Mattheus 21:18-22
Merk hier op, dat:
I. Christus des morgens vroeg wederkeerde naar Jeruzalem, vers 18. Sommigen denken, dat Hij des nachts de stad uitging omdat geen Zijner vrienden Hem durfde herbergen, uit vrees voor de groten. Daar Hij er echter nog werk te doen had, keerde Hij terug. Nooit moeten wij ons, hetzij door de boosheid onzer vijanden of de onvriendelijkheid onzer vrienden, van onzen plicht laten afhouden. Hoewel Hij wist, dat Hem in deze stad banden en verdrukkingen wachtten, werd Hij er toch niet door bewogen. Paulus volgde Hem, toen hij gebonden zijnde door den Geest naar Jeruzalem reisde, Handelingen 20:22.
II. Als Hij wederkeerde naar de stad, hongerde Hem. Hij was mens en onderworpen aan de zwakheden onzer natuur. Hij was een werkzame mens, zo vol van ijver voor Zijn werk, dat Hij verzuimde te eten, en vastende uitging, want de ijver van Gods huis heeft Hem verteerd, en Zijne spijs en drank was den wil Zijns Vaders te doen. Hij was een arme mens, en had geen voorraad bij zich. Hij was een mens, die zich zelven niet behaagde, want Hij zou zich gaarne met groene, rauwe vijgen vergenoegd hebben voor Zijn ontbijt, toen het voegzaam zou zijn geweest om warme spijze te nuttigen. Christus hongerde, opdat Hij gelegenheid zou hebben het wonder te doen door den onvruchtbaren vijgenboom te vloeken en te doen verdorren, en ons hiermede een voorbeeld te geven van Zijne gerechtigheid en macht, beide zeer leerrijk.
1. Zijne gerechtigheid, vers 19. Hij ging tot den boom, verwachtende vruchten er aan te vinden, omdat hij bladeren had, maar gene vruchten vindende, veroordeelde Hij hem tot altijddurende onvruchtbaarheid. Het wonder had zijne betekenis, evengoed als Zijn andere wonderen. Totnutoe waren al de wonderen van Christus gewrocht tot welzijn van den mens, en zij waren blijken van de macht Zijner genade en van Zijn zegen-het heenzenden der duivelen in een kudde zwijnen was slechts ene toelating-, al wat Hij deed strekte tot welzijn en gerief van Zijne vrienden, niets tot verschrikking of straf van Zijne vijanden, maar nu, ten laatste, om te tonen dat Hem al het oordeel is overgegeven, en dat Hij machtig is, niet alleen om te behouden, maar ook om te verderven, wilde Hij een voorbeeld geven van de kracht van Zijn toorn en Zijn vloek, evenwel niet ten opzichte van een mens, man, vrouw of kind, want de grote dag Zijns toorns is nog niet gekomen, maar ten opzichte van een onbezield wezen, een boom, als een voorbeeld gesteld. Leert van den vijgenboom deze gelijkenis, Hoofdstuk 24:32. Het doel er van is hetzelfde als van de gelijkenis van den vijgenboom, in Lukas 13:6. De vervloeking van den onvruchtbaren vijgenboom stelt den toestand voor van geveinsden in het algemeen, en zo leert zij ons: dat men met recht vruchten kan verwachten van vijgenbomen, die bladeren hebben. Christus verwacht de kracht van den Godsdienst te zien in hen, die den Godsdienst belijden, druiven aan den wijnstok, die op een vruchtbaren heuvel is geplant, daarnaar hongert Hij, Zijne ziel begeert vroegrijpe vrucht. In hetgeen Christus terecht verwacht van veelbelovende belijders wordt Hij dikwijls teleurgesteld, Hij komt tot velen, uitziende naar vruchten, en vindt slechts bladeren. Velen hebben den naam te leven, en leven niet werkelijk, zij zijn verzot op de gedaante der Godzaligheid, maar verloochenen er de kracht van. De zonde der onvruchtbaarheid wordt terecht gestraft met den vloek der onvruchtbaarheid. Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid. Gelijk het een der voornaamste zegeningen is, en die ook de eerste was, Weest vruchtbaar, zo is een der schrikkelijkste vervloekingen: Weest niet meer vruchtbaar. Aldus wordt de zonde der geveinsden gemaakt tot hun straf. Zij wilden geen goed doen, en daarom zullen zij geen goed doen. Die onvruchtbaar is, laat hem nog onvruchtbaar zijn, en zijne eer en vertroosting verliezen. Een geveinsde belijdenis zal gewoonlijk in deze wereld verdorren, en dit is het gevolg, de uitwerking van Christus' vloek, de vijgenboom, die geen vruchten had, verloor spoedig zijne bladeren. Geveinsden kunnen voor een tijd een zeer schoon aanzien hebben, maar geen beginsel hebbende, geen wortel hebbende, zal hun belijdenis op niets uitlopen, de talenten verdorren, de gewone gaven der genade vergaan, de geloofwaardigheid der belijdenis neemt af, en de valsheid en dwaasheid van den bedrieger worden openbaar voor alle mensen. Zij stelt den toestand voor van het volk der Joden in het bijzonder. Zij waren een vijgenboom, geplant op Christus' weg, als kerk Let nu op: De teleurstelling, die zij den Heere Jezus hebben bereid. Hij kwam onder hen, verwachtende vrucht te vinden, iets, dat Hem welbehaaglijk zou zijn. Hij hongerde er naar, niet dat Hij ene gave begeerde, Hij had haar niet nodig, maar de vrucht, overvloedig tot hun rekening. Maar Zijne verwachtingen werden teleurgesteld, Hij vond niets dan bladeren. Zij noemden Abraham hun vader, maar deden de werken van Abraham niet. Zij beleden den beloofden Messias te verwachten, maar toen Hij kwam, hebben zij Hem niet ontvangen. Het oordeel, dat Hij over hen uitsprak, dat geen vrucht meer uit hen zou worden, of van hen, als kerk of volk, ontvangen zou worden, tot in der eeuwigheid. Nooit is er enig goed van hen gekomen-behalve van bijzondere personen onder hen, die geloofden -nadat zij Christus hadden verworpen. Zij gingen van kwaad tot erger, blindheid en hardheid kwamen over hen, totdat zij ophielden een kerk en een volk te zijn, en uit hun plaats werden ontworteld. Hun schoonheid was vergaan, hun voorrechten en hun sieraden, hun tempel en priesterschap, hun offeranden en feesten, al de heerlijkheid van hun kerk en hun staat, vielen af als bladeren in den herfst. Hoe spoedig was hun vijgenboom verdord, nadat zij gezegd hadden: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen! En hierin was de Heere rechtvaardig.
2. Zie de macht van Christus, Zijne gerechtigheid was omhuld in beeldspraak, maar van Zijne macht wordt meer openlijk gesproken, waarmee Christus bedoelde Zijne discipelen in het gebruik hunner macht te leiden en te besturen. De discipelen verwonderden zich over de uitwerking van Christus' vloek, vers 20. Gene macht dan de Zijne kon dit gewerkt hebben, Hij sprak, en het was er. Zij verwonderden zich over het plotselinge der zaak: Hoe is de vijgenboom zo terstond verdord! Er was geen zichtbare oorzaak voor het verdorren van den vijgenboom, het was een stil, verborgen bederf, dat er over kwam, een worm aan den wortel. Niet slechts de bladeren verdorden, maar de gehele boom, in een ogenblik, en werd als droog hout. Evangelie-vervloekingen zijn het schrikkelijkst, omdat zij een stille, onmerkbare uitwerking hebben, als door een onzichtbaar, doch zeer krachtig vuur. Christus machtigde hen om door het geloof hetzelfde te doen, vers 21, 22, ja zelfs, zoals Hij zei, Johannes 14:12, meer te doen. Let op de beschrijving van dit wonderwerkend geloof: Indien gij geloof had, en niet twijfeldet. Twijfel aan de macht en belofte van God is de grote zaak, die de kracht en het welslagen des geloofs in den weg staat. Indien gij geloof hebt, en niet twist -gelijk sommigen dezen tekst lezen-niet twist onder uzelven, niet twist met de belofte Gods, niet twijfelt aan de beloftenis Gods, Romeinen 4:20, want in zover wij dit doen is ons geloof gebrekkig, even zeker als de belofte is, even stellig moet ons geloof er aan wezen. De kracht en het overmogende er van figuurlijk voorgesteld: Indien gij ook tot dezen berg -bedoelende den Olijfberg- zei: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou geschieden. Er zou een bijzondere reden kunnen geweest zijn om dit te zeggen van dezen berg, want er was ene profetie, dat de Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, in tweeën gespleten zal worden, Zacheria 14:4. Wat nu ook de bedoeling geweest zij van dit woord, het geloof moet het verwachten, hoe onmogelijk het ook schijne voor de zinnen en het verstand. Maar het is een spreekwoordelijke uitdrukking, te kennen gevende dat wij moeten geloven, dat bij God niets onmogelijk is, en dat bijgevolg hetgeen Hij beloofd heeft gewis vervuld zal worden, al schijnt ons dit ook onmogelijk. Onder de Joden was het een gewone lof, toegekend aan hun geleerde rabbijnen, dat zij bergen verzetten, dat is: dat zij de grootste moeilijkheden konden oplossen. Dit nu kan geschieden door het geloof, werkende naar het woord Gods, waardoor grote en wonderlijke dingen tot stand worden gebracht. Het middel, waardoor dit geloof geoefend wordt: Al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen. Het geloof is de ziel, het gebed is het lichaam, tezamen vormen zij den volkomen mens, bereid en geschikt tot elke dienst. Als het geloof waar is, zal het gebed opwekken, en het gebed is niet waar, niet goed, als het niet door het geloof wordt opgewekt. Dit is de voorwaarde van ons ontvangen, wij moeten begeren in het gebed, gelovende. Wat in het gebed begeerd wordt, zal niet worden geweigerd, de verwachtingen van het geloof zullen niet teleurgesteld worden. Wij hebben hiervoor vele beloften uit den mond van den Heere Jezus, en allen ter aanmoediging van het geloof, de voornaamste genadegave, en het gebed, den voornaamsten plicht van den Christen. Wij behoeven slechts te vragen om te hebben, te geloven om te ontvangen, wat willen wij meer? Zie, hoe veelomvattend de belofte is: al wat gij zult begeren, alle dingen, in het algemeen, wat het ook zij, hiermede daalt het af in bijzonderheden, hoewel in het algemene het bijzondere reeds is opgesloten, maar zo groot is de dwaasheid van het ongeloof, dat wij, menende met de beloften in het algemeen in te stemmen, terugdeinzen als het tot de bijzonderheden komt, daarom opdat wij nog een sterke vertroosting zouden hebben, wordt dit hier op zo ruime, veelomvattende wijze uitgedrukt. Alle dingen, welke ook, of hoe ook genaamd.