8. Laat ons dan met ons hele leven a) feest houden, niet in de b) oude zuurdesem, noch in de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid, niet in openbare zonde of verborgen geheim onrecht, maar in de ongezuurde broden van de oprechtheid, wat de inwendige gezindheid aangaat, en van de waarheid, wat de uitwendige belijdenis en de Christelijke wandel aangaat.
a) Exodus 12:3, 15. b) Deuteronomium 16:3.
Omdat wij nu een paaslam en een waar paasfeest hebben, zegt Paulus, moeten wij ook daaraan recht geven en het vrolijk vieren, zoals het behoort, dat wij niet meer het vorige oude zuurdeeg, maar ware ongezuiverde koeken eten.
Het feest, bedoeld met de woorden "laat ons dan feest houden", is wel het paasfeest, maar zo, dat het paasvieren als voorbeeldende karakteristieke voorstelling van het gehele Christelijk leven van de apostel gedacht is. Wat onder het Oude Testament volgens voorafbeeldend gebruik eens in het jaar geschiedde, dat moet in het Nieuwe Testament zijn vervulling vinden, als een gebod, dat het gehele leven van de Christen beheerst.
Wellicht heeft de gehele plaats haar grond in de wens van de apostel, om aan die van Petrus (Hoofdstuk 1:12) te tonen, dat de Christenen ook zonder Joodse vorm het wezen van het Oude Verbond hadden. Was nu in Vers 7 aan het beeld zo'n wending gegeven, dat de Corinthiërs als één geheel gedacht, zelf het nieuwe deeg uitmaken, dan zijn zij nu als de feestvierenden voorgesteld, die geen zuurdeeg genieten. Deze zijn de vrije wendingen bij het gebruiken van het beeld, waardoor de hoofdgedachte niet wordt veranderd.
Een onafgebroken Pascha-vieren wordt door Paulus geëist, het hele leven wordt onder het licht van de paaszon gesteld. Elke dag moet ons een paasdag zijn en die dag moeten wij naar het Joodse paasfeest en het zuurdeeg geheel houden. Het Christelijk leven moet een onafgebroken feestvieren zijn, de oude Kerk heeft dit minstens zo beschouwd, dat zij aan iedere dag van de week de naam van Feria (feestdag) gaf en de oude vaders houden niet op, de Christen te vermanen: "iedere dag zij u een feestdag! "
De bijvoeging: "niet in de oude zuurdesem", wordt uit de samenhang met het voorafgaande verklaard; dit is echter niet het geval voor hetgeen volgt, "noch in de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid", en de tegenstelling "maar in de ongezuurde broden van de oprechtheid en van de waarheid. " Bovendien komt de vraag op, wat dit lang stilstaan betekent. Had de gemeente misschien misdreven, wat tegen oprechtheid en waarheid streed en wilt voortkwam uit een gezindheid, die niet op het goede gericht was, noch uit een, die het goed meende? (vgl. Vers 9). Want evenals de kwaadheid de gezindheid uitdrukt van hem, die in zichzelf kwaad is en de boosheid de gezindheid van hem, die voor anderen boos is, zo is oprechtheid de gesteldheid van hem, die in zichzelf rein is, waarheid de eigenschap van hem, die voor anderen duidelijk en openbaar is.
De apostel maakt onderscheid tussen het oude zuurdeeg en het zuurdeeg van de kwaadheid en van de boosheid. Onder het eerste verstaat hij de overblijfselen van vroegere verkeerde gewoonten, onder het laatste later opkomende verkeerdheden en misstappen. (V.).
Christus' opoffering heeft de hele tijd van het Nieuwe Testament tot een feesttijd gemaakt, dat kan echter niet bij het onboetvaardig volharden in het oude zuurdeeg blijven bestaan, ook niet waar men zijn nieuwe gezindheid weer met kwaad laat besmetten, noch wanneer men zich het kwade, onder een goede schijn van rechtmatige vrijheid laat opdringen.
Het zoete van oprechtheid en waarheid is daarentegen de gezindheid van oprechtheid voor God, die zich opent voor het Goddelijk licht en, daardoor doorschenen, zelf licht wordt.