Mattheus 14:22-33
Hier hebben wij de geschiedenis van een ander wonder, door Christus gewrocht tot hulp en redding van Zijne vrienden en volgelingen, Zijn wandelen op het water om tot Zijne discipelen te komen. Bij het vorige wonder handelde Hij als Heer der natuur, hare krachten aanwendende ten behoeve van hen, die gebrek hadden, in dit wonder handelt Hij als Heer der natuur, hare krachten beheersende, om hulp te gaan verlenen aan hen, die in gevaar en benauwdheid zijn. Letten wij op:
I. Christus' wegzenden van Zijne discipelen en de scharen, nadat Hij ze wonderdadig had gevoed. Hij dwong Zijne discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, vers 22. Johannes geeft ene bijzondere reden op voor dit haastige uiteengaan der vergadering, nl. dat het volk zo getroffen was door het wonder der broden, dat zij op het punt stonden van Hem met geweld te nemen opdat zij Hem koning maakten, Johannes 6:15. Om dit te voorkomen liet Hij de scharen uiteen gaan, en zond Zijne discipelen weg, opdat dezen zich niet met het volk hiertoe zouden verenigen, en zelf trok Hij zich terug, Johannes 6:15. Toen zij waren neergezeten om te eten en te drinken, zijn zij daarna niet opgestaan om te spelen, maar ieder ging zijns weegs.
1. Christus liet de scharen van zich. Hierin ligt opgesloten, dat dit met enigerlei plechtigheid geschiedde, Hij zond hen henen met een' zegen, met enige afscheidswoorden van waarschuwing, raad en vertroosting, die hun zouden bijblijven.
2. Hij dwong de discipelen om eerst in het schip te gaan, want voor dat zij weg waren, wilde het volk zich niet van de plaats bewegen. De discipelen waren ongeneigd te vertrekken, en zij zouden niet gegaan zijn, indien Hij hen niet had gedwongen. Zij waren er afkerig van om zich zonder Hem op zee te begeven: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken. Exodus 33:15. Zij wilden Hem niet gaarne alleen laten, zonder iemand, die bij Hem bleef, en zonder schip om Hem op te wachten, maar uit zuivere gehoorzaamheid aan Hem deden zij het.
II. Hierop trok Christus zich terug, vers 23.
Hij klom op den berg alleen, om te bidden.
1. Hij was alleen. Hij ging in ene woeste plaats en was daar alleen. Hoewel Hij zoveel werk te doen had met anderen, wilde Hij toch soms alleen zijn, om ons een voorbeeld te geven. Het zijn Christus' volgelingen niet, die niet gaarne alleen zijn, en niet kunnen genieten van de eenzaamheid, wanneer zij niemand hebben om gemeenschap mede te oefenen dan met God en hun eigen hart.
2. Hij was alleen, biddende. Bidden was Zijn werk in de eenzaamheid. Hoewel Christus, als God, Heere was van allen en over allen, en er tot Hem gebeden werd, had Hij als Mens de gestaltenis eens dienstknechts, en heeft Hij gebeden. Hierin heeft Christus ons een voorbeeld gegeven van bidden in het verborgen, overeenkomstig den regel, dien Hij hiervoor gaf, Hoofdstuk 6:6. Wellicht was er op dien berg een bidvertrek, of ene geschikte plaats voor zulk een doel, de Joden plachten die te hebben. Toen de discipelen naar zee gingen, heeft hun Meester zich begeven tot gebed, toen Petrus gezift was als de tarwe , heeft Christus voor hem gebeden. 3. Hij was daar lang alleen. Als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen, en, naar het schijnt, was Hij er ook nog tegen den morgen, de vierde wake des nachts. De nacht kwam, het was een stormachtige nacht, maar Hij bleef bidden. Het is goed, soms ten minste, en bij bijzondere gelegenheden, als wij ons hart verruimd bevinden, om lang aan te houden in het gebed in het verborgene, en volle vrijheid te nemen om ons hart uit te storten voor den Heere. Wij moeten het gebed voor Gods aangezicht niet wegnemen. Job 15:4.
III. De toestand, waarin de arme discipelen zich toen bevonden. Het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren, vers 24. Hier kunnen wij opmerken:
1. Dat zij in het midden der zee kwamen, toen de storm opstak. Wij kunnen fraai weer hebben bij het begin onzer reize, en toch stormen hebben te verduren, eer wij de bestemde haven bereikt hebben. Zo laat dan hij, die zich aangordt, zich niet beroemen als die zich losmaakt, maar na ene langdurige kalmte den een of anderen storm verwachten.
2. De discipelen waren thans, waar Christus hen gezonden had, en toch barstte die storm over hen los. Indien zij van hun Meester en van hun werk weggevlucht waren, zoals Jona, toen hem de storm tegenkwam, dan zou dat vreselijk zijn geweest, maar zij hadden het bepaald bevel van hun Meester ontvangen, om toen naar zee te gaan, en zij gingen voor hun werk. Het is voor Christus' discipelen niets nieuws om stormen te moeten verduren terwijl zij op den weg des plichts zijn, en naar zee gezonden te worden als hun Meester een storm voorziet. Doch zij moeten dit niet euvel opnemen, wat Hij doet, weten zij nu niet, maar zij zullen het na dezen verstaan, n.l. dat Christus voornemens was zich met des te wondervoller genade aan hen en voor hen te openbaren.
3. Het was zeer ontmoedigend voor hen, dat Christus thans niet, gelijk als toen zij zich vroeger in een storm op zee bevonden, bij hen was. Wel is waar sliep Hij toen, maar Hij was spoedig gewekt, Hoofdstuk 8:24, maar nu was Hij in het geheel niet bij hen. Aldus heeft Christus Zijne discipelen eerst aan de mindere moeilijkheden gewend, en daarna aan de grotere, en zo leidt Hij hen trapsgewijze op om te leven door geloof.
4. Hoewel de wind hun tegen was, en zij in nood waren van de baren, hebben zij, daar hun Meester hun bevolen had, af te varen naar de andere zijde, den steven niet gewend om terug te keren, maar deden zij wat zij konden om vooruit te komen. Hoewel wij in het beoefenen van onzen plicht met moeilijkheden kunnen te kampen hebben, moeten zij ons toch niet er van afhouden, integendeel, ook te midden dier moeilijkheden behoren wij voorwaarts te streven.
IV. Christus' naderen tot hen, toen zij zich in dien toestand bevonden, vers 25, en hierin hebben wij een voorbeeld van:
1. Zijne goedheid, dat Hij tot hen ging, als iemand, die kennis neemt van hun geval, en bezorgd over hen was, zoals een vader over zijne kinderen. De uiterste nood van de kerk en van Gods volk, is voor Christus de gelegenheid om hen te bezoeken en hun te hulp te komen. Maar Hij kwam niet voor de vierde wake des nachts, dat is: tegen drie ure in den morgen, want toen begon de vierde wake. Het was in de morgenwake, dat de Heere Israël aan de Rode Zee te hulp kwam, Exodus 14:24, en zo ook nu. De Bewaarder Israël's zal niet sluimeren noch slapen, maar, als er gelegenheid voor is, dan wandelt Hij in de duisternis hun ter hulpe, en dat wel zeer vroegtijdig. 2. Van Zijne macht, daar Hij tot hen af kwam, wandelende op de zee. Dit is een sterk voorbeeld van Christus' opperheerschappij over alle schepselen, zij zijn allen onder Zijne voeten. Op Zijn bevel vergeten zij hun aard en veranderen hun, door ons essentieel genoemde, hoedanigheden, dat is, de hoedanigheden, die wij met hun wezen als samengeweven en onafscheidbaar beschouwen. Wij behoeven er geen onderzoek naar in te stellen hoe dit geschiedde, of het was door samendringing en verdichting van de oppervlakte des waters, -als het God behaagt worden de afgronden stijf in het hart der zee, Exodus 15:8- of door schorsing van de aantrekkingskracht op Zijn lichaam, dat, naar het Hem behaagde, van gedaante veranderde, -het is genoeg, dat het Zijne Goddelijke macht bewijst, want het is Gods kroonrecht op de hoogten der zee te treden. Job 9:8, gelijk het Zijn kroonrecht is te vliegen op de vleugelen des winds. Hij, die de zee, de wateren des groten afgronds, droog gemaakt heeft, die de diepten der zee gemaakt heeft tot een weg, opdat de verlosten daar doorgingen, Jesaja 51:10, maakt die wateren later tot een wandelweg voor den Verlosser zelf, die, als Heere van allen en over alles, verschijnt met den enen voet op de zee en den anderen voet op de aarde, Openbaring 10:2. Dezelfde macht, die het ijzer boven deed zwemmen, 2 Koningen 6:6, heeft ook dit gedaan. Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? Psalm 114:5. Het was voor de tegenwoordigheid des Heeren.
Uw weg was in de zee, Psalm 77:20. Christus kan den weg nemen, die Hem behaagt, om Zijn volk te redden.
V. Wij hebben hier de mededeling van hetgeen er voorviel tussen Christus en Zijne zich in nood bevindende vrienden bij Zijne nadering.
1. Tussen Hem en al de discipelen. Er wordt ons hier gezegd: Hoe hun vrees was opgewekt, vers 26.
De discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel.
phantasma esti -Het is ene verschijning, zou men het beter kunnen vertalen. Het bestaan en de verschijning van geesten schijnt algemeen geloofd te zijn geworden, behalve door de Sadduceeën, tegen wier leer Christus Zijne discipelen had gewaarschuwd. Ongetwijfeld waren echter vele van die veronderstelde verschijningen slechts de schepselen van der mensen verbeelding en vrees. Deze discipelen zeiden: Het is een spooksel, terwijl zij hadden behoren te zeggen: Het is de Heere, het kan niemand anders zijn. Zelfs de verschijningen tot redding en bevrijding worden soms ene aanleiding van ontroering en verwarring voor Gods volk, die soms het meest bevreesd zijn, als zij er het minst reden toe hebben, ja, als zij het hoogst bevoorrecht zijn, zoals de maagd Maria, Lukas 1:29, Exodus 3:6, 7. De vertroostingen van den Geest der aanneming worden voorafgegaan, en als het ware ingeleid, door de verschrikkingen van den Geest der dienstbaarheid, Romeinen 8:15. De verschijning van een geest, of de verbeelding er van, kan niet anders dan vrees en schrik inboezemen vanwege den afstand van de wereld der geesten van ons, den rechtvaardigen twist, die de goede geesten met ons hebben, en de ingekankerde vijandschap der boze geesten tegen ons, Job 4:14, 15. Hoe meer kennis wij hebben van God, den Vader der geesten, en hoe zorgvuldiger wij ons bewaren in Zijne liefde, hoe meer wij in staat zullen zijn die vreze te boven te komen. De verwarrende, onrust wekkende vreze van vrome mensen ontstaan uit hun vergissingen en misvattingen ten opzichte van Christus, Zijn Persoon, Zijn ambt en het werk dat Hij op zich genomen heeft. Hoe volkomener en duidelijker wij Zijn naam kennen, met hoe meer gerustheid wij op Hem zullen vertrouwen, Psalm 9:11. In een storm worden wij door ene kleinigheid verschrikt. Als er van buiten strijd is, dan is het geen wonder, zo er van binnen vrees is. Wellicht hebben de discipelen zich verbeeld, dat het de een of andere boze geest was, door den storm opgeroepen. Het meeste gevaar van uitwendige moeilijkheden ontstaat door de innerlijke ontroering, die zij teweegbrengen. Hoe deze vreze tot zwijgen werd gebracht, vers 27. Hij heeft hen terstond gerustgesteld door hun hun dwaling te doen zien. Toen zij worstelden met de baren, heeft Hij Zijne hulpe nog uitgesteld, maar Hij haastte zich tot hun hulp tegen hun vreze, daar die veel gevaarlijker was. Dien storm heeft Hij onmiddellijk gestild door Zijn woord, Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet. Hij verbeterde hun vergissing door zich aan hen bekend te maken, gelijk Jozef aan zijne broeders. Ik ben het. Hij noemt zich niet zoals Hij zich aan Paulus genoemd heeft: Ik ben Jezus, want Paulus kende Hem toen nog niet, maar voor deze discipelen was het genoeg te zeggen: Ik ben het. Zij kenden Zijn stem, evenals Zijne schapen, Johannes 10:4, gelijk Maria Magdalena, Johannes 20:16. Zij behoeven niet te vragen: Wie zijt Gij Heere? Zijt gij van ons of van onze vijanden? Met de bruid konden zij zeggen: Dat is de stem mijns liefsten, Hooglied 2:8, 5:2. Ware gelovigen kennen haar aan een goed teken. Het was volkomen genoeg, om hen gerust te stellen, te weten wie het was, dien zij zagen. Ene rechte kennis opent de deur tot ware vertroosting, inzonderheid de kennis van Christus. Hij sprak hun moed in: Ik ben het, en daarom ten eerste: Zijt goedsmoeds, tharseite - Weest kloekmoedig, grijpt een moed. Als Christus' discipelen niet goedmoeds zijn in een storm, dan is dit hun eigene schuld: Hij wil, dat zij het zijn. Ten tweede: Vreest niet.
1. Weest niet bevreesd voor Mij. Nu gij weet, dat Ik het ben, zult gij voorzeker niet vrezen, want gij weet, dat Ik u geen leed zal doen. Christus zal gene verschrikking wezen voor hen, aan wie Hij zich openbaart, als zij er toe komen Hem recht te begrijpen, dan zullen angst en schrik weg vlieden.
2. Vreest niet voor den storm, voor den wind en de baren, hoe bulderend en bruisend ook en hoe dreigend, vreest ze niet, nu Ik u zo nabij ben. Ik ben het, die voor u zorgt, en die u niet zal laten omkomen. Er is niets, dat ene verschrikking behoeft te wezen voor hen, met wie Christus is, die weten, dat Hij de hun is, neen, zelfs de dood niet.
3. Tussen Hem en Petrus, vers 28-31, waarbij wij letten op: Petrus' kloekmoedigheid en Christus' aanmoediging hiervan. Het was zeer stoutmoedig van Petrus, dat hij het durfde wagen om tot Christus te komen op het water, vers 28. Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water. Moed was Petrus' grote genadegave, en dat maakte hem zo voortvarend, om boven en voor de anderen zijne liefde tot Christus uit te drukken, hoewel de anderen Hem wellicht even lief hadden. Ten eerste. Het is een voorbeeld van Petrus' genegenheid voor Christus, dat hij begeerde tot Hem te komen. Als hij Christus ziet, naar wie hij gedurende den storm ongetwijfeld meermalen verlangd heeft, dan is Hij ongeduldig om met Hem te zijn. Hij zegt niet: Gebied mij op het water te wandelen, als hiernaar verlangende om den wille van het wonder, maar Gebied mij tot U te komen, als dit begerende om den wille van Christus. Laat mij tot U komen, hoe, doet er niet toe. Ware liefde zal door vuur, en water heengaan, indien daartoe werkelijk de roeping is, om tot Christus te komen. Christus kwam tot hen, om hen te helpen en te redden. Heere! zegt Petrus, gebied mij tot U te komen. Als Christus in den weg der genade tot ons komt, dan moeten wij tot Hem uitgaan in den weg des plichts, en hierin moeten wij gewillig en stoutmoedig zijn, om alles met Hem en voor Hem te wagen. Zij, die het voordeel willen hebben van Christus als Zaligmaker, moeten door het geloof tot Hem komen. Christus was nu enigen tijd afwezig geweest, en nu blijkt het, waarom Hij zich afwezig had gehouden, het was om zich hun nog dierbaarder te doen zijn bij Zijne terugkomst, en die terugkomst zeer tijdig en zeer gewenst te doen zijn. Als Christus voor een kleinen ogenblik Zijn volk heeft verlaten, dan is Zijne terugkomst zeer welkom. Als Godvruchtige zielen na lang zoeken hun Welbeminde eindelijk hebben gevonden, dan houden zij Hem vast, en willen Hem niet laten gaan. Hooglied 3:4. Ten tweede. Het is een voorbeeld van Petrus' voorzichtigheid en zijn behoorlijk acht geven op den wil van Christus, dat hij niet wilde komen zonder er door Hem toe gemachtigd te zijn. Het is niet: Indien Gij het zijt, dan zal ik komen, maar, Indien Gij het zijt, zo gebied mij te komen. Ook de stoutmoedigsten moeten wachten op ene roeping, als het ene gevaarlijke onderneming geldt, en wij mogen er ons niet roekeloos en eigendunkelijk in begeven. Indien onze wil om te doen en om te lijden niet is met het oog op den wil van Christus, en niet geleid wordt door Zijne roeping en gebod, dan zal Hij hem niet beschouwen als gewilligheid, maar als eigenwilligheid. Zulk ene buitengewone volmacht, als toen aan Petrus werd gegeven, hebben wij niet te verwachten. Wij hebben ons te houden aan de algemene regelen des woords, en in de toepassing er van op bijzondere gevallen hebben wij te letten op de wenken der voorzienigheid om ons te helpen, de wijsheid is ene uitnemende zaak om iets recht te maken. Ten derde. Het is een voorbeeld van Petrus' geloof en beslistheid, dat hij zich op het water waagde, toen Christus het hem beval. De veiligheid van het schip te verlaten, zich als in de kaken des doods te storten, de dreigende baren, die hij nog zo kortelings had gevreesd, te minachten, dit alles toonde een krachtig steunen en betrouwen op de macht en het woord van Christus. Welke moeilijkheid of gevaar kon stand houden tegenover zulk een geloof en zulk een ijver? Het was ene neerbuigende vriendelijkheid in Christus, dat hem Hem behaagde dit in hem te erkennen, vers 29. Hij zou het voorstel als dwaas en roekeloos hebben kunnen veroordelen, ja zelfs als hoogmoedig en aanmatigend.
Zal Petrus er aanspraak op maken te kunnen doen wat de Meester doet? Maar Christus wist, dat het uit oprechten ijver en genegenheid voor Hem voortkwam, en als zodanig heeft Hij het genadiglijk aangenomen. Christus heeft een welbehagen in de uitdrukkingen van liefde Zijns volks, al gaat zij ook gepaard met velerlei zwakheden en tekortkomingen, en geeft er de gunstigste uitlegging van. Ten eerste. Hij gebiedt hem te komen. Toen de Farizeeën om een teken vroegen, ontvingen zij niet slechts ene weigering, maar ene bestraffing er voor, omdat zij het deden met de bedoeling Christus te verzoeken. Toen Petrus om een teken vroeg, ontving hij het, omdat hij het deed met het vaste voornemen op Christus te vertrouwen. De Evangelieroeping is: Kom, kom tot Christus, waag het alles met Hem, vertrouw Hem de bewaring toe uwer ziel, waag u over ene stormachtige zee, door ene moeilijke, kwellende wereld heen, om tot Jezus Christus te komen. Ten tweede. Hij ondersteunde hem, toen hij kwam, Petrus wandelde op het water. De gemeenschap der ware gelovigen met Christus wordt voorgesteld door hun levendgemaakt zijn met Hem, hun mede opgewekt zijn met Hem, hun mede gezet zijn met Hem, Efeze 2:5, 6, en hun met Christus gekruist zijn, Galaten 2:20. Door de kracht van Christus worden wij opgeheven boven de wereld, in staat gesteld om haar met onze voeten te vertreden, er voor bewaard van er in weg te zinken, of er door overstelpt te worden, er de overwinning over weg te dragen, 1 Johannes 5:4, door het geloof in Christus' overwinning, Johannes 16:33. Met Hem zijn wij der wereld gekruisigd, Galaten 6:14. Zie Paulus met Jezus wandelende op het water, en meer dan overwinnaar door Hem, op alle dreigende baren tredende, als niet in staat hem te scheiden van de liefde van Christus, Romeinen 8:35, enz. Aldus is de zee der wereld geworden als een glazen zee, bevroren, zodat zij in staat is te dragen, en zij, die de overwinning hebben behaald, staan er bij en zingen, Openbaring 15:2, 3. Hij wandelde op het water, niet om zich te vermaken, of uit ijdele praalvertoning, maar om tot Jezus te gaan, en het was hierin, dat Hij wonderbaarlijk werd ondersteund. Als onze ziel God achteraan kleeft, dan is het, dat Zijne rechterhand ons ondersteunt. Dat was David's ervaring, Psalm 63:9. Bijzondere ondersteuning is beloofd, en kan verwacht worden, doch alleen voor geestelijke zaken. Als God Zijn Israël draagt op vleugelen der arenden, dan is het om hen tot zich te brengen, Exodus 19:4. En zo kunnen wij niet tot Jezus komen, of wij moeten ondersteund worden door Zijne macht. Het is in Zijne eigene kracht, dat wij met Hem worstelen, dat wij Hem nastreven, dat wij jagen naar het wit, bewaard worden in de kracht Gods, op welke kracht wij moeten steunen en betrouwen, zoals Petrus, toen hij op het water wandelde, en er is geen gevaar van zinken, als van onder de eeuwige armen zijn. Petrus' wankelmoedigheid, en hoe Christus hem bestraft en ondersteunt. Christus gebood hem te komen, niet slechts opdat hij op het water zou wandelen, en aldus Christus' macht zou kennen, maar ook opdat hij zou zinken, en aldus zijne eigene zwakheid zou leren kennen, want, gelijk Hij zijn geloof wilde aanmoedigen, zo wil Hij ook zijne stoutheid en verwaandheid beteugelen en er hem beschaamd over maken. Wij hebben dus te letten op: Petrus' grote vreze, vers 30. Hij werd bevreesd. In het sterkste geloof en den grootsten moed is toch nog vrees gemengd. Zij, die zeggen kunnen: Heere, ik geloof, moeten zeggen: Heere, kom mijne ongelovigheid te hulp. Niets anders dan volmaakte liefde zal de vreze uitdrijven. Godvruchtige mensen komen dikwijls te kort in die genadegaven, waarin zij het meest uitblinken, om te tonen, dat zij het nog niet verkregen hebben. Petrus was in het eerst heel stoutmoedig, maar daarna ontzonk hem het hart. Het aanhouden der beproeving brengt de zwakheid des geloofs aan het licht. Nu zien wij hier ten eerste, de oorzaak van deze vrees. Ziende den sterken wind. Zolang Petrus zijn oog op Christus hield gevestigd, en op Zijn woord en Zijne macht, wandelde hij op het water, maar toen hij daarbij ook aandacht verleende aan het gevaar, waarin hij zich bevond, en zag hoe de golven zich verhieven, toen vreesde hij. De oorzaak van al onze onmatige vrees is hierin gelegen, dat wij meer met het oog der zinnen zien op de moeilijkheden, dan met het oog des geloofs op de geboden Gods en op de beloften. Abraham was sterk in het geloof, omdat hij zijn eigen lichaam niet heeft aangemerkt, Romeinen 4:19. Hij zag niet op de ontmoedigende onwaarschijnlijkheid der belofte, maar hij hield het oog gericht op Gods macht, en zo heeft hij tegen hoop op hoop geloofd, vers 18. Toen Petrus den sterken wind zag, had hij zich behoren te herinneren wat hij gezien had, Hoofdstuk 8:27, toen de wind en de zee Christus gehoorzaamden, maar wij vrezen daarom den gansen dag, omdat wij den Heere vergeten, die ons gemaakt heeft. Jesaja 51:12, 13. Ten tweede: De uitwerking dezer vrees: hij begon neer te zinken. Zolang het geloof stand hield, bleef hij boven water, maar toen het geloof wankelde, begon hij neer te zinken. Als de moed ons begeeft, is dit het gevolg van de zwakheid van ons geloof, wij worden ondersteund (maar het is zoals wij zalig worden) door het geloof, 1 Petrus 1:5. Als daarom onze ziel zich in ons neerbuigt en onrustig in ons is, dan is het soevereine geneesmiddel daartegen, op God te hopen, Psalm 43:5. Daar Petrus voor het vissersbedrijf was opgeleid, is het hoogst waarschijnlijk, dat hij kon zwemmen, Johannes 21:7, en wellicht heeft hij daar gedeeltelijk ook op vertrouwd, toen hij neerklom van het schip. Indien hij niet kon wandelen, hij kon zwemmen, maar Christus liet toe, dat hij begon neer te zinken, om hem te tonen, dat het Christus' rechterhand en Zijn heilige arm was, en niet enigerlei kunst of bekwaamheid van hem zelven, die zijne veiligheid uitmaakte. Het was Christus, grote goedertierenheid over hem, dat Hij hem, toen zijn geloof faalde, niet gans en al liet verzinken, naar de diepte liet zinken als een steen, Exodus 15:5, maar hem tijd liet om te roepen: Heere, behoud mij! Zodanig is de zorge van Christus over de ware gelovigen, hoewel zij zwak zijn, beginnen zij toch slechts te zinken! De mens is nooit verzonken, nooit verloren, voordat hij in de hel is. Petrus wandelde, zoals hij geloofde. Voor hem, evenals voor anderen, geldt de regel: U geschiede naar uw geloof. Ten derde. Het middel, waartoe hij de toevlucht nam in zijne benauwdheid, het oude, beproefde, en goed bevonden middel, namelijk het gebed. Hij riep: Heere, behoud mij! Let nu
1. Op de manier van zijn bidden, het is vurig en dringend: Hij riep. Als het geloof zwak is, dan moet het gebed krachtig zijn. Onze Heere Jezus heeft ons geleerd, om ten dage van onze vreze sterke roepingen te offeren, Hebreeën 5:7. De bewustheid van gevaar zal ons doen roepen, de bewustheid van plicht en afhankelijkheid van God, moet ons doen roepen tot Hem.
2. Zijn gebed was gepast en ter zake. Hij riep: Heere, behoud mij! Christus is de grote Behouder, Hij is gekomen om te behouden. Zij, die behouden willen worden, moeten niet slechts tot Hem komen, maar tot Hem roepen om behoudenis, maar hiertoe zullen wij nooit komen, voor wij ons gevoelen neerzinken, het gevoel van nood zal ons tot Hem uitdrijven. Christus' grote gunst over Petrus in dezen angst. Hoewel er een mengsel van aanmatiging was in Petrus bij zijn eerste optreden, en van ongeloof met zijn geloof bij zijn later bezwijken, heeft Christus hem toch niet verstoten, want' Ten eerste: Hij redde hem, Hij verhoorde hem, het heil Zijner rechterhand was met mogendheden, Psalm 20:7, want terstond de hand uitstekende, greep Hij hem aan. Het is Christus' tijd om ons te redden, als wij zinken, Psalm 18:5-7, als uit de kaken des doods. Nog steeds is Christus' hand uitgestrekt naar alle gelovigen, om hen voor zinken te behoeden. Hen, die Hij eenmaal aangegrepen heeft als de Zijnen, en ze als brandhouten uit het vuur heeft gerukt, zal Hij ook uit het water rukken. Hoewel Hij Zijn greep schijnt losgelaten te hebben, is dit toch slechts schijn, want zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Zijne hand rukken. Johannes 10:28. Vrees niet, Hij zal het Zijne behouden. Onze verlossing van onze eigene angsten, die ons anders zouden overstelpen, zijn wij verschuldigd aan de hand Zijner mogendheid en genade. Psalm 34:5. Ten tweede: Hij bestrafte hem, want zo wie Hij liefheeft en behoudt, bestraft en kastijdt Hij. Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld? Het geloof kan waar en oprecht zijn, en toch zwak. In het eerst had Petrus geloof, klein als een mostaardzaadje, maar toch groot genoeg, om hem op het water te doen gaan, daar het echter niet groot genoeg was, om er tot het einde toe door ondersteund te worden, zegt Christus hem, dat hij kleingelovig was. Onze mismoedigheid, onze twijfelingen en vrees komen allen voort uit de zwakheid van ons geloof, wij wankelen, omdat wij kleingelovigen zijn. Het is de taak, het werk des geloofs twijfelingen op te lossen, de twijfelingen der zinnen op een stormachtigen dag, zodat wij ook dan het hoofd boven water houden. Indien wij slechts meer konden geloven, wij zouden minder wankelen.
3. De zwakheid van ons geloof, en het overheersende van onze twijfelingen mishagen den Heere Jezus ten uiterste. Het is waar, Hij verstoot de zwakke gelovigen niet, maar het is even waar, dat het zwakke geloof Hem mishaagt, ook in hen, die Hem het naast zijn.
Waarom hebt gij gewankeld? Welke reden had gij daartoe? Na een nauwkeurig onderzoek naar de reden van onze twijfelingen en vrees, zouden zij spoedig verdwijnen, want, alles wèl overwogen, is er gene goede reden, waarom Christus' discipelen wankelmoedig zouden zijn, ja, niet eens op een stormachtigen dag, want Hij is ons ene Toevlucht en Sterkte, Hij is krachtelijk bevonden ene Hulp in benauwdheden. VI. Het bedaren van den storm, vers 32. Toen Christus in het schip kwam, waren zij weldra aan den oever. Christus wandelde op het water, totdat Hij aan het schip kwam, en toen ging Hij in het schip, hoewel Hij even gemakkelijk naar den oever had kunnen wandelen, maar als de gewone middelen onder het bereik zijn, dan moet men gene wonderen verwachten. Hoewel Christus gene werktuigen nodig heeft om Zijn werk te doen, behaagt het Hem toch er gebruik van te maken. Toen Christus in het schip kwam, kwam Petrus er met Hem. Medegenoten van Christus in Zijne lijdzaamheid, zullen ook Zijne medegenoten zijn in Zijn koninkrijk, Openbaring 1:9. Zij, die met Hem wandelen, zullen met Hem heersen, zij, die met Hem lijden, zullen ook met Hem overwinnen.
Als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind, want hij had zijn werk, zijn werk der beproeving, volbracht. Hij, die den wind in Zijne vuisten heeft verzameld, en de wateren in een kleed heeft gebonden, is dezelfde, die ten hemel is opgeklommen en nedergedaald, en, zelfs de stormwind doet Zijn woord, Psalm 148:8. Als Christus in ene ziel komt, stilt Hij er winden en stormen, en gebiedt vrede. Heet Christus welkom, en het bruisen der golven zal spoedig gestild zijn. Het middel om kalm en stille te zijn is te weten, dat Hij God is, dat Hij, de Heere, met ons is.
VII. De aanbidding, die hierop aan Christus werd toegebracht, vers 33. Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon. Een tweevoudig goed gebruik door hen gemaakt van deze benauwdheid en deze uitredding.
1. Het was ene bevestiging van hun geloof in Christus, en zij gaf hun de volkomen overtuiging, dat in Hem al de volheid der Godheid woonde, want niemand anders dan de Schepper der wereld kon de broden vermenigvuldigen, niemand anders dan de Heerser der wereld kon op de wateren der zee treden, zij zwichten dus voor het klaarblijkelijke en leggen belijdenis af van hun geloof: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon. Zij hadden te voren reeds geweten, dat Hij de Zoon van God was, maar nu weten zij het nog beter. Na een strijd met het ongeloof, zal het geloof soms des te werkzamer zijn, en door beproeving en oefening krachtiger worden. Nu weten zij het waarlijk. Het is goed voor ons, om al meer en meer te kennen de zekerheid der dingen, waarvan wij onderwezen zijn, Lukas 1:4. Als het geloof tot de volle verzekerdheid is gekomen, als het duidelijk ziet, en zegt waarlijk, dàn is het, dat het geloof groeit.
2. Zij vonden er aanleiding in om Hem de ere te geven Zijns naams. Zij erkenden die grote waarheid niet slechts, zij waren er ook op de rechte wijze door bewogen, Zij aanbaden Christus. Als Christus ons Zijne heerlijkheid openbaart, dan behoren wij van onzen kant Hem te verheerlijken, Psalm 50:15, Ik zal u uithelpen, en gij zult Mij eren. Hun aanbidding van Christus werd geuit in deze woorden: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon. Het onderwerp onzer geloofsbelijdenis moet ook het onder- werp zijn van onzen lof. Het geloof is het rechte beginsel der aanbidding, en de aanbidding is het zuivere voortbrengsel van het geloof.
Die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en die in God gelooft, zal komen, Hebreeën 11:6.