13. En nu, terwijl volgens het gezegde in
Vers 8-
12 de geestesgaven van de profetie, van de talen en van de kennis met al het overige alleen voor de tegenwoordige tijd bestaan hebben, maar met het begin van de tijd van de volmaaktheid worden afgedaan of vanzelf ophouden, blijft ook in de tijd van de volmaking en in de eeuwigheid, geloof, hoop en liefde, deze drie; maar de meeste van deze is de liefde, waartoe ik u zou willen leiden (
Hoofdstuk 12:31).
De meeste uitleggers vatten dit vers op als een uitspraak over de waarde van de liefde. Het "en nu" vormt in hun oog een tegenstelling tot het "dan" in Vers 12 en wordt door hen verklaard van de tegenwoordige tijd van de wereld. Nu, in dit aardse leven blijven al de drie hoofddeugden en hebben als de drie wezenlijke en voldoende bestanddelen van het Christendom blijvende waarde, geloof, hoop en liefde. Men verklaart dan de gedachte in dit vers verder op deze wijze (Lassenius): "geloof, liefde, hoop maken in deze tijd een drievoudig snoer, dat niet verbroken wordt, maar in het gindse leven zal de liefde van haar moeder, het geloof en haar zuster, de hoop, een blij afscheid nemen; " of (Quesnel): "het geloof en de hoop zijn gidsen, die ons ten hemel leiden, zonder zelf binnen te gaan, de liefde alleen gaat binnen, om te zien wat zij geloofd heeft en te genieten wat zij door de hoop begeerd heeft. " Hoe schoon en juist die verklaring ook schijnt, komt zij toch niet overeen met de samenhang, die er meer op wijst dat Vers 13, evenals van de duur van de liefde, zo ook van die van het geloof en van de hoop handelt. Het "en nu" is daarom aldus op te vatten: en nu, omdat de genadegiften van deze tijd niet voortduren, maar met de openbaring van Christus ophouden, blijven daarentegen deze drie tot in het eeuwige leven.
Overigens stelt Paulus het geloof en de hoop voor als iets, dat in tegenstelling tot het toekomstige leven tot het tegenwoordige behoort (2 Corinthiërs 5:7 Romeinen 8:24,. Hier is echter het geloof niet als tegenstelling tot zien, noch de hoop in tegenstelling tot het werkelijk hebben en genieten op te vatten, maar het geloof, zoals dit het eeuwige fundament van de toestand van de zaligheid is, zo blijft het in het eeuwige leven als het vertrouwend aangrijpen en vasthouden van Christus, als de enige grond van de zaligheid voor allen en een ieder; maar de hoop als de verwachting, die ook nog in de toestand van heerlijkheid plaats vindt, van steeds nieuwe en hogere ontwikkeling.
Het geloof blijft, want het geloof maakt op aarde en in de hemel rechtvaardig en zalig; ook in de eeuwigheid zullen wij weten geredde, begenadigde zondaars te zijn, gered door het bloed van het Lam, zalig gemaakt door de naam van Jezus Christus. De hoop blijft, want hoewel dan het verlangen van onze hoop ons vervult en de onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, waarnaar wij nu vol sterk verlangen uitzien, ons ter bezitting is gegeven, wordt het toch niet uitgeput noch uitgeleefd door het bezit, maar het bloeit in eeuwig nieuwe jeugd en ontvouwt zich voor ons in steeds nieuwe heerlijkheid. Zo blijven geloof en hoop; die beide zullen echter daar in een andere gedaante worden veranderd, alles afleggend wat van het stukwerk van de tijd en de vergankelijkheid ze aankleeft, het geloof wordt tot aanschouwen, de hoop tot volle zalige vreugde. De liefde blijft echter zoals zij is, onveranderlijk in zichzelf, een en dezelfde in tijd en eeuwigheid: want God is de liefde en die liefheeft, is uit God geboren en kent God. Zij is het leven van de zaligheid, het leven van de heiligen hier zowel als daar, de band van de volmaaktheid, de band van de gemeenschap, die ons met de Vader en de Zoon in de Heilige Geest en met het koor van de heilige engelen en uitverkorenen in eeuwigheid zal verbinden. Zo is zij de grootste onder deze, groter dan het geloof, omdat zij daarvan de rijpe vrucht is; groter dan de hoop, omdat zij datgene reeds in zich heeft, wat voor de hoop in de toekomst ligt; groter dan beide, omdat zij niet door woord en beeld tot stand is gebracht, maar onmiddellijk aan Gods hart rust en één met God alles omvat wat van God is. "God is liefde en die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. "
Geloof en hoop worden door de apostel zonder blijkbare aanleiding aan het slot van een uitweiding over de voortreffelijkheid van de liefde, nog vóór de liefde vermeld; het blijkt dat waar de apostel aan de laatste denkt, hij de eerste onmogelijk kan voorbijgaan; zouden wij er niet uit mogen opmaken, dat niet minder dan de liefde, geloof en hoop in de Christen onontbeerlijk zijn? Een Christen zonder liefde. Het is inderdaad een tegenstrijdigheid in de bewoordingen. Die de liefde niet heeft is niets, zegt de apostel. Hoe zou hij dan een Christen kunnen zijn? Ach, wat een bedrog, wat een geveinsdheid, wat een gruwel, een liefdeloze wandel, een hart zonder ware Christelijke liefde met de Christelijke naam te verbloemen! Maar wat dunkt u van de Christen zonder hoop? Is ook deze voorstelling niet een ongegrondheid en een ergernis? Hoe? Het leven en de onverderfelijkheid. zijn door Christus aan het licht gebracht. Hij is de opstanding en het leven, Hij heeft "de woorden van het eeuwige leven, Zijn evangelie is de blijde boodschap van de vergeving van de zonden, de verzoening met God, de geopende hemel van de zaligheid; en men zou een Christen, dat is Zijn discipel, kunnen zijn, zonder de blijdste uitzichten, de schoonste verwachtingen van een heerlijke toekomst, temidden van het lijden en de wederwaardigheden van deze tegenwoordige tijd? Zonder hoop! Behoort niet deze noodlottige trek tot het treurige beeld, dat ons door de apostel van de blinde heiden gemaakt is? Zonder hoop? Is het niet eenzelvig met: zonder Christus, zonder God? Zeker niet! Niemand kent de hoop, waarvan wij spreken, zonder Christus; maar ook niemand, die Christus kent, kan zonder deze hoop zijn. Niemand, die Christus kent? Ik had misschien moeten zeggen: niemand, die in Christus gelooft. Maar zou men een Christen kunnen zijn zonder geloof? Zonder geloof in God en in die God, die de wereld zo lief heeft gehad, dat Hij Zijn eengeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verderft, maar het eeuwige leven heeft? Zonder geloof in Christus en in die Christus, die gezegd heeft: Uw hart worde niet ontroerd: u gelooft in God, geloof ook in Mij. Zonder geloof in het goede en getrouwe woord van de Godsbelofte en dit haar middenpunt: dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. Een Christen zonder geloof, ik zeg niet zonder die geloofskracht, waardoor hij bergen verzetten kan, maar zonder dat geloof, "dat is een bewijs van de zaken, die men niet ziet. Overigens lezer, als u misschien zo'n Christen wezen mocht, wat is uw Christendom? Waartoe dient u het Christendom? En met welk recht, met welk geweten, met welk doel, blijft u zich de naam van Christen aanmatigen? Een Christen zonder geloof is een Christen zonder hoop; een Christen zonder geloof of hoop is een sterveling, een zondaar zonder troost in leven en in sterven. Misschien antwoordt de een of ander: Mijn Christendom zou ook zo nog veel kunnen zijn en mij nog tot het hoogste en beste dienen, als het mij maar deed doordringen tot wat het voornaamste en voortreffelijkste is: de liefde. Al was het dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette en de liefde niet had, dan was ik niets. Slechts door de liefde is men iets en veel en alles. Heb ik de liefde, dan heb ik genoeg; heb ik de liefde, dan kan ik ook niet geheel zonder hoop zijn. Allen even onontbeerlijk in de Christen, zijn zij ook onderling onafscheidelijk in Hem. Geen Christen zonder geloof, geen Christen zonder hoop, geen Christen zonder liefde. Geen Christelijke hoop, geen Christelijke liefde, zonder Christelijk geloof. En omgekeerd: geen Christelijk geloof, (van het voorgewende spreken wij niet) maar van het waarachtige, geen Christelijk geloof zonder Christelijke hoop, geen Christelijk geloof zonder Christelijke liefde. Geloof, hoop en liefde, deze drie vloeien uit elkaar voort: deze drie vloeien op elkaar in; deze drie zijn één. Deze drie worden gedurig meer één, zij sterken elkaar, zij louteren elkaar, zij herbaren elkaar. De liefde is niet eerst, de hoop is niet eerst, maar het geloof. Nochtans is het geloof nooit een ogenblik zonder de hoop, zonder de liefde. Maar onder deze drie onmisbaren en volstrekt voor elkaar onmisbaren, is één de meeste, één de voortreffelijkste en die naam en rang komt aan de liefde toe. De liefde is de meeste. Zij is dit om hetgeen zij de Christen is. Het geloof is het inwendig behoud, de hoop het ontkiemend geluk van de gevallen mens; maar de liefde, de wordende volmaaktheid van de herstellende. De liefde is de meeste, zij is dit door hetgeen zij is met betrekking tot God. Van geloof en hoop is God het voorwerp en voorbeeld. Te geloven is zich in Gods armen te werpen; te hopen, is te rusten aan Zijn hart. Maar lief te hebben is Zijn beeld te dragen. Zijn eigen wezen is liefde, liefhebben is Goddelijk; God is liefde en die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. De liefde is de meeste. Zij is het door haar werking, zij is de Godverheerlijkende vrucht, zij is de zegen spreidende schaduw van de wortelvaste boom van het geloof. Door haar zijn allen die geloven één; sterken zij elkaar; dienen zij elkaar; dragen zij elkaar. "De liefde sticht. " Zij bouwt het lichaam van de Heere, zij breidt Zijn gemeente uit, zij zet de arbeid van Zijn liefde voort onder een zondig, een lijdend mensdom. Om haar vinden Zijn kerk, Zijn woord, Zijn kruis, Zijn persoon, genade en eer ook in de ogen van de onchristenen; zij beschaamt het ongeloof; zij, zij alleen brengt de spotters tot zwijgen. De liefde is de meeste. Zij is het door haar duurzaamheid. De liefde vergaat nimmermeer. Het woord van de profetie verstomt, waar de bedeling van de tijden zich oplost in de eeuwigheid. De gave van de talen valt weg, waar de gekochten uit alle volken en natiën samenstemmen in het lied van het Lam. De gedeeltelijke kennis verliest zich in de volmaakte. Maar ook: geen plaats meer voor het geloof, waar de aanschouwing gekomen is en waar is de hoop, wanneer alles is vervuld? De liefde vergaat nimmermeer. "Als dit verderfelijke onverderfelijkheid zal hebben aangedaan en dit sterfelijke van het leven verslonden zal zijn; als het geopenbaard zal worden, wat wij zijn zullen en wij, in aanbidding neergebogen, de Heere, in wie wij, niet ziende maar gelovend, ons verheugd hebben met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, aanschouwen zullen zoals Hij is, dan zal ons hele wezen, dan zal wat tot hiertoe geloof, hoop en liefde was enkel liefde zijn! Dan zal de liefde, van haar laatste smet gereinigd en tot haar hoogste waarheid gekomen, in ons voor eeuwig zijn een onuitputtelijke bron van geluk een onuitputtelijke kracht tot Godverheerlijkende werkzaamheid. Dan pas zullen wij volkomen, dus voor eeuwig beseffen en inzien wat het zegt lief te hebben en ook hoe weinig wij de liefde hebben gekend, die, de liefde Gods in Christus miskennend, de beoefening van een heilige liefde verenigbaar rekende met de volharding in een godlasterlijk geloof.
Het zijn edelaardige gezellinnen, reeds wanneer wij ieder van haar op zichzelf beschouwen. Het geloof, niet slechts het vast vertrouwen van de ziel op de werkelijkheid van de onzienlijke dingen en de zekerheid van Gods heilsopenbaring in Christus, maar meer bepaald dat zaligmakend geloof, dat op de persoon en het werk van de Verlosser zich richt en met Hem in de nauwste gemeenschap treedt; de hoop op de volkomen vervulling van al Gods heilsbeloften, die in Christus ja zijn en amen, en de liefde, die de gelovige niet slechts met God en met Christus, maar ook met al zijn broeders en zusters in de Heere, ja met heel het geslacht heeft verbonden, dat naar God in hemel en op aarde genoemd wordt. Liefelijke schilderij: ter rechterzijde het geloof, dat het reddend kruis omvat houdt; links de hoop, steunend op het onbedrieglijk anker en in het midden de liefde, met het brandend hart in de hand als dagelijks offer aan de God van de liefde gewijd! Toch laten zij zich zo alleen in de voorstelling scheiden, maar niet in de werkelijkheid, onafscheidelijke gezellinnen als zij zijn, niet slechts van iedere Christen, maar ook samen op het innigst verbonden. Immers, wat is geloof zonder hoop en liefde? Een koele overtuiging van het verstand, maar zonder levenwekkende kracht in het hart of rijpe vrucht van het leven. Zonder hoop zou het geloof de hemel niet eenmaal zien, maar zelfs, al kon het die ingaan, zonder liefde zou ook de hemel zijn hoogste zaligheid derven. Wat is hoop zonder geloof en liefde? Ten hoogste een ijdele droom, waaruit u straks pijnlijk ontwaakt; een geurige bloesem in uw hof, die straks afvalt zonder vruchten te dragen. En eindelijk, wat is liefde zonder hoop en geloof? De opwelling wellicht van een natuurlijk gevoel, maar in andere dele een geestelijk levensbeginsel; als de liefde niet gelooft moet zij sterven en hoopt zij niet evenzeer als zij mint, zij is de bron van een mateloos lijden. Welke ook van deze drie zusters u van de andere scheidt, u schrijft daarmee tegelijk haar doodvonnis neer; ja zelfs ook twee van de drie bij elkaar gebleven, zij derven de glans van haar schoonheid, wanneer de derde verdwenen is. Onafscheidelijk samen gepaard echter, verdienen zij in de volste zin van het woord onschatbare gezellinnen te heten. Veel is reeds het geloof, maar meer nog de hoop en in de volste zin van het woord alles de liefde. Het geloof verbindt ons met God, de hoop verheft ons tot God, maar de liefde maakt ons gelijkvormig aan God, want God is liefde. Het geloof is een kind van de ootmoed, de hoop een telg van de verdrukking, maar de liefde een vrucht van geloof en hoop tezamen. Bij geloven en hopen zoeken wij toch altijd in zeker opzicht ons zelf, alleen de liefde doet ons onszelf vergeten, om werkzaam te zijn voor de redding van anderen. Het geloof knielt in de binnenkamer neer en de hoop ziet er in heilige verdrukking de hemel geopend, maar de liefde zendt ons van daar de wereld weer in om de schat van troost, die wij zelf ontvingen, aan andere mee te delen. Ja, alleen van de liefde kan gezegd worden in een zin, waarin dit zelfs niet van geloof en hoop wordt getuigd, dat zij volstrekt nooit vergaat. Het geloof wordt aanschouwen, de hoop genot en hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Maar ook voor de troon van God blijft de liefde nog even jong, als toen zij het eerst hier beneden in het eerste hart werd geboren. Ook daar is de band van de volmaaktheid de voorwaarde en waarborg tegelijk van een eindeloze toeneming in heiligheid en zaligheid tevens de meeste, in één woord, voor eeuwig en daarom ook in aller schatting reeds hier, schoon haar naam eerst de derde vermeld wordt. En nu, deze drie ze zijn hier beneden de blijvende gezellinnen van de Christus, bij al wat wisselt en wijkt om hem heen, zij kunnen blijven omdat juist zij het onveranderlijk kenmerk van elke gelovige zijn. Zij moeten blijven of geheel ons Christendom was een vorm zonder leven geworden. Zij zullen blijven, juist omdat zij tegelijk zo verheven Goddelijk en zo waarachtig menselijk zijn. Het geloof moge met donkerheid, de hoop met twijfel de liefde met tegenstand te worstelen hebben, waar Christus waarlijk leeft in het hart daar kunnen zij nooit verdwijnen.
Zalige gedachte, zij kan en moet ons vertroosten en verblijden bij de bewustheid, dat de liefde in ons woont; want als zij niet vergaat, dan ook hij niet, in wie zij woont; want woont zij in ons, zij kan en moet ons vertroosten en verblijden bij de bewustheid, dat wij nog zo veel in de liefde tekort komen; want als het volmaakte zal gekomen zijn, dan zullen wij volmaakt zijn in de liefde. - Zij kan en moet ons vertroosten en verblijden bij de ervaring van de liefdeloosheid, die wij hier nog rondom ons zien heersen; want eens zullen wij verkeren in een maatschappij, waarin de liefde alleen zal wonen.