Johannes 17:6-10
Voor zich zelven gebeden hebbende, gaat Christus er nu toe over om te bidden voor hen, die de Zijnen zijn, en Hij kende hen bij naam, hoewel Hij hen hier niet noemt. Merk hier nu op:
I. Voor wie Hij niet bad, vers 9:Ik bid niet voor de wereld. Er is ene wereld van mensen, voor wie Jezus Christus niet gebeden heeft. Hiermede wordt niet bedoeld de wereld van het mensdom in het algemeen (daar bidt Hij hier voor, vers 21, "opdat de wereld geloven, dat Gij Mij gezonden hebt"), en het is ook niet bedoeld van de heidenen, in onderscheiding van de Joden, maar de wereld is hier genomen in tegenstelling met de uitverkorenen, die uit de wereld aan Christus gegeven zijn. Neem de wereld als een hoop van ongewand koren op den dorsvloer, en God heeft haar lief, Christus bidt voor haar en sterft voor haar, want er is een zegen in, maar de Heere, volkomen goed kennende degenen, die Zijne zijn, heeft Hij inzonderheid diegenen op het oog, die Hem van uit de wereld gegeven zijn, en zondert hen af. Neem nu de wereld als den overblijvenden hoop van verworpen, waardeloos kaf, en daarvoor bidt Christus niet, noch sterft er voor, maar laat het over, en de wind drijft het heen. Dezen worden de wereld genoemd, omdat zij geregeerd worden door den geest van deze wereld, en er hun deel in hebben. Voor dezen bidt Christus niet, wèl zijn er nog dingen, waarvoor Hij bij God pleit ten hunnen behoeve, gelijk de wijngaardenier om uitstel heeft verzocht voor den onvruchtbaren vijgenboom, maar Hij bidt niet voor hen in dit gebed, zij hebben part noch deel in de zegeningen, waarom hier gebeden wordt. Hij zegt niet: Ik bid tegen de wereld, zoals Elia God aanspreekt tegen Israël, maar: Ik bid niet voor hen, Ik ga hen voorbij, en laat hen over aan hen zelven, zij zijn niet geschreven in het boek des levens des Lams, en daarom niet gegraveerd op den borstlap des groten Hogepriesters. En ongelukkig is de toestand van dezulken, zoals de toestand van hen, voor wie het den profeet verboden was te bidden, ja nog ongelukkiger, Jeremia 7:16. Wij, die niet weten wie uitverkoren zijn en wie voorbij zijn gegaan, moeten bidden voor alle mensen, 1 Timotheus 2:4. Zo lang er leven is, is er hoop. Zie 1 Samuël 12:23.
II. Voor wie Hij gebeden heeft: niet voor engelen, maar voor de kinderen der mensen.
1. Hij bidt voor hen, die Hem gegeven zijn, bedoelende in de eerste plaats de discipelen, die Hem gevolgd waren in de wedergeboorte, maar ongetwijfeld moet het verder uitgestrekt worden tot allen, die dezelfde hoedanigheden hebben, die de woorden van Christus ontvangen en geloven, vers 6, 8. Hij bidt voor allen, die in Hem geloven zullen, vers 20, maar niet slechts de beden, die volgen, maar ook die, welke vooraf gingen, moeten beschouwd worden als omvattende alle gelovigen, aan elke plaats, in iedere tijd, want Hij heeft een zorgende belangstelling voor die allen, en Hij roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren.
III. Welke aanmoediging Hij had, om voor hen te bidden: Zij waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelven gegeven, vers 6, en wederom, vers 9, degenen, die Gij Mij gegeven hebt. "Vader, zij, voor wie Ik thans bid, zijn degenen, die Gij Mij toevertrouwd hebt, en wat ik voor hen te zeggen heb, is ingevolge van den last, dien Ik, hen betreffende, ontvangen heb." Dit nu is:
a. In de eerste plaats bedoeld van de discipelen, die er toen waren, die aan Christus gegeven waren als Zijne leerlingen, om door Hem opgeleid te worden terwijl Hij op de aarde was, en Zijne agenten te zijn, om voor Hem gebruikt te worden, als Hij naar den hemel zou gegaan zijn. Zij waren Hem gegeven, om Zijne leerstellingen te leren kennen, om de getuigen te zijn van Zijn leven en van Zijne wonderen, en de gedenktekenen van Zijne genade en gunst, om de verkondigers te zijn van Zijn Evangelie, en de stichters van Zijne kerk. Toen zij alles verlaten hebben om Hem te volgen, was dit de verborgen drijfveer van dat vreemde besluit, zij waren Hem gegeven, anders zouden zij zich niet aan Hem gegeven hebben. Het apostelschap en de bediening des Evangelies, welke Christus' gaven zijn aan de kerk, zijn eerst des Vaders gaven geweest aan Jezus Christus. Gelijk onder de wet de Levieten aan Aäron gegeven waren, Numeri 3:9, heeft de Vader aan Hem (den groten Hogepriester onzer belijdenis) eerst de apostelen gegeven, en de Evangeliedienaars in alle tijden, opdat zij waarnemen zijne wacht, en de wacht der gehele vergadering voor de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen, zie Efeze 4:8, 11, Psalm 68:19. Christus heeft deze gave ontvangen voor mensen, ten einde ze aan mensen te geven. Gelijk dit hoge eer bijzet aan de bediening des Evangelies, en dat ambt groot maakt, hetwelk zo verkleind en vernederd wordt, zo legt het ook aan de dienaren des Evangelies een grote verplichting op om zich geheel aan den dienst van Christus te wijden, als zijnde Hem gegeven.
b. Maar het is bedoeld om al de uitverkorenen te omvatten, want van hen wordt elders gezegd, dat zij aan Christus gegeven zijn, Hoofdstuk 6:37, 39, en Hij had er dikwijls nadruk op gelegd, dat zij, die Hij moest behouden, Hem gegeven, toevertrouwd waren, aan Zijne zorg waren zij overgegeven, uit Zijne hand werden zij verwacht, en hen betreffende heeft Hij bevelen ontvangen. Hier toont Hij: a. Dat de Vader macht had ze Hem te geven: Zij waren Uwe. Hij heeft niet gegeven wat het Zijne niet was. De uitverkorenen, die de Vader aan Christus heeft gegeven, waren de Zijnen, en wel in drieërlei opzicht. Ten eerste. Zij waren schepselen, hun leven en bestaan hadden zij van Hem. Toen zij aan Christus gegeven waren, om vaten ter ere te zijn, waren zij in Zijne hand als leem in de hand des pottenbakkers, om over beschikt te worden, gelijk Gods wijsheid het meest geschikt achtte voor Gods eer en heerlijkheid. Ten tweede. Zij waren misdadigers, en hun leven en bestaan waren aan Hem verbeurd. Het was een overblijfsel van het gevallen mensdom, dat aan Christus gegeven was, om verlost te worden, waarvan offers aan de gerechtigheid gemaakt hadden kunnen worden, toen zij verkoren werden om gedenktekenen te zijn van genade, zij zouden met volle recht den pijnigers overgegeven hebben kunnen worden, toen zij aan den Zaligmaker werden overgeleverd. Ten derde. Zij werden uitverkoren, en hun leven en zijn werden bestemd voor Hem, zij werden Gode afgezonderd, en aan Christus gegeven als Zijn Agent. Hierop legt Hij weer den nadruk in vers 7. Alles, wat Gij Mij gegeven hebt, is van U, hetgeen, hoewel er alles wat Zijn ambt als Middelaar betreft, onder begrepen kan zijn, toch inzonderheid bedoeld is van hen, die Hem gegeven zijn. Zij zijn Uwe, hun bestaan is van U, als den God der natuur, hun welzijn is van U, als den God der genade, zij zijn allen Uwe, en daarom, Vader, breng Ik hen allen tot U, opdat zij allen voor U zijn. b. Dat Hij hen dientengevolge aan den Zoon geeft. Gij hebt Mij dezelven gegeven, als schapen aan den herder, om bewaard te worden, als kranken aan den arts, om genezen te worden, als kinderen aan den onderwijzer, om onderwezen en opgevoed te worden, aldus zal Hij het Hem toevertrouwde wedergeven, Hebreeën 2:13, de kinderen, die Gij Mij gegeven hebt. Zij werden aan Christus overgegeven: Ten eerste, opdat de verkiezing der genade niet verijdeld zou worden, opdat niet een, ja, niet een van deze kleinen verloren ga. Die grote zaak moet in goede handen gelegd zijn, welke genoegzame zekerheid kunnen bieden, dat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast zal blijven. Ten tweede. Opdat de onderneming van Christus niet vruchteloos zal zijn, zij zijn Hem gegeven als Zijn zaad, waarin Hij het om den arbeid Zijner ziel zien zal, en verzadigd zal worden, Jesaja 53:10, 11. en Zijne kracht niet onnuttelijk zal toebrengen, en Zijn bloed niet tevergeefs zal storten, Jesaja 49:4. Wij mogen pleiten zoals Christus gepleit heeft: Heere, bewaar mijne genade, mijne vertroostingen, want zij waren Uwe en Gij hebt ze Mij gegeven. 2. De zorg, die Hij voor hen genomen had, om hen te onderwijzen vers 6:Ik heb Uwen naam geopenbaard den mensen. De woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, vers 8. Merk hier op:
a. Het grote doel van Christus' leer, hetwelk is: Gods naam te openbaren, Hem bekend te maken, of te verklaren, Hoofdstuk 1:18, de onwetenden te onderwijzen, en de vergissingen te herstellen omtrent God van een duistere en dwaze wereld, opdat Hij op betere wijze bemind en aangebeden zal worden.
b. Hoe Hij zich getrouwelijk van Zijne onderneming gekweten heeft: Ik heb het gedaan. Zijne getrouwheid blijkt: a. In de waarheid Zijner leer. Zij kwam nauwkeurig overeen met de instructies, die Hij van Zijn Vader had ontvangen. Hij gaf niet slechts de zaken, maar zelfs de woorden, die Hem gegeven waren. In de bewoordingen, die zij voor hun boodschap gebruiken, moeten de leraren het oog hebben op de woorden, die de Heilige Geest leert. b. In de strekking Zijner leer, welke was Gods naam te openbaren. Hij zocht zich zelven niet, maar in alles wat Hij deed en sprak, had Hij de verheerlijking Zijns Vaders op het oog. Het is Christus' kroonrecht om Gods naam te openbaren aan de zielen van de kinderen der mensen. Niemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren, Mattheus 11:27. Hij alleen is bekend met den Vader, en aldus is Hij instaat de waarheid bloot te leggen, en Hij alleen heeft toegang tot den geest der mensen, en zo is Hij instaat hun verstand te openen. Leraren kunnen den naam des Heeren uitroepen, zoals Mozes gedaan heeft, Deuteronomium 32:3, maar Christus alleen kan dien naam openbaren. Door het woord van Christus wordt God ons geopenbaard, door den Geest van Christus wordt God in ons geopenbaard. Leraren kunnen de woorden Gods tot ons spreken, maar Christus kan ons Zijne woorden geven, kan ze in ons leggen, ze in ons brengen als voedsel, als een schat. Vroeg of laat zal Christus Gods naam openbaren aan allen, die Hem gegeven zijn, en Hij zal hun Zijn woord geven om het zaad te wezen van hun nieuwe geboorte, de steun van hun geestelijk leven, en de voorsmaak van hun eeuwige zaligheid.
3. De goede uitwerking van Zijne zorg over hen, en van de moeite, die Hij zich voor hen had gegeven, vers 6, Zij hebben Uw woord bewaard, vers 7, Nu hebben zij bekend, dat alles, wat Gij Mij gegeven hebt, van U is, vers 8. Zij hebben ze ontvangen en aangenomen, er hun instemming mede betuigd, en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt. Merk hier op:
a. Den goeden uitslag van Christus' leer bij hen, die Hem gegeven waren, en dat wel in verscheidene opzichten. a. Zij hebben de woorden, die Ik hun gegeven heb, ontvangen, zoals de grond het zaad ontvangt, en de aarde den regen indrinkt. Zij gaven acht op de woorden van Christus, begrepen er enigermate de betekenis van, kwamen er onder den indruk van, werden er door aangedaan. Het woord was hun ingeprent. b. Zij hebben Uw woord bewaard, zijn er bij gebleven, hebben er zich naar gedragen. Christus' gebod wordt dan slechts gehouden, als het wordt gehoorzaamd. Zij, die aan anderen de geboden van Christus moeten leren, behoren ze zelven waar te nemen. Het was nodig, dat zij het pand, dat hun toevertrouwd was, zouden bewaren, want het moest door hen overgebracht worden aan elke plaats, voor elke tijd. c. "Zij hebben het woord verstaan, en waren zich wèl bewust van den grond, waarop zij het moesten ontvangen en bewaren. Zij wisten, dat Gij de oorspronkelijke Auteur zijt van den heiligen Godsdienst, dien Ik ben komen instellen, dat alles wat Gij Mij gegeven hebt, van U is. Al de ambten en al de macht van Christus, al de gaven des Geestes, al Zijne genade en vertroosting, die God Hem zonder mate gegeven heeft, waren allen van God, ontworpen door Zijne wijsheid, bepaald door Zijn wil en Zijne genade, tot Zijn eigen eer en heerlijkheid in des mensen verlossing. Het is ons, bij ons steunen op Christus, een grote voldoening, dat Hij en alles wat Hij is en heeft, alles wat Hij zei en deed, alles wat Hij doet en zal doen, van God zijn, 1 Corinthiërs 1:30. Daarom kunnen wij op Christus' bemiddeling gerust onze ziel wagen. Indien de gerechtigheid door God bestemd is, dan zullen wij gerechtvaardigd worden, indien de genade door Hem toebedeeld is, dan zullen wij geheiligd worden. d. Zij hebben er hun zegel op gezet. Zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, vers 8. Zie hier: Ten eerste. Wat het is te geloven, het is waarlijk te kennen, zeker te weten, dat het inderdaad zo is. De discipelen waren zeer zwak en gebrekkig in kennis, maar Christus, die hen beter kende dan zij zich zelven kenden. staat er met Zijn woord voor in, dat zij geloofden. Wij kunnen in waarheid kennen, hetgeen wij noch ten volle kunnen doen, noch ten volle kennen, wij kunnen de zekerheid kennen der dingen, die niet gezien worden, ofschoon wij den aard en de hoedanigheid er van niet in bijzonderheden kunnen beschrijven. Wij wandelen door geloof, dat zeker weet, nog niet door aanschouwen, dat duidelijk weet. Ten tweede. Wat het is dat wij moeten geloven: dat Jezus Christus van God is uitgegaan, daar Hij de Zoon van God is, in Zijn persoon het beeld van den onzienlijken God, en dat God Hem gezonden heeft, dat Hij in Zijne onderneming de Gezant is van den eeuwigen Koning, zodat de Christelijke Godsdienst rust op dezelfden grondslag, en van gelijk gezag is met den natuurlijken Godsdienst, en dus moeten al de leerstellingen van Christus aangenomen worden als Goddelijke waarheden, moeten al Zijne geboden gehoorzaamd worden als Goddelijke wetten, en moet op al Zijne beloften worden gesteund en vertrouwd als Goddelijke waarborgen en zekerheid.
b. Hoe Jezus Christus hier daarvan spreekt. Hij wijdt er over uit, a. Als zelf er behagen in hebbende. Hoewel de herhaalde blijken van onbevattelijkheid en zwakheid der discipelen Hem bedroefd hadden, waren hun voortdurende aanhankelijkheid aan Hem, hun trapsgewijze vorderingen en ten laatste hun grote gaven, Zijne blijdschap. Christus is een Leermeester, die zich verlustigt in de bedrevenheid Zijner leerlingen. Hij neemt de oprechtheid aan van hun geloof, en ziet er genadiglijk de zwakheid van voorbij. Zie, hoe Hij gaarne alles van de beste zijde in ons ziet, en het beste van ons zegt, waarmee Hij ons geloof in Hem aanmoedigt, en ons leert liefderijk over elkaar te oordelen. b. Als er op pleitende bij den Vader. Hij bidt voor hen, die Hem gegeven waren, en Hij pleit er op, dat zij zich aan Hem hebben gegeven. Het rechte gebruik van ontvangen genade is, naar de strekking van het nieuwe verbond, een goede pleitgrond om meerdere genade te verkrijgen, want aldus luidt de belofte: Wie heeft, dien zal gegeven worden. Zij, die Christus' woord bewaren en in Hem geloven, zullen door Christus geprezen worden, ja meer, Hij zal hen aanprijzen bij Zijn Vader.
4. Hij pleit er op, dat Zijn Vader zelf belang in hen heeft, vers 9. Ik bid voor hen, want zij zijn Uwe, en dat wel krachtens het wederzijdse belang, dat Hij en de Vader hebben in hetgeen ieder heeft, of aan ieder eigen is: Al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne. Hier is:
a. Het bijzondere pleiten voor Zijne discipelen: Zij zijn Uwe. Wel verre dat het overgeven der uitverkorenen aan Christus hen nu minder des Vaders maakte, geschiedde dit juist om hen des te meer het eigendom des Vaders te doen zijn. Allen, die Christus' woord ontvangen en in Hem geloven, worden in verbondsbetrekking opgenomen met den Vader, en worden beschouwd als de Zijnen. Christus stelt hen aan Hem voor, en door Christus stellen zij zich zelven aan Hem voor. Christus heeft ons gekocht, niet slechts voor Hem zelven, maar voor God, met Zijn bloed. Openbaring 5:9, 10. Zij zijn gekocht tot eerstelingen Gode, Openbaring 14:4. b. Dit is een goede pleitgrond in het gebed, Christus pleit er hier op: Zij zijn Uwe. Wij kunnen er op pleiten voor ons zelven: "Ik ben de Uwe, behoud mij", en voor anderen (zoals Mozes, Exodus 32:11): "Zij zijn Uw volk. Zij zijn de Uwen, zult Gij dan niet voor hen voorzien? Zult Gij hen niet beveiligen, zodat zij niet door den duivel en de wereld overweldigd worden? Zult Gij Uw belang in hen niet beveiligen, door er voor te waken, dat zij niet van U wijken? Zij zijn Uwe, erken hen als zodanig. b, De grond van dit pleiten. Al het Mijne is Uwe, en het Uwe is Mijne. Dit duidt den Vader en den Zoon aan als a. Een in wezen. Ieder schepsel moet tot God zeggen: Al het mijne is Uwe, maar niemand kan tot Hem zeggen: Al het Uwe is mijne, dan Hij die met Hem dezelfde is in wezen, en gelijk is in macht en heerlijkheid. b. Als een in belang, geen afzonderlijke of tussen hen scheiding makende belangen. Ten eerste. Wat de Vader heeft als Schepper, is den Zoon overgeleverd, om gebruikt te worden ten dienste van Zijn grote onderneming. Alle dingen zijn Hem overgegeven, Mattheus 11:27, de schenking is zo algemeen, dat niets is uitgezonderd dan Hij, die Hem alle dingen onderworpen heeft. Ten tweede. Wat de Zoon heeft als Verlosser, is bestemd voor den Vader, en Zijn koninkrijk zal Hem weldra overgegeven worden. Al de voordelen der verlossing, verkregen door den Zoon, zijn bedoeld tot lof des Vaders, en al de lijnen van Zijne onderneming komen samen in het middelpunt van des Vaders ere. Al het Mijne is Uwe. De Zoon heeft niets, dat niet aan den dienst des Vaders is gewijd. In beperkten zin kan ieder waar gelovige zeggen: Al het Uwe is mijne, indien God de onze is in het verbond, dan is alles wat Hij is en heeft in zover het onze, dat het ons ten goede gebruikt zal worden. En in onbepaalden zin zegt ieder waar gelovige: Heere, al het mijne is Uwe, het wordt alles neergelegd aan Zijne voeten, om Hem ten dienste te zijn. En wat wij hebben kan gerustelijk overgegeven worden in Gods hoede, als het blijmoedig onderworpen wordt aan Zijn bestuur: Heere, draag zorg voor hetgeen ik heb, want het is alles Uwe.
5. Hij pleit op Zijn eigen belang in hen: Ik ben in hen verheerlijkt.
a. Ik ben in hen verheerlijkt geweest. De weinige eer, die Christus in de wereld had, had Hij onder Zijne discipelen. Hij is verheerlijkt geweest door hun volgen van Hem en hun gehoorzaamheid aan Hem, door hun prediken en hun doen van wonderen in Zijn naam, en daarom bid Ik voor hen. Diegenen zullen delen in Christus' voorbede, in en door wie Hij wordt verheerlijkt.
b. Ik zal in hen verheerlijkt worden, als Ik naar den hemel zal gegaan zijn, zij zullen Mijn naam ophouden". De apostelen hebben in Christus' naam gepredikt en wonderen gedaan, de Geest in hen heeft Christus verheerlijkt, Hoofdstuk 16:14. Ik ben in hen verheerlijkt, en daarom: a. "Stel Ik belang in hen". Al het belang, dat Christus in deze ontaarde wereld heeft, ligt in Zijne kerk, en daarom draagt Hij haar en hare zaken op het hart. b. "Daarom geef Ik hen over aan den Vader, die zich verbonden heeft den Zoon te verheerlijken, en daarom diegenen in genade zal aanzien, in wie Hij verheerlijkt is. Hetgeen, waarin God en Christus verheerlijkt worden, kan met een ootmoedig vertrouwen aan Gods bijzondere zorg worden overgegeven.