de toeneming van Zijn invloed. Wel verre van dit, evenals zijne discipelen, te betreuren, verheugde hij er zich in. Dit drukt hij uit door een sierlijke vergelijking, vers 29. Hij vergelijkt onzen Heiland bij een bruidegom:" Die de bruid heeft, is de bruidegom. Komen allen tot Hem? Het is wel, tot wie anders zullen zij heengaan? Zit Hij op den troon van der mensen genegenheden? Wie anders zou daar moeten zitten? Het is Zijn recht, tot wie anders dan tot den bruidegom moet de bruid gebracht worden?" Van Christus werd in het Oude Testament geprofeteerd als een bruidegom, Psalm 45. "Het Woord is vlees geworden, opdat de ongelijkheid der naturen geen beletsel zou zijn voor het huwelijk. Er is voorziening getroffen voor de reiniging der kerk, opdat de bezoedeling der zonde gene verhindering zou opleveren. Christus heeft zich zijne gemeente ondertrouwd, Hij heeft de bruid, want Hij heeft hare liefde, Hij heeft hare belofte, de gemeente is Christus onderdanig. In zover bijzondere zielen Hem in geloof en liefde toegewijd zijn, in zover heeft de Bruidegom de bruid. Hij vergelijkt zich zelven bij den vriend des bruidegoms, die hem vergezelt om hem te eren en te dienen, hem bijstaat om het huwelijk te bevorderen, een goed woord voor hem spreekt, zijn invloed gebruikt ten zijnen behoeve, zich verblijdt als het huwelijk voortgang heeft, bovenal als het doel bereikt is, en hij de bruid heeft. Al wat Johannes gedaan heeft in zijn prediken en dopen was Hem in te leiden, en nu Hij gekomen is, heeft hij wat hij heeft verlangd, want: de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, staat om hem te verwachten en hem op te wachten, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms, omdat hij, na lang verwacht te zijn tot de bruiloft is gekomen. Getrouwe leraren zijn vrienden van den Bruidegom, om Hem aan te bevelen aan de genegenheid en de keuze van de kinderen der mensen, om brieven en boodschappen van Hem te brengen, want Jezus dingt naar de liefde Zijns volks bij volmacht, en hierin moeten zij Hem getrouw wezen. De vrienden van den Bruidegom moeten staan en de stem des Bruidegoms horen, moeten instructies van Hem ontvangen, en op Zijne orders letten, moeten begeren bewijzen te hebben, dat Christus tot hen spreekt en in hen spreekt, 2 Corinthiërs 13:3, dat is de stem des Bruidegoms. De verbintenis der zielen met Jezus Christus in geloof en liefde, is de vervulling der blijdschap van ieder Godvruchtig leraar. Indien de dag van Christus' bruiloft de dag is van de vreugde Zijns harten, Hooglied 3:11, dan moet hij dit ook wel wezen van hen, die Hem liefhebben, en het goede wensen voor Hem en Zijne eer en koninkrijk. Grotere blijdschap hebben zij niet.
d. Hij acht het zeer voegzaam en nodig, dat de vermaardheid en de invloed van Christus toenemen, en de zijnen afnemen, vers 30:Hij moet wassen, maar ik minder worden. Indien zij treuren over den toenemenden invloed en grootheid van den Heere Jezus, dan zullen zij voortdurend meer reden hebben om te treuren, zoals zij, die toegeven aan afgunst en nijd. Johannes spreekt van Christus' wassen en zijn minder worden, niet slechts als noodzakelijk en onvermijdelijk, iets dat niet verholpen kan worden, en dat men dus moest dragen, maar als iets dat hoogst rechtvaardig en lieflijk is, en hem een algehele voldoening is. Het was hem zeer welgevallig te zien, dat het koninkrijk van Christus veld won: Hij moet wassen. Gij denkt, dat Hij veel gewonnen heeft, maar dat is niets in vergelijking met wat Hij nog winnen zal. Het koninkrijk van Christus is, en zal zijn een toenemend koninkrijk, gelijk het licht van den morgen, gelijk het mostaardzaad. Het heeft hem geenszins mishaagd, dat het gevolg hiervan was een afnemen van zijn eigen invloed: Ik moet minder worden. Alle geschapen voortreffelijkheid is onder die wet, zij moet minder worden. Aan alle volmaaktheid heb ik een einde gezien. Het uitstralen van Christus' heerlijkheid doet den glans van elke andere heerlijkheid tanen. De heerlijkheid, die naar mededinging staat met Christus, de heerlijkheid der wereld en van het vlees, neemt af en verliest terrein in de ziel, naarmate de kennis en de liefde van Christus toenemen en veld winnen, maar hier wordt dit gezegd van hetgeen Hem dienstbaar is. Naarmate het licht van den morgen toeneemt, zal het licht der morgenster afnemen. Indien ons minder worden in het minst bij kan dragen tot grootmaking van den naam van Christus, moeten wij er ons blijmoedig aan onderwerpen, en tevreden zijn om iets te wezen, of niets te wezen, opdat Christus alles zij.
2. Johannes de Doper bevordert en verhoogt hier Christus en onderricht zijne discipelen Hem betreffende, opdat zij, in plaats van er om te treuren, dat zo velen tot Hem komen, zij zelven tot Hem komen zullen.
a. Hij onderricht hen omtrent de waardigheid van Christus' Persoon, vers 31. Die van boven komt, die van den hemel komt, is boven allen. Hier veronderstelt hij Zijn Goddelijken oorsprong, dat Hij van boven is gekomen, van den hemel, hetgeen niet slechts Zijn Goddelijke afkomst aanduidt, maar ook Zijn Goddelijke natuur. Hij had een bestaan voor Zijne ontvangenis, een hemels bestaan. Niemand dan Hij, die van den hemel is gekomen, was er toe geschikt, om ons den wil des hemels te tonen, of ook den weg naar den hemel. Toen God den mens wilde verlossen, heeft Hij van boven gezonden. Hieruit leidt hij Zijn Goddelijk gezag af: Hij is boven allen, boven alle dingen en boven alle personen, God boven allen te prijzen tot in eeuwigheid. Het is vermetele aanmatiging om Hem den voorrang te willen betwisten. Als wij komen te spreken van de eer van den Heere Jezus, dan bevinden wij, dat zij alle bevatting en beschrijving te boven gaat, en wij kunnen slechts dit zeggen: Hij is boven allen. Van Johannes de Doper is gezegd: "Onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Doper". Maar het neerkomen van Christus van den hemel zette Hem zulk een waardigheid bij, dat Hij er niet van werd ontdaan door vlees te worden, nog was Hij boven allen. Dit doet hij nog meer uitkomen door de geringheid van hen, die met Hem in mededinging stonden: Die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde, is aards. Die zijn oorsprong heeft uit de aarde, heeft zijn voedsel uit de aarde, gaat om met aardse zaken, en die gaan hem ter harte, daarover gaat zijne zorg. De mens is uit de aarde voortgekomen, niet slechts Adam, in den beginne, maar ook wij zijn uit het leem afgesneden, Job 33:6. Beschouw den rotssteen, waaruit wij gehouwen zijn. Daarom is des mensen gestel aards, niet slechts is zijn lichaam zwak en sterflijk, maar zijne ziel is verdorven en vleselijk, en neigt sterk tot de aardse dingen. De profeten en apostelen waren van hetzelfde maaksel als andere mensen, zij waren slechts aarden vaten, hoewel er een rijke schat in gelegd was, en zullen dezen dan mededingers van Christus kunnen zijn? Laat de potscherven twisten met aarden potscherven, Jesaja 45:9 1), maar laat hen niet wedijveren met Hem, die van den hemel is gekomen.
b. Betreffende de voortreffelijkheid en zekerheid Zijner leer. Het mishaagde zijne discipelen, dat Christus' prediking meer werd bewonderd en gevolgd dan de zijne, maar hij zegt hun, dat daar reden genoeg toe was. Want,
A. Hij, voor zich, sprak uit de aarde, en dat doen allen, die uit de aarde zijn. De profeten waren mensen, en spraken als mensen, van hen zelven konden zij niet spreken dan uit de aarde, 2 Corinthiërs 3:5. Vergeleken met de prediking van Christus, was de prediking van de profeten en van Johannes laag en flauw, gelijk de hemel hoger is dan de aarde, zo waren Zijne gedachten hoger dan hun gedachten. Door hen heeft God op aarde gesproken, maar in Christus spreekt Hij van den hemel.
B. Maar Hij, die van den hemel komt, is niet slechts in Zijn persoon, maar ook in Zijne leer, boven alle de profeten, die ooit op aarde geleefd hebben, niemand onderwijst gelijk Hij. De leer van Christus wordt ons hier aanbevolen: Ten eerste. Als onfeilbaar zeker en gewis, en die dus als zodanig ontvangen en aangenomen moet worden, vers 32: Hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij. Zie hier:
1. Christus' Goddelijke kennis, Hij getuigde niets anders dan hetgeen Hij gezien en gehoord had, hetgeen, waarvan Hij ten volle onderricht en volkomen mede bekend was. Hetgeen Hij van den Goddelijken aard en de onzichtbare wereld had ontdekt, was wat Hij had gezien, wat Hij van de bedoeling Gods openbaarde, was wat Hij onmiddellijk van Hem had gehoord. De profeten getuigden hetgeen hun in dromen en nachtgezichten door middel van engelen was bekend gemaakt, maar niet hetgeen zij gezien en gehoord hadden. Johannes was de stem des roependen, die zei: "Maak plaats voor den Getuige, en zwijg stil om naar Zijne bevelen te horen", maar dan laat hij het verder aan den Getuige over, om zelf Zijn getuigenis te geven, en aan den Rechter om zelf Zijn last te doen horen. Het Evangelie van Christus is geen twijfelachtige mening, gelijk ene hypothese of een nieuw denkbeeld in de filosofie, die men vrij is te geloven of niet te geloven, maar het is ene openbaring van den wil Gods, die zelf van eeuwige waarheid is en van oneindig belang voor ons.
2. Zijn Goddelijke genade en goedheid: het behaagde Hem om hetgeen Hij had gezien en gehoord ons bekend te maken, omdat Hij wist, dat wij er zo grotelijks belang bij hadden. Wat Paulus in den derden hemel had gezien en gehoord, kon hij niet getuigen, 2 Corinthiërs 12:4, maar Christus wist uiting te geven aan hetgeen Hij gezien en gehoord had. Christus' prediking wordt hier Zijn getuigen genoemd, om aan te duiden: a. Het overtuigende, het blijkbare er van, het werd niet meegedeeld als ene nieuwstijding van horen zeggen, maar het werd getuigd, zoals voor ene rechtbank met grote voorzichtigheid en verzekerdheid.
b. Den liefdevollen ernst, waarmee het werd uitgesproken, het werd betuigd met belangstelling en aandrang, zoals in Handelingen 18:5. Uit de zekerheid van Christus' leer neemt Johannes aanleiding om het ongeloof te betreuren van de meeste mensen, hoewel Hij getuigt wat onfeilbaar waar is, neemt toch niemand Zijn getuigenis aan, dat is: zeer weinigen, bijna niemand, niemand, in vergelijking met het getal dergenen, die het afwijzen. Zij nemen het niet aan, zij willen het niet horen, of er geloof aan slaan. Hiervan spreekt hij, niet als ene zaak om zich over te verbazen, dat zulk een getuigenis niet aangenomen zou worden. (Wie heeft onze prediking geloofd? Hoe stompzinnig en dwaas zijn de meeste mensen, welke vijanden zijn zij van zich zelven!) maar als ene zaak van smart. Johannes' discipelen waren gegriefd, omdat allen tot Christus kwamen, vers 26, zij dachten, dat Hij al te veel volgelingen had. Maar Johannes gevoelt smart omdat niemand tot Hem kwam, hij vond het aantal Zijner volgelingen veel te klein. Het ongeloof der zondaren is de smart der heiligen. Hierom was het, dat Paulus in grote droefheid was, Romeinen 9:2. Hij neemt hieruit aanleiding om het geloof te prijzen van het uitverkoren overblijfsel, vers 33:Die Zijn getuigenis aangenomen heeft (en van de zodanige waren er, hoewel weinig) die heeft verzegeld dat God waarachtig is. God is waarachtig, al is het ook, dat wij het niet verzegelen, God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig, Zijne waarheid heeft niet nodig om haar te steunen, maar door het geloof doen wij ons zelven de eer aan van Zijne waarheid te onderschrijven, en hiermede acht God zich geëerd. Gods beloften zijn allen ja en amen, door het geloof stellen wij er ons amen onder, zoals in Openbaring 22, 20. Hij, die het getuigenis van Christus aanneemt, onderschrijft niet slechts de waarheid van Christus, maar de waarheid Gods, want Zijn naam is het Woord Gods, de geboden Gods en het getuigenis van Christus zijn saamgevoegd, Openbaring 12:17. Door in Christus te geloven verzegelen wij: Ten eerste, dat God getrouw is aan al de beloften, die Hij betreffende Christus gedaan heeft, hetgeen Hij gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten, hetgeen Hij onzen vaderen gezworen heeft, het is alles vervuld, en geen tittel of jota er van is ter aarde gevallen, Lukas 1:70, enz. Handelingen 13:32, 33.
Ten tweede. Dat Hij getrouw is aan al de beloften, die Hij gedaan heeft in Christus, wij kunnen in alle gerustheid onze ziel wagen op Gods waarheid, overtuigd zijnde, dat Hij getrouw is, wij willen zeer gaarne op goed geloof met Hem handelen, en alles in deze wereld verlaten, om de zaligheid, die ons bereid is, deelachtig te worden. Hierin eren wij Gods getrouwheid, wie gij vertrouwen schenkt, eert gij.
Ten derde, zij wordt ons aangeprezen als een Goddelijke leer, niet Zijn eigen, maar diens, die Hem gezonden heeft, vers 34:Want dien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods, die Hij gezonden was om ze te spreken, en waartoe Hij ook bekwaam was gemaakt, want God geeft Hem den Geest niet met mate. De profeten waren als boden, die brieven van den hemel brachten, maar Christus kwam in de hoedanigheid van gezant, en als zodanig onderhandelt Hij met ons, want:
1. Hij sprak de woorden Gods, en in niets van hetgeen Hij zei was menselijke zwakheid te bespeuren, zowel de stof, of inhoud, als de taal waren Goddelijk. Hij bewees zich van God gezonden te zijn, vers 2, en daarom moeten Zijne woorden aangenomen worden als de woorden Gods. 2. Hij sprak, zoals geen ander profeet gesproken heeft, want God geeft Hem niet den Geest met mate. Niemand kan de woorden Gods spreken zonder den Geest Gods, 1 Corinthiërs 2:10, 11. De Oud-Testamentische profeten hadden den Geest, en in verschillende mate, 2 Koningen 2:9, 10. Maar terwijl God hun den Geest gaf met mate, 1 Corinthiërs 12:4, heeft Hij Hem aan Christus zonder mate gegeven, alle volheid heeft in Hem gewoond, de volheid der Godheid, een onmetelijke volheid. In Christus was de Geest niet als in een vat, maar als in een bron, als in den bodemlozen oceaan. "De profeten," zegt Dr. Whitby, "die den Geest hadden in beperkte mate, en slechts met betrekking tot een bijzondere openbaring, hebben soms van zich zelven gesproken, maar Hij, in wie de Geest altijd woonde, heeft altijd de woorden Gods gesproken".
c. Betreffende de macht en het gezag, waarmee Hij bekleed was, dat Hem boven alle anderen den voorrang geeft, en waardoor Hij een naam boven allen naam heeft verkregen. Hij is de geliefde Zoon des Vaders, vers 35, de Vader heeft den Zoon lief. De profeten waren getrouw als dienstknechten, maar Christus als Zoon, zij werden gebruikt als dienstknechten, maar Christus geliefd als Zoon, ten allen tijde was Hij Zijne vermakingen, Spreuken 8:30. De Vader had een welbehagen in Hem, Hij heeft Hem niet slechts liefgehad, maar Hij heeft Hem lief, Hij is Hem blijven liefhebben, zelfs in Zijn staat van vernedering, Hij heeft Hem om Zijne armoede en lijden niet minder liefgehad. Hij is Heere van allen. Als een blijk van Zijne liefde voor Hem, heeft de Vader "alle dingen in Zijne hand gegeven." Liefde is edelmoedig. De Vader had zulk een welbehagen en zulk een vertrouwen in Hem, dat Hij hem als den groten Gemachtigde voor het mensdom heeft aangesteld. Hem den Geest zonder mate gegeven hebbende, gaf Hij Hem alle dingen, want hierdoor werd Hij geschikt en bevoegd om Heer en Bestuurder van alles te wezen. Het is de ere van Christus en de onuitsprekelijke vertroosting van alle Christenen, dat de Vader alle dingen in de handen van den Middelaar heeft gegeven. Ten eerste. Alle macht, aldus wordt het verklaard in Mattheus 28:18. Al de werken der schepping onder Zijne voeten gelegd zijnde, zijn alle zaken der verlossing in Zijne handen gegeven, Hij is Heere van alles. Engelen zijn Zijne dienaren, duivelen zijn Zijne gevangenen. Hij heeft macht over alle vlees, de heidenen zijn Hem tot een erfdeel gegeven. Het rijk der voorzienigheid is Hem ter bestiering gegeven. Hij heeft macht om de voorwaarden vast te stellen van het verbond des vredes, als de grote Plenipotentiaris, om Zijne kerk te regeren als de grote Wetgever, om de Goddelijke gunsten uit te delen als de grote Aalmoezenier, en allen ter verantwoording te roepen als de grote Rechter. Beide de gouden scepter en de ijzeren roede zijn in Zijne hand gegeven. Ten tweede. Alle genade is in Zijne hand gegeven, als het kanaal, waardoor zij tot ons komt, alle dingen, al die goede dingen, die God aan de kinderen der mensen bedoelde te geven, het eeuwige leven en alles wat daartoe leidt. Wij zijn niet waardig, dat de Vader deze dingen in onze handen zou geven, want wij hebben ons tot kinderen Zijns toorns gemaakt, daarom heeft Hij den Zoon Zijner liefde als Beheerder voor ons verordineerd, en de dingen, die Hij voor ons bestemd heeft, geeft Hij in Zijne handen, die waardig is, en zowel ere voor zich zelven als gunsten voor ons verdiend heeft. Zij zijn in Zijne handen gegeven, om door Hem ons in handen gegeven te worden. Dat is een grote aanmoediging voor ons geloof, dat de schatten van het Nieuwe Verbond in een zo betrouwbare, zo vriendelijke, zo goede hand zijn gegeven, de hand van Hem, die ze voor ons heeft verkregen, en ons voor zich heeft verkregen, daar Hij ons gekocht heeft met Zijn bloed, en die machtig is alles te bewaren wat Hem door God en de gelovigen is toebetrouwd. Hij is het voorwerp van dat geloof, hetwelk tot de grote voorwaarde is gemaakt van de eeuwige gelukzaligheid, en hierin heeft Hij den voorrang boven alle anderen: Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, vers 36. Wij hebben hier de toepassing van hetgeen hij gezegd had betreffende Christus en Zijne leer, en het is beslissend voor de gehele zaak. Indien God den Zoon deze ere heeft aangedaan, dan moeten wij Hem eren door het geloof. Gelijk God ons door het getuigenis van Jezus Christus, wiens woord het voertuig is der Goddelijke gunsten, goede dingen heeft doen aanbieden en toekomen, zo ontvangen wij die gunsten door het getuigenis te geloven, en dat woord aan te nemen als waar en goed. Die wijze van ontvangen beantwoordt gevoeglijk aan die wijze van geven. Wij hebben hier de hoofdsom en inhoud van dat Evangelie, hetwelk aan alle schepsel gepredikt moet worden, Markus 16:16. Hier is: Ten eerste. De zalige toestand van alle ware Christenen: Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven. Het is de kenmerkende eigenschap van ieder waar Christen, dat hij gelooft in den Zoon van God, niet slechts gelooft, dat wat Hij zegt waar is, maar in Hem gelooft, instemt met Hem, vertrouwt op Hem. De zegen van het ware Christendom is niets minder dan het eeuwige leven, dat is het wat Christus voor ons verkregen en ons geschonken heeft, het kan niets minder wezen dan de zaligheid ener onsterfelijke ziel, haar gelukkig zijn in een onsterfelijke God. Ware gelovigen hebben nu reeds het eeuwige leven, zij zullen het niet slechts hiernamaals hebben, zij hebben het thans. Want:
a. Zij hebben er een goede borgstelling voor. De acte, bij welke het gepasseerd is, is verzegeld en hun in handen gegeven, en aldus hebben zij het, of wel, in de handen van hun Borg en Pleitbezorger voor hen, en aldus hebben zij het, al is ook het werkelijk bezit nog niet aan hen overgegaan. Zij hebben den Zoon van God, en in Hem hebben zij leven, en den Geest Gods, het onderpand van dat leven.
b. Zij hebben er ook den troostrijken voorsmaak van in de dadelijke gemeenschap met God en de tekenen van Zijne liefde. Genade is het begin der heerlijkheid.
Ten tweede. Den rampzaligen toestand de ongelovigen: Die den Zoon ongehoorzaam is is verloren, in het verderf gestort, ho apeithoon. Het woord sluit zowel ongeloof als ongehoorzaamheid in. Een ongelovige is iemand, die geen vertrouwen stelt in de leer van Christus, en zich niet onderwerpt aan de regering van Christus. Diegenen nu, die noch door Christus onderwezen, noch door Christus geregeerd willen worden, kunnen noch in deze, noch in de toekomende wereld gelukkig zijn, hij zal het leven niet zien, dat leven, hetwelk Christus gekomen is om ons te schenken. Hij zal het niet genieten, hij zal er geen troostrijk vooruitzicht op hebben, zal er nooit iets van te zien krijgen behalve zoveel als genoeg is, om hem het verlies er van te doen betreuren. Zij kunnen niet anders dan rampzalig zijn: de toorn Gods blijft op den ongelovige, Hij is niet slechts onder den toorn Gods, die even gewis de dood is der ziel als Zijne gunst haar leven is, maar die toorn Gods blijft op hem. Al de toorn, waaraan hij zich door zijn verbreken der wet heeft blootgesteld, is, zo hij niet wordt weggenomen door de genade van het Evangelie. op hem gevestigd. Om zijn dagelijkse en werkelijke overtredingen komt Gods toorn over hem en blijft op hem. Oude rekeningen liggen onafgedaan, en nieuwe worden er aan toegevoegd, elke dag wordt iets gedaan om de mate vol te maken, en niets om haar te ontledigen. Alzo blijft de toorn Gods, en wordt vergaderd en bewaard tot aan den groten dag des toorns.