Johannes 8:21-30
Christus vermaant hier de zorgeloze, ongelovige Joden om te bedenken wat de gevolgen zullen zijn van hun ongeloof, opdat zij ze zouden voorkomen eer het te laat is, want Hij sprak woorden van verschrikking, zowel als van genade. Merk hier op:
I. Den bedreigden toorn, vers 21. Jezus dan zei wederom tot hen hetgeen hun waarschijnlijk goed kon doen. Hij bleef leren, in vriendelijkheid jegens hen, die Zijne leer aannamen, hoewel er velen waren, die haar weerstonden, hetgeen een voorbeeld is voor Evangeliepredikers, om, in weerwil van tegenstand, voort te gaan met hun arbeid, omdat een overblijfsel behouden zal worden. Hier verandert Christus van toon, Hij had voor hen op de fluit gespeeld in de aanbiedingen Zijner genade, en zij hadden niet gedanst, nu zingt Hij klaagliederen voor hen in de aankondiging van Zijn toorn, om te zien of zij ook zouden wenen. Hij zei: Ik ga heen, en gij zult Mij zoeken, en in uwe zonden zult gij sterven, waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen. Ieder woord is ontzettend, en duidt op geestelijke oordelen, die de zwaarste van alle oordelen zijn, erger dan oorlog, pestilentie en gevangenschap, die de Oud-Testamentische profeten hebben aangekondigd. De Joden worden hier bedreigd met vier dingen.
1. Christus' heengaan van hen. Ik ga heen, dat is: "Het zal niet lang meer duren, of Ik ga heen, gij behoeft u zoveel moeite niet te geven om Mij van u weg te drijven, Ik zal uit Mij zelven heengaan." Zij zeiden tot Hem: Wijk van ons! want aan de kennis uwer wegen hebben wij geen lust, en Hij houdt hen aan hun woord, maar wee hun, van wie Christus wijkt. Icabod, de eer is weggevoerd, onze bescherming is weggenomen, als Christus heengaat. Christus heeft hen dikwijls gewaarschuwd voor Zijn heengaan, eer Hij hen heeft verlaten. Hij heeft hun dikwijls vaarwel gezegd, als iemand, die ongaarne heengaat, en gewillig is om tot blijven te worden uitgenodigd, en hen zou hebben willen opwekken om Hem aan te grijpen, en tot blijven te dringen.
2. Hun vijandschap tegen den waren Messias, en hun vruchteloos, verdwaasd vragen en zoeken naar een anderen Messias, toen Hij heengegaan was, hetgeen beide hun zonde en hun straf is geweest. Gij zult Mij zoeken, hetgeen aanduidt:
a. Hun vijandschap jegens den waren Christus:" Gij zult Mijn invloed zoeken te vernietigen, door Mijne leer en Mijne volgelingen te vervolgen met het vruchteloze doel hen uit te roeien." Dit was een voortdurende kwelling en pijniging voor hen zelven, hen ongeneeslijk boosaardig en gemelijk makende, en den toorn Gods over hen brengende tot het einde. Of:
b. Hun vragen en zoeken naar valse Christussen. "Gij zult voortgaan met den Messias te verwachten, gij zult u verwarren met het zoeken naar een komenden Christus, terwijl Hij reeds gekomen is," gelijk de inwoners van Sodom, die, met blindheid geslagen zijnde, zich aftobden om de deur te vinden. Zie Romeinen 9:31, 32.
3. Hun finale onboetvaardigheid. "Gij zult sterven in uwe zonde." In alle Engelse vertalingen van den Bijbel, zelfs in de oude bisschopsoverzetting, evenals in die van Genève, (behalve alleen de Rhemist) is hier een fout ingeslopen, want zij hebben het woord zonde in het meervoud, terwijl het in alle Griekse handschriften in het enkelvoud voorkomt, en tê hamartia humoon -is uwe zonde, zo ook in al de Latijnse overzettingen, en Calvijn wijst op het verschil tussen dit en vers 24, waar het meervoud gebruikt is, tais hamartiais. Hij zegt, dat het hier inzonderheid bedoeld is van de zonde van ongeloof, in hoc peccato vestro -in deze uwe zonde. Zij, die in ongeloof leven, gaan hun eeuwig verderf tegemoet, zo zij in hun ongeloof sterven. Of het kan verstaan worden in algemenen zin. Gij zult sterven in uwe ongerechtigheid, zoals in Ezechiël 3:19, en 33:9. Velen, die lang in de zonde geleefd hebben, zijn, door genade, door een tijdige bekering er voor bewaard gebleven om in hun zonde te sterven. Maar voor hen, die uit deze wereld van toetsing heengaan naar de wereld der vergelding onder de schuld van onvergeven zonde en de macht van onverbroken zonde, blijft gene verlichting of vertroosting over, de verlossing zelf kan hen niet verlossen of zalig maken, Job 11, Ezechiël 32:27.
4. Hun eeuwigdurende afscheiding van Christus en van alle gelukzaligheid in Hem: Waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen. Toen Christus de aarde verliet, is Hij heengegaan naar een staat van volkomen gelukzaligheid, Hij ging heen naar het paradijs. Derwaarts heeft Hij den boetvaardigen moordenaar medegenomen, die niet in zijne zonden is gestorven, maar de onboetvaardigen zullen niet slechts niet tot Hem komen, maar zij kunnen niet tot Hem komen, het is zedelijk onmogelijk, want de hemel zou geen hemel wezen voor hen, die ongeheiligd sterven, en dus niet toebereid en geschikt zijn gemaakt voor den hemel. Gij kunt niet komen, omdat gij geen recht hebt om in te gaan in dat Jeruzalem, Openbaring 21:14. "Waar Ik heenga, kunt gij niet komen, om Mij vandaar te halen", zegt Dr. Whitby, en het is ook de troost van alle goede Christenen, dat zij, als zij in den hemel komen, buiten het bereik zullen zijn van de boosaardigheid hunner vijanden.
II. Hoe zij met deze bedreiging hebben gespot. In plaats van te sidderen op Zijn woord, schertsten zij er mede en poogden het belachelijk te maken, vers 22. Zal hij ook zich zelven doden? Zie hier:
1. Hoe minachtende gedachten zij hadden van Christus' bedreigingen, zij konden er zich zelven en elkaar vrolijk mede maken, evenals zij, die de boden des Heeren bespotten en den last van het woord des Heeren tot ene spotrede, en regel op regel, gebod op gebod tot een lied maakten. Maar "drijft den spot niet, opdat uwe banden niet vaster gemaakt worden".
2. Welke slechte gedachten zij hadden van Christus' bedoeling, alsof Hij een onmenselijk plan beraamde tegen Zijn eigen leven, ten einde, zoals Saul, aan hoon en versmaadheid te ontkomen. Dat is inderdaad (zeggen zij) heengaan, waar wij hem niet kunnen volgen, want nooit zullen wij ons zelven doden. Aldus maken zij Hem niet slechts tot een van hen, maar tot iemand, die slechter is dan zij, en toch hebben vele Joden bij de rampen, die door de Romeinen over hen gebracht werden, in ontevredenheid en wanhoop zich zelven gedood. Zij hadden een veel betere uitlegging aan Zijne woorden gegeven in hoofdstuk 7:34, 35: Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan en de Grieken leren? Maar zo zal de boosaardigheid, waaraan men toegeeft, hoe langer hoe boosaardiger worden.
III. De bevestiging van hetgeen Hij gezegd had.
1. Hij had gezegd: Waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen, en hier geeft Hij er de reden van op, vers 23. Gijlieden zijt van beneden, Ik ben van boven, gij zijt uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld. Gij zijt-ek toon katoo -van die dingen, welke beneden zijn, lettende, niet zozeer op hun opkomen van beneden, als wel op hun gehechtheid aan deze lagere dingen. Gij zijt in deze dingen, als degenen, die er toe behoren, hoe kunt gij komen waar Ik ga, als uw geest en uwe neiging zo geheel tegenovergesteld zijn aan de Mijne? Zie hier: a. wat de geest van den Heere Jezus was-niet van deze wereld, maar van Boven. Voor al den rijkdom dezer wereld, voor gemak of genot van het lichaam en den lof der men. schen was Hij volkomen dood, en Hij was geheel en al ingenomen door Goddelijke en hemelse dingen, en niemand zal met Hem wezen dan zij, die van Boven geboren zijn, en hun wandel hebben in den hemel
b. Hoe geheel tegenovergesteld was dit aan hun geest: " Gij zijt van beneden en van deze wereld". De Farizeeën waren van een vleselijken wereldsgezinden geest, welke gemeenschap kon Christus dan met hen hebben?
2. Hij had gezegd: In uwe zonden zult gij sterven, en hier blijft Hij daarbij: "Ik heb u dan gezegd, dat gij in uwe zonden zult sterven, omdat gij van beneden zijt", en Hij geeft er nog verder deze reden voor, indien gij niet gelooft, dat Ik die ben, gij zult in uwe zonden sterven, vers 24. Zie hier:
a. Wat van ons geëist wordt, nl. dat wij zullen geloven: dat Ik die ben, hoti ego eimi -dat Ik ben, hetwelk een der namen Gods is, Exodus 3:14. Het was de Zone Gods, die daar zei-Ik zal zijn, die Ik zijn zal, want de bevrijding van Israël was slechts een type of beeld van toekomende goede dingen, maar nu zegt Hij: Ik ben die. Ik ben, die komen zou, dien gij verwacht de Messias te zijn. Ik ben wat gij wenst, dat Ik u wezen zal. Ik ben meer dan de blote naam van den Messias, Ik noem Mij niet slechts zo, Ik ben het. Het ware geloof houdt de ziel niet op met een ledigen klank van woorden, maar beweegt haar door de leer van Christus' Middelaarschap, als iets wezenlijks, dat ook een wezenlijke uitwerking heeft.
b. Hoe noodzakelijk het is, dat wij dit geloven. Indien wij dit geloof niet hebben, dan zullen wij sterven in onze zonden, want de zaak is zo geregeld en vastgesteld, dat wij zonder dit geloof niet behouden kunnen worden van de macht der zonde terwijl wij leven, en er dus voorzeker in zullen volharden ten einde toe. Niets dan de leer van Christus' genade kan ene reden zijn, overtuigend genoeg, en niets dan de Geest van Christus' genade kan een beginsel in ons werken, krachtig genoeg, om ons van de zonde af te keren tot God, en die Geest is gegeven, en die leer is gegeven om alleen in hen, die in Christus geloven, van kracht en uitwerking te zijn, zodat, indien Satan niet door geloof uit het bezit wordt verdreven, hij de ziel zolang zij leeft in bezit zal houden. Indien Christus ons niet geneest, is onze toestand hopeloos, en zullen wij sterven in onze zonden. Dat wij, zonder geloof niet verlost kunnen worden van de straf der zonde als wij sterven, want de toorn Gods blijft op hen, die niet geloven, Markus 16:16. Ongeloof is de veroordelende zonde, het is ene zonde tegen het geneesmiddel. Hierin nu ligt de grote Evangeliebelofte opgesloten: Indien wij geloven, dat Christus die is, en Hem als zodanig aannemen, dan zullen wij niet sterven in onze zonden. Volstrekt tot iedereen zegt de wet, wat Christus zegt, vers 21. Gij zult sterven in uwe zonden, want allen zijn wij schuldig voor God, maar het Evangelie is ene nietigverklaring van de verplichting, op voorwaarde van te zullen geloven. De vloek der wet is teniet gedaan voor allen, die zich onderwerpen aan de genade van het Evangelie. Gelovigen sterven in Christus, in Zijne liefde, in Zijne armen, en aldus worden zij er voor bewaard van te sterven in hun zonden.
IV. Hier is nu voorts ene rede betreffende Hem zelven, naar aanleiding van Zijn eis van geloof in Hem als de voorwaarde tot zaligheid, vers 25-29.
1. De vraag, die de Joden Hem deden, vers 25:Wie zijt gij? Dit vroegen zij smalend, niet met ene begeerte om ingelicht te worden. Hij had gezegd: Gij moet geloven, dat Ik die ben. Door Zijn niet uitdrukkelijk zeggen wie Hij was, gaf Hij duidelijk te kennen, dat Hij in Zijn Persoon iemand was, die niet door iemand beschreven of omschreven kon worden, en in Zijn ambt als iemand, die door allen werd verwacht, die uitzagen naar de verlossing Israël's, toch werd deze indrukwekkende manier van spreken, die zo veelbetekenend was, door hen tot Zijne versmaadheid verkeerd, alsof Hij niet wist wat van zich zelven te zeggen. Wie zijt gij, dat wij zo onbepaald, zo blind in u moeten geloven, dat gij een grootmachtige HIJ zoudt zijn, wij weten niet wie of wat, noch dat het waardig is geweten te worden?" Hij antwoordt op deze vraag, en wijst hun drie middelen aan om inlichting te bekomen:
a. Hij verwijst hen naar hetgeen Hij van den beginne gezegd had. "Vraagt gij wie Ik ben? Ik ben dezelfde, die Ik u van den beginne gezegd heb". Het oorspronkelijke is hier ietwat ingewikkeld, ten archên ho ti kai laloo humin, dat door sommigen aldus gelezen wordt: Ik ben het begin, dat Ik ook tot u zeg. Zo heeft Augustinus het opgevat. Christus wordt genoemd Archê-het Begin, Colossenzen 1:18, Openbaring 1:8, 21:6, 3:14, en aldus komt het overeen met vers 24. Ik ben die. Vergelijk Jesaja 41:4, Ik, die de eerste ben. Zij, die hier tegen inbrengen, dat het de accusatief is, en dus eigenlijk niet beantwoordt aan tis ei, moeten dan met grammatische regelen de parallel-uitdrukking in Openbaring 1:8 verklaren ho ên. Maar de meeste uitleggers zijn het eens met onze overzetting. Vraagt gij wie Ik ben? Ik ben dezelfde, die Ik u van het begin des tijds in de Schriften des Ouden Testaments gezegd heb, dezelfde, die van den beginne gezegd was te zijn het Zaad der vrouw, dat den kop der slang zou vermorzelen, dezelfde, die in alle tijden en eeuwen der kerk de Middelaar des verbonds is geweest, en het voorwerp des geloofs der aartsvaders. Van het begin Mijner openbare bediening. De rekenschap, die Hij reeds van zich zelven gegeven had, daar wilde Hij bij blijven, Hij had verklaard de Zoon van God te Zijn, Hoofdstuk 5:17, 18, de Christus te zijn, Hoofdstuk 4:26, en het brood des levens, en Hij had zich voorgesteld als het voorwerp van dat geloof, hetwelk noodzakelijk is ter verlossing en zaligheid, en hiernaar verwijst Hij hen nu voor een antwoord op hun vraag. Christus blijft zich gelijk, wat Hij van den beginne gezegd heeft, dat zegt Hij nog. Zijn Evangelie is een eeuwig Evangelie.
b. Hij verwijst hen naar het oordeel Zijns Vaders, en de instructies, die Hij van Hem had, vers 26. "Ik heb vele dingen, meer dan gij denkt, van u te zeggen, en, in die dingen, van u te oordelen. Maar waarom zou Ik mij nog moeite met u geven? Ik weet dat Hij, die Mij gezonden heeft, waarachtig is, en Mij zal ondersteunen, want Ik spreek tot de wereld (tot welke Ik als gezant ben gezonden) de dingen, al die dingen, en alleen die, welke Ik van Hem gehoord heb. Hier houdt Hij Zijne beschuldiging tegen hen terug. Hij had hen van vele dingen te beschuldigen, en vele bewijzen tegen hen aan te voeren, maar voor het ogenblik had Hij genoeg gezegd. Welke ontdekkingen van zonde ons ook gemaakt worden, Hij, die het hart doorgrondt, heeft nog meer om er ons over te oordelen, 1 Johannes 3:. Hoeveel God ook met de zondaren afrekent in deze wereld, er zal een nog veel grotere afrekening komen, Deuteronomium 32:34. Laat ons hieruit leren om niet zo ijverig en voortvarend te zijn om dadelijk alles te zeggen wat wij kunnen zeggen, zelfs niet tegen de slechtsten der mensen, wij kunnen wel veel hebben te zeggen om te laken en af te keuren, dat toch maar beter ongezegd blijft, want waartoe dient het, als er toch niet naar geluisterd wordt? Hij beroept zich tegen hen op Zijn Vader: Die Mij gezonden heeft. Hier zijn twee dingen, die Hem vertroosten: Ten eerste. Dat Hij getrouw is geweest aan Zijn Vader, en aan de opdracht, die Hem was gegeven. De dingen, die Ik van Hem gehoord heb, dezelve spreek Ik tot de wereld - want Zijn Evangelie zou gepredikt worden aan alle creaturen. Gegeven zijnde tot een getuige der volken, Jesaja 55:4, was Hij de Amen, de getrouwe Getuige, Openbaring 3:14. Hij heeft Zijne leer niet verborgen, neen, Hij sprak haar tot de wereld-daar zij van algemeen belang was, moest zij ook van algemene bekendheid zijn. Hij heeft haar ook niet veranderd of gewijzigd, noch is Hij afgeweken van de instructies, ontvangen van Hem, die Hem heeft gezonden. Ten tweede. Dat Zijn Vader Hem getrouw zou zijn, getrouw aan de belofte, dat Hij Zijn mond zal maken als een scherp zwaard, getrouw aan Zijn voornemen omtrent Hem, dat een raadsbesluit was, Psalm 2:7, getrouw aan de bedreiging van Zijn toorn over hen, die Hem zullen verwerpen. Hoewel Hij hen niet bij Zijn Vader zou beschuldigen, zal de Vader, die Hem heeft gezonden, toch ongetwijfeld afrekening houden met hen, en getrouw zijn aan hetgeen Hij heeft gesproken, Deuteronomium 18:19, dat Hij het zoeken zal van den man, die niet zal horen naar den profeet, dien God zal verwekken. Christus wilde hen niet beschuldigen, "want", zegt Hij, "die Mij gezonden heeft is waarachtig, en zal hen oordelen, hoewel Ik geen oordeel tegen hen zou eisen". Bij dit deel van onzes Heilands rede maakt de evangelist een treurige opmerking: Zij verstonden niet, dat Hij hun van den Vader sprak' vers 27. Zie hier:
1. De macht van Satan om de ogen te verblinden van hen, die niet geloven. Hoewel Christus zo duidelijk heeft gesproken van God, als van Zijn Vader in den hemel, hebben zij niet begrepen wie Hij bedoelde, maar dachten dat Hij sprak van een vader, dien Hij had in Galilea. Zo worden de eenvoudigste dingen raadselen voor hen, die aan hun vooroordelen blijven vasthouden, voor de blinden zijn dag en nacht gelijk.
2. De reden, waarom de bedreigingen des woords zo weinig indruk maken op het gemoed der zondaren, is dat zij niet verstaan wiens toorn het is, die in hen wordt geopenbaard. Toen Christus hun sprak van de waarheid van Hem, die Hem had gezonden, als ene waarschuwing om bereid te zijn op Zijn oordeel, dat naar waarheid is, hebben zij die waarschuwing in den wind geslagen, omdat zij niet begrepen, wiens oordeel het was, waaraan zij zich blootstelden.
c. Hij verwijst hen naar hun eigen overtuiging hiernamaals, vers 28, 29. Hij bevindt, dat zij Hem niet willen begrijpen, en daarom verschuift Hij het onderzoek tot later, wanneer meer bewijzen voorhanden zullen zijn. Zij, die niet willen zien, zullen zien, Jesaja 26:11. Merk hier nu op hetgeen, waarvan zij eerlang overtuigd zullen worden: Gij zult verstaan, dat Ik die ben, dat Jezus de ware Messias is. Of gij het al of niet voor de mensen wilt erkennen, gij zult het gewaar worden in uw eigen geweten, gij zult de overtuiging van uw geweten wel kunnen smoren, maar niet overbluffen of verijdelen, dat Ik die ben, niet dien gij zegt dat Ik ben, maar dien Ik zeg en verkondig dat Ik ben, namelijk Hij, die komen zou. Te dien einde zullen zij van twee dingen overtuigd worden: Ten eerste. Dat Hij niets deed van zich zelven, niets van zich zelven, als mens, van zich zelven alleen, van zich zelven zonder den Vader, met wie Hij een was. Hiermede doet Hij niets af van Zijn eigen macht, Hij wijst slechts de beschuldiging af van een vals profeet te zijn, want van valse profeten wordt gezegd, dat zij uit hun hart profeteren en hun geest na wandelen. Ten tweede, dat Hij spreekt, gelijk Hij het van Zijn Vader geleerd heeft, dat Hij niet was autodidaktos -zelfonderwezen, maar Theodidaktos - van God geleerd. De leer, die Hij predikte, was het tegenstuk van Gods raad, waarmee Hij volkomen bekend was, kathoos edidaxe, tauta laloo -Ik spreek deze dingen, niet alleen die welke Hij Mij geleerd heeft, maar zoals Hij ze Mij geleerd heeft, met dezelfde Goddelijke kracht en hetzelfde gezag. Wanneer zij hiervan overtuigd zullen zijn: Wanneer gij den Zoon des mensen zult verhoogd hebben, verhoogd aan het kruis, zoals de koperen slang op de stang, Hoofdstuk 3:14, gelijk de offers onder de wet (want Christus is het grote offer), die, wanneer zij geofferd werden, gezegd werden opgeheven te zijn, vandaar dat de brandoffers, de oudste en eerwaardigste van allen, verheffingen genoemd werden, en in vele andere offers gebruikten zij de betekenisvolle ceremonie van het offer op te heffen, het te bewegen voor het aangezicht des Heeren, en zo was Christus opgeheven, of verhoogd. De uitdrukking kan ook aanduiden, dat Zijn dood Zijne verhoging is geweest. Zij, die Hem ter dood brachten, dachten dat zij hierdoor Hem en Zijn invloed hebben doen zinken, doen nederdalen, maar het bleek van beiden de bevordering, de verhoging te zijn, Hoofdstuk 12:24. Toen de Zoon des mensen gekruisigd was, was de Zoon des mensen verhoogd en verheerlijkt. Christus had Zijn sterven Zijn heengaan genoemd, hier noemt Hij het Zijne verhoging. En evenzo, gelijk de dood der heiligen hun heengaan is uit deze wereld, zo is het ook hun bevordering tot een betere wereld. Let er op, dat Hij van hen, tot wie Hij nu het woord richt, spreekt als van de werktuigen van Zijn dood: wanneer gij den Zoon des mensen verhoogd zult hebben, niet alsof zij de priesters waren, die Hem offerden (neen, dat was Zijn eigen daad, Hij heeft zich zelven geofferd) maar zij zullen Zijne verraders en moordenaars zijn, Handelingen 2:23. Zij hebben Hem verhoogd aan het kruis, maar toen heeft Hij zich zelven verhoogd tot den Vader. Merk op met wat tederheid en zachtmoedigheid Christus hier spreekt, tot hen die, naar Hij met zekerheid wist, Hem ter dood zullen brengen, teneinde ons te leren niemand te haten, niemand enig leed toe te wensen, al hebben wij ook reden te denken, dat zij ons en ons verderf begeren. Christus spreekt hier nu van Zijn dood als van een krachtige overtuiging van het ongeloof der Joden. Als gij den Zoon des mensen zult verhoogd hebben, dan zult gij dit verstaan. En waarom dan? Ten eerste. Omdat zorgeloze, onnadenkende mensen dikwijls pas de waardij der zegeningen leren verstaan als zij ze ontberen, Lukas 17:22. Ten tweede. De schuld hunner zonde van Christus ter dood te brengen zal hun geweten zo doen ontwaken, dat zij er door aangespoord zullen worden om een ernstig onderzoek naar den Zaligmaker in te stellen, en dan zullen zij weten, dat Jezus alleen het was, die hen kon zalig maken. En zo is het ook gebleken, toen hun gezegd werd, dat zij met snode handen den Zone Gods hadden gekruisigd en gedood, riepen zij: Wat zullen wij doen? en toen werd hun te verstaan gegeven, dat deze Jezus Heere en Christus is, Handelingen 2:36. Ten derde. Er zullen zo vele tekenen en wonderen plaatshebben bij Zijn dood en Zijne verhoging van den dood in de opstanding, dat zij een sterker bewijs zullen zijn dat Hij de Messias is, dan allen, die voor dien tijd gegeven waren, en grote scharen werden hierdoor er toe gebracht om te geloven, dat Jezus is de Christus, terwijl zij Hem tevoren hadden tegengestaan. Ten vierde. Door den dood van Christus werd de uitstorting des Geestes verkregen, die de wereld er van zou overtuigen dat Jezus die is, Hoofdstuk 16:7, 8. Ten vijfde. De oordelen, die de Joden over zich brachten door Christus ter dood te brengen, hetwelk de mate hunner ongerechtigheid vol deed worden, waren voor de meest verharden onder hen een sterk bewijs, dat Jezus die was. Christus had die verwoesting dikwijls voorzegd als de rechtvaardige straf voor hun onverwinbaar ongeloof, en toen zij kwam (zie, zij is gekomen), toen konden zij weten, dat er een groot profeet in hun midden geweest is, Ezechiël 33:33. Wat onzen Heere Jezus intussen ondersteund heeft, vers 29:Die Mij gezonden heeft, is met Mij in geheel Mijne onderneming, want de Vader -de Fontein en Oorsprong van deze zaak, van wie, als haar grote Oorzaak en Werker zij komt, "heeft Mij niet alleen gelaten om de zaak af te doen, Hij heeft zich noch aan de zaak, noch aan Mij bij de volvoering er van onttrokken, want Ik doe altijd wat Hem behaaglijk is". Hier is: Ten eerste. De verzekering, die Christus had van Zijns Vaders tegenwoordigheid met Hem, hetgeen beide een Goddelijke kracht insluit, die Hem vergezelt om Hem instaat te stellen tot Zijn werk, en een Goddelijke gunst, Hem betoond, om er Hem in te bemoedigen. Die Mij gezonden heeft is met Mij, Jesaja 42:1, Psalm 89:22. Hierdoor wordt aan ons geloof in Christus een grote vrijmoedigheid bijgezet, en zo kunnen wij steunen en betrouwen op Zijn woord, dat Zijn Vader met Hem was, om het-woord Zijns knechts te bevestigen, Jesaja 44:26. De Koning der koningen vergezelt Zijn Gezant, om van Zijne zending te getuigen en Hem bij te staan in Zijn bestuur, en Hij heeft Hem nooit allen gelaten, noch eenzaam noch zwak. Dit verergerde ook de boosheid van hen, die Hem tegenstonden, en hierdoor bevonden werden tegen God te strijden. Hoe gemakkelijk zij Hem ook dachten te kunnen verpletteren, laat hen weten, dat Hij gerugsteund wordt door Enen, met wie te strijden voorzeker wel de grootste dwaasheid is.
Ten tweede. De grond dezer verzekerdheid: want Ik doe altijd wat Hem behaaglijk is. Dat is: de grote zaak, waarmee onze Heere Jezus zich voortdurend bezighield, was ene zaak, waarmee de Vader, die Hem gezonden heeft, hogelijk was ingenomen. Geheel Zijne onderneming wordt genoemd het welbehagen des Heeren, Jesaja 53:10. In Zijn bestuur van die zaak was er ook niets, dat Zijn Vader mishaagde, in de volvoering van Zijne opdracht heeft Hij al Zijne instructies stipt opgevolgd, en is er in niets van afgeweken. Sedert den val heeft geen bloot mens zulk een woord kunnen zeggen (want wij struikelen allen in vele) maar onze Heere Jezus heeft Zijn Vader nooit aanstoot gegeven, maar, gelijk Hem betaamde, heeft Hij alle gerechtigheid vervuld. Dit was nodig voor de kracht en waardij van het offer, dat Hij zou opofferen, want indien Hij zelf in enig opzicht den Vader had mishaagd, en aldus voor enigerlei eigen zonde verantwoording had moeten doen, dan zou de Vader geen welbehagen in Hem gehad kunnen hebben als ene verzoening voor onze zonden, maar zulk een priester en zulk een offer betaamde ons, die volkomen rein en zonder gebrek waren. Ook kunnen wij hieruit leren, dat Gods dienstknechten Gods tegenwoordigheid kunnen verwachten, als zij verkiezen en doen de dingen, waartoe Hij lust heeft. Jesaja 66:4, 5.
V. Wij zien hier de goede uitwerking, die deze rede van Christus op sommigen van Zijne hoorders gehad heeft, vers 30. Als Hij deze dingen sprak geloofden velen in Hem. Hoewel zeer velen omkomen in hun ongeloof, is er toch een overblijfsel naar de verkiezing der genade, die geloven tot behouding der ziel. Indien Israël, dat is geheel het volk, niet verzameld wordt, zijn er toch van dezulken, in wie Christus verheerlijkt wordt, Jesaja 49:5. Hierop legt de apostel nadruk, om de verwerping der Joden als niet in strijd te tonen met de beloften aan hun vaderen. Er is een overblijfsel, Romeinen 11:5. De woorden van Christus, inzonderheid Zijne bedreigingen, worden door Gods genade van kracht en uitwerking gemaakt om arme zielen er toe te brengen om in Hem te geloven. Toen Christus hun zei, dat zij, zo zij niet geloofden, sterven zouden in hun zonden, en nooit in den hemel zouden komen, dachten zij, dat het tijd was om eens uit hun ogen te zien, Romeinen 1:16, 18. Soms is er een grote en krachtige deur geopend, zelfs waar vele tegenstanders zijn. Christus zal Zijn arbeid voortzetten, al is het ook dat de heidenen woeden. Soms behaalt het Evangelie grote overwinningen waar het tegenstand ontmoet. Laat dit de dienstknechten Gods bemoedigen om het Evangelie te prediken, al is het ook in veel strijds, want hun arbeid zal niet ijdel zijn. Velen kunnen in het verborgen tot God gebracht worden door die pogingen, welke door mensen van een verborgen zin openlijk tegengestaan en tegengesproken worden. In zijne lezing over deze woorden uit Augustinus den liefdevollen wens: Utinam et, me loquenti, multi credant, non in me, sed mecum in eo Ik wens, dat, als ik spreek, velen mogen geloven, niet in mij, maar met mij in Hem."