Johannes 12:44-50
Wij hebben hier de eer, die Christus niet voor zich zelven aannam, maar voor zich zelven handhaafde en bevestigde in het bericht, dat Hij gaf van Zijne zending en opdracht in de wereld. Waarschijnlijk heeft Hij deze woorden niet gesproken bij dezelfde gelegenheid als de vorige (want toen vertrok Hij, vers 36), maar enigen tijd daarna, toen Hij wederom in het openbaar verscheen, en, zoals deze evangelist er mededeling van doet, was het Christus' afscheidsrede aan de Joden, Zijn laatste openbare prediking, al hetgeen volgt was in het bijzonder tot Zijne discipelen gesproken. Merk nu op, hoe onze Heere dit afscheidswoord gesproken heeft: Hij riep en zei. Roept de wijsheid niet? Spreuken 8:1, roept zij niet overluid daarbuiten? Spreuken 1:20. Het verheffen Zijner stem, Zijn roepen, duidt aan:
1. Zijne vrijmoedigheid in het spreken. Hoewel zij den moed niet hadden om openlijk hun geloof in Zijne leer te belijden, had Hij wel den moed om haar openlijk bekend te maken, zo zij er zich voor schaamden, Hij schaamde haar zich niet, maar Hij heeft Zijn aangezicht gesteld als een keisteen, Jesaja 50:7.
2. Zijne vurigheid in het spreken. Hij riep, als iemand wie het volle ernst is, en die aandrang gebruikt, en bereid is hun niet slechts het Evangelie van God, maar ook Zijn eigen ziel te geven.
3. Het duidt Zijn verlangen aan, dat allen het zullen horen. Daar dit de laatste maal was, dat het Evangelie door Hem zelven verkondigd zou worden, riep Hij: "Wie Mij wil horen, die kome nu". Wat nu is het besluit van die gehele zaak, die laatste opsomming, dat overzicht, van al de redevoeringen van Christus? Het is tamelijk gelijk aan dat van Mozes, Deuteronomium 30:15. Ziet, ik heb u heden voorgesteld het leven en het goede, en den dood en het kwade. Zo neemt Christus dan nu afscheid van den tempel met een plechtige verklaring van drie dingen:
I. De voorrechten en waardigheden van hen, die geloven. Dat geeft ons grote bemoediging om in Christus te geloven en dat geloof te belijden. Het is ene zaak van zulk een aard, dat wij het noch behoeven te schuwen om het te doen, noch om haar te bekennen, voor haar uit te komen, want:
1. Door in Christus te geloven, komen wij in eervolle bekendheid met God, vers 44, 45.
Die in Mij gelooft, en Mij dus ziet, gelooft in degenen, die Mij gezonden heeft, en ziet dus Hem. Hij, die in Christus gelooft:
a. gelooft niet bloot in een mens, zo iemand als Hij scheen te zijn, en waarvoor Hij algemeen gehouden werd, maar in Enen, die de Zoon van God is gelijk in macht en heerlijkheid met den Vader. Of liever:
b. Zijn geloof eindigt niet in Christus, maar door Hem gaat het voort tot den Vader, die Hem gezonden heeft, tot wie, als tot ons doeleinde, wij komen door Christus als onzen weg. De leer van Christus wordt geloofd en aangenomen als de waarheid Gods. De rust ener gelovige ziel is in God door Christus als den Middelaar, want hare overgave aan Christus geschiedt ten einde aan God voorgesteld te worden. Het Christendom bestaat niet in wijsbegeerte of staatkunde, maar in zuivere Godgeleerdheid. Dat wordt nog nader opgehelderd door vers 45, Die Mij ziet (hetgeen hetzelfde is als in Hem te geloven, want het geloof is het oog der ziel), die ziet degenen, die Mij gezonden heeft, door bekend te worden met Christus, komen wij tot de kennis van God. Want, God maakt zich bekend in het aangezicht van Jezus Christus, 2 Corinthiërs 4:6, die het uitgedrukte beeld is Zijner zelfstandigheid, Hebreeën 1:3. Allen, die een gelovig gezicht hebben op Christus, worden door Hem tot de kennis van God gebracht, dien Christus ons heeft geopenbaard door Zijn woord en Geest. Als God, is Christus het uitgedrukte beeld geweest van Zijns Vaders zelfstandigheid, maar als Middelaar is Christus Zijns Vaders vertegenwoordiger geweest in Zijne betrekking tot den mens, het Goddelijk licht, de Goddelijke wet en liefde ons meegedeeld zijnde in en door Hem, zodat, als wij Hem zien, (dat is Hem beschouwen als onzen Zaligmaker, Vorst en Heere, door het recht der verlossing) wij den Vader zien en Hem beschouwen als onzen eigenaar, bestuurder en weldoener door het recht der schepping: want het heeft Gode behaagd door volmacht met den gevallen mens te handelen.
2. Hierdoor worden wij in een toestand van lieflijk genot gebracht, vers 46. Ik ben een licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft -hij zij Jood of heiden-in de duisternis niet blijve. Merk op:
a. De hoedanigheid van Christus: Ik ben een licht, gekomen in de wereld, om er het licht van te zijn. Dat geeft te kennen, dat Hij een wezen, een bestaan had, een bestaan als licht, eer Hij in de wereld kwam, zoals de zon, voordat zij aan den hemel opgaat. De profeten en apostelen zijn tot lichten voor de wereld gemaakt, maar het was alleen Christus, die als licht in de wereld gekomen is, daar Hij tevoren een heerlijk licht was in de bovenwereld, Hoofdstuk 3:19.
b. De lieflijke, aangename toestand der Christenen: zij blijven niet in de duisternis. Zij blijven niet in dien duisteren toestand, waarin zij van nature geweest zijn, zij zijn licht in den Heere. Zij waren zonder enigerlei waar genot, zonder vreugde en zonder hoop, maar zij blijven niet in dien toestand, het licht is voor hen gezaaid. In welke duisternis van beproeving, onrust of vrees zij later ook mogen komen, er is voorziening gemaakt, dat zij er niet lang in zullen blijven. Zij zijn verlost van de duisternis, welke eeuwig blijft, die buitenste duisternis, waarin geen de minste straal van licht of van hoop is.
II. Het gevaar, waarin zij verkeren, die niet geloven, en dat eerlijk waarschuwt tegen een volharden in ongeloof, vers 47. 48. Indien iemand Mijne woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet, niet Ik alleen, of thans niet, opdat men Mij niet als onbillijk beschouwe, als zijnde rechter in Mijn eigen zaak, maar laat men daarom niet denken, dat het ongeloof ongestraft zal blijven, hoewel Ik hem niet oordeel, er is een, die hem oordeelt. Zodat wij hier het oordeel des ongeloofs hebben. Merk op: 1 Wie het zijn, wier ongeloof hier veroordeeld wordt, zij, die Christus' woorden horen en ze toch niet geloven. Diegenen zullen niet om hun ongeloof veroordeeld worden, die het Evangelie nooit gehad hebben, en nooit konden hebben, een iegelijk zal geoordeeld worden naar de bedeling des lichts, waaronder hij heeft geleefd: Zo velen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan, en zo velen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden. Maar zij, die gehoord hebben, of hadden kunnen horen, maar niet gewild hebben, zijn onder dat oordeel begrepen. 2. Waarin het boze bestaat van hun ongeloof, het is het niet ontvangen van Christus' woord, en dat wordt verklaard, vers 48, als een verwerpen van Christus. Het geeft ene verwerping te kennen met minachting. Waar de banier van het Evangelie ontplooid is, daar wordt gene onzijdigheid toegelaten, men is of een onderdaan, of een vijand.
3. Het verwonderlijke geduld en de lankmoedigheid van on zen Heere Jezus, jegens hen, die Hem gering achtten, toen Hij op aarde was gekomen: Ik oordeel hem niet, thans niet. Christus heeft zich niet gehaast om het oordeel uit te spreken over hen, die de eerste aanbiedingen Zijner genade hebben afgewezen, neen, Hij wachtte nog om hun genadig te zijn. Hij heeft hen niet dood ter aarde doen vallen, of met stomheid geslagen, die Hem hebben tegengesproken, Hij heeft nooit tegen Israël gebeden, zoals Elia gedaan heeft, hoewel Hij macht had om te oordelen, heeft Hij de uitoefening dier macht opgeschort, omdat Hij eerst werk van een anderen aard te doen had, en dat werk was de wereld zalig te maken.
a. Om hen te behouden en zalig te maken, die Hem gegeven waren, eer Hij kwam om de ontaarde massa des mensdoms te oordelen.
b. Om behoudenis, zaligheid aan te bieden aan geheel de wereld, aan iedere mens, zodat wie niet zalig wordt, het zich zelven heeft te wijten. Hij moest door Zijns zelfs offerande de zonde tenietdoen. Nu was de uitoefening van de macht eens rechters niet in overeenstemming hiermede, Handelingen 8:33. In Zijne vernedering is Zijn oordeel weggenomen, het was opgeschort.
4. Het zekere en onvermijdelijke oordeel der ongelovigen ten laatsten dage, den dag der openbaring van het rechtvaardige oordeel Gods, het ongeloof zal dan zeer zeker een doemwaardige zonde blijken te zijn. Sommigen denken, dat, toen Christus zei: Ik oordeel hem niet, hij alrede veroordeeld is. Er is geen proces nodig, de ongelovigen oordelen zich zelven, zij volvoeren zelven het oordeel tegen zich, Hebreeën 2:3. Christus behoeft niet als beschuldiger tegen hen op te treden, zij zijn reeds ongelukkig genoeg, als Hij niet als Voorspraak voor hen optreedt, evenwel zegt Hij hun duidelijk wanneer en waar er met hen afgerekend zal worden.
a. Er is een, die hen oordeelt. Niets is ontzettender dan misbruikte lankmoedigheid, en genade, die met voeten werd getreden, hoewel voor een tijd de barmhartigheid roemt tegen het oordeel zal er toch een onbarmhartig oordeel zijn.
b. Hun eindoordeel wordt bewaard voor den laatsten dag. Op dien dag des oordeels daagt Christus alle ongelovigen, om zich alsdan te verantwoorden voor al den smaad, dien zij over Hem hebben uitgestort. De Goddelijke gerechtigheid heeft een dag bestemd, en stelt het oordeel uit tot op dien dag, Mattheus 26:64.
c. Het woord van Christus zal hen dan oordelen: Het woord, dat Ik gesproken heb, hoe gering gij het ook geacht hebt, dat zal den ongelovige oordelen ten laatsten dage, gelijk de apostelen, de predikers van Christus' woord, gezegd worden te zullen oordelen, Lukas 22:30. Christus' woorden zullen de ongelovigen oordelen op tweeërlei wijze: Als bewijzen van hun misdaad, zij zullen hen schuldig verklaren. Elk woord, door Christus gesproken, elke rede, door Hem gehouden, elke bewijsgrond, door Hem aangevoerd, elke vriendelijke aanbieding, door Hem gedaan, zal als getuigenis tegen hen optreden, die hetgeen Hij zei hebben geminacht of veronachtzaamd. Als richtsnoer van hun veroordeling, zij zullen geoordeeld worden volgens strekking en inhoud van dat verbond, dat Christus heeft bewerkt en verkondigd. Het woord van Christus: Die niet zal geloofd hebben zal verdoemd worden, zal alle ongelovigen veroordelen tot een eeuwig verderf, en er zijn vele andere dergelijke woorden.
III. Een plechtige verklaring van Christus' recht om geloof van ons te eisen, en van ons, op straffe van verdoemenis, te vorderen, dat wij Zijne leer zullen aannemen, vers 49, 50, waarbij valt op te merken:
1. De opdracht, die onze Heere Jezus van den Vader ontvangen heeft om Zijne leer aan de wereld te verkondigen, vers 49:Ik heb uit mij zelven niet gesproken. Ik heb niet als bloot mens gesproken, en nog veel minder als gewoon mens, maar de Vader, die Mij gezonden heeft, die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal en wat Ik spreken zal. Dat is hetzelfde wat Hij gezegd heeft, Hoofdstuk 7:16.
Mijne leer is:
a. Mijne niet, want Ik heb uit Mij zelven niet gesproken. Christus heeft als Zoon des mensen niet gesproken hetgeen van menselijk bedenksel was, als Zoon van God heeft Hij niet afzonderlijk gesproken, of alleen uit zich zelven, maar wat Hij zei was het resultaat van den raad des vredes. Als Middelaar was Zijne komst in de wereld vrijwillig en met Zijn volle instemming, maar niet willekeurig of alleen uit zich zelven. Maar:
b. Degene, die Mij gezonden heeft. God, de Vader heeft Hem: a. Zijne opdracht gegeven. God zond Hem als Zijn gevolmachtigde, om de zaken te regelen tussen Hem en den mens, een vredesverdrag te sluiten en er de voorwaarden van vast te stellen. b. Zijne instructies, die hier een gebod genoemd worden, want zij waren als die aan een gezant gegeven worden, Hem aanwijzingen gevende niet slechts voor hetgeen Hij kan of mag zeggen, maar voor hetgeen Hij moet zeggen. Den bode van het verbond was ene boodschap opgedragen, die Hij moet overbrengen. Onze Heere Jezus heeft zelf gehoorzaamheid geleerd, voor Hij haar aan ons geleerd heeft, hoewel Hij de Zoon was. De Heere God heeft den eersten Adam een gebod gegeven, en deze heeft, door zijne ongehoorzaamheid er aan, ons in het verderf gestort, Hij heeft den tweeden Adam een gebod gegeven, en deze heeft, door Zijne gehoorzaamheid er aan, ons gered en behouden. God heet Hem geboden wat Hij zou zeggen en wat Hij zou spreken, twee woorden, die hetzelfde betekenen, om aan te duiden dat ieder woord Goddelijk was. De Oud-Testamentische profeten hebben soms van, of uit, zich zelven gesproken, maar Christus heeft ten allen tijde door den Geest gesproken. Sommigen maken deze onderscheiding: Hem was aangewezen wat Hij zeggen zou in Zijne prediking, en wat Hij spreken zou in gemeenzame gesprekken. Anderen deze: Hem was aangewezen wat Hij thans zou zeggen in Zijne prediking, en wat Hij ten laatsten dage zou spreken in Zijn oordeel, want voor die beiden had Hij Zijne opdracht en Zijne instructies.
2. Het doel en de strekking van deze opdracht. Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is, vers 50. De opdracht, aan Christus gegeven, had betrekking op den eeuwigen staat van de kinderen der mensen, om hun het eeuwige leven en de gelukzaligheid in dien staat aan te bieden, de instructies aan Christus, als Profeet gegeven, hielden in: hun het eeuwige leven te openbaren, 1 Johannes 5:11. De macht, aan Christus gegeven, als Koning, was het eeuwige leven te geven, Hoofdstuk 17:2. Aldus was het gebod, Hem gegeven, het eeuwige leven. Christus zei, dat Hij dit wist. "Ik weet dat het zo is", hetgeen aanduidt met welk ene blijmoedigheid en verzekerdheid Hij Zijne onderneming voortzette, wetende, dat Hij op een goede boodschap uit was, die vrucht zou opleveren ten eeuwigen leven. Tevens wordt er door aangeduid, hoe rechtvaardiglijk diegenen zullen omkomen, die Christus en Zijn woord verwerpen. Zij, die ongehoorzaam zijn aan Christus, verachten en versmaden het eeuwige leven, zodat niet slechts Christus' woorden, maar ook hun eigen woorden hen zullen oordelen. Aldus zal hun oordeel zijn, zij zelven spreken hun eigen vonnis uit, en wie kan er dan iets tegen inbrengen?
3. Christus' nauwkeurige waarneming van de opdracht en de instructies, die Hem zijn gegeven, en Zijn standvastig handelen in overeenstemming er mede. Hetgeen Ik dan spreek, dat spreek Ik alzo, gelijk Mij de Vadergezegd heeft. Christus was volkomen bekend met de raadsbesluiten Gods, en was getrouw in het verkondigen van zoveel er van, als overeen was gekomen, om er van te ontdekken, en heeft niets achtergehouden van hetgeen nuttig was. Gelijk een waarachtig getuige zielen redt, zo heeft Hij ook gedaan. Hij heeft de waarheid, de gehele waarheid, en niets dan de waarheid gesproken. Dat is een grote aanmoediging voor het geloof, als wij de woorden van Christus recht verstaan, dan kunnen wij er onze ziel op wagen. Het is een groot voorbeeld van gehoorzaamheid. Christus sprak zoals Hem gezegd was te spreken. en dat moeten ook wij. Hij deelde mede wat de Vader Hem gezegd had, en dat moeten ook wij, Handelingen 4:20. Temidden van al de eer, die Hem bewezen werd, stelt Hij Zijn voornaamste eer hierin, dat Hij heeft gesproken wat de Vader tot Hem gezegd had, en op de wijze, die Hem was aangewezen. Dat was Zijne heerlijkheid, dat Hij, als de Zoon, getrouw was in hetgeen Hem was opgedragen, en zo moeten wij door een ongeveinsd geloof in ieder woord van Christus, en een algehele onderwerping der ziel er aan, Hem de ere geven van Zijn naam.