4. Opdat u de zekerheid mag kennen, u mag overtuigen van de onveranderlijke zekerheid en onbestrijdbare betrouwbaarheid van de dingen, van de leer van de Heiland en van Zijn verlossingswerk, waarover u onderwezen bent (vgl. het slotwoord op ons Evangelie).
Het woord "ter hand genomen hebben" is zeer gelukkig gekozen, om de omvang en de moeilijkheid van het doel, dat "velen" zich voorstelden, uit te drukken. In de ogen van Lukas was het bijna een waagstuk om tot beschrijving van deze geschiedenis naar de pen te grijpen. Nu is het wel niet zijn bedoeling een eigenlijke berisping tegen zijn voorgangers uit te spreken, hij plaatst zich integendeel met hen in Vers 3 op één lijn. Aan de andere kant valt het echter vanzelf in het oog dat hij zelf zich niet tot schrijven zou gedrongen gevoeld hebben, wanneer hun arbeid volgens zijn mening al volkomen bevredigend was geweest.
In de omgeving van Theofilus, wiens verblijfplaats wij ons, zoals later zal blijken, in Beneden-Italië moeten denken, hadden vele Christenen van hetgeen de eerste verkondigers van het Evangelie over Jezus Christus verteld hadden, fragmentarische optekeningen uit het geheugen gedaan. Daaruit bleek de behoefte aan een schriftelijke vergoeding voor de prediking, die men nu miste, van hen, "die van het begin af zelf aanschouwers en dienaars van het woords geweest zijn" en als proeven tot bevrediging van een geheel gerechtvaardigde behoefte waren die optekeningen geenszins te berispen. Omdat echter ieder datgene neerschreef wat hij zich nog herinnerde en zo slechts fragmentarische voorstellingen ontstonden zonder rangschikking en niet altijd betrouwbaar, waren deze onvoldoende. Nu geeft Lukas te kennen in hoeverre hij in staat was beter aan de behoefte te voldoen; want was hij ook niet van het begin af een ooggetuige van Jezus' leven geweest, dan heeft hij toch de geschiedenis van Jezus, de geschiedenis van het Nieuw Testamentische heil, volledig van het begin af, zorgvuldig onderzocht en zo kan hij, tegenover de fragmentarische en ontoereikende optekeningen, een betrouwbaar en geordend, een samenhangend geheel overstellen. Zeer natuurlijk wierp men later die optekeningen weg, toen door het geschrift van Lukas in de behoefte veel beter was voorzien en zo zijn zij geheel verloren gegaan.
De onderzoekingen van de schrijver hebben zich vooral tot drie punten uitgestrekt: 1) hij heeft vooral beprobeerd tot het begin van de gebeurtenissen terug te gaan, tot het uitgangspunt van de zaak van het Christendom, dat hij wilde beschrijven. Hij vergelijkt zich met een reiziger, die de bron van de stroom probeert te ontdekken, die hij daarna in zijn hele loop wil volgen. Dat deed de Apostolische overlevering, zoals die in de kerk in omloop was, niet. Beheerst door de gedachte van de verkondiging van het heil begon zij met het optreden van de Doper en de doop van Jezus. In die vorm vinden wij ze voorgesteld in het Evangelie van Markus en samengevat in de prediking van Petrus voor Cornelius, als ook in die van Paulus te Antiochië in Pisidië (Handelingen 10:37, ; 13:23, ). De schrijver zinspeelt hier op de berichten die in de twee eerste hoofdstukken van zijn Evangelie vervat zijn. 2) Nadat hij zo tot het begin van de Evangelische geschiedenis is teruggegaan heeft hij geprobeerd de hele voortgang daarvan zo volledig mogelijk weer te geven. De Apostolische overlevering daarentegen was wel van zeer fragmentarisch karakter, omdat de Apostelen telkens niet de hele omvang van gebeurtenissen vertelden, maar degenen die het meest overeenkwamen met de bijzondere omstandigheden waaronder zij predikten. Deze manier van verkondiging moest natuurlijk aanmerkelijke leemten hebben. Met het woord "alles" doelt Lukas wel op dat deel van zijn Evangelie (9:51-18:14 waarin bij de traditie, zoals wij die in de twee eerste synoptici vinden voorgesteld, een nieuwe rij van feiten en reden en het bericht van een belangrijke reis tot prediking gevoegd wordt, die tot nu toe waarschijnlijk in de openbare mededeling was voorbijgegaan. 3) Hij heeft geprobeerd aan de Evangelische geschiedenis die nauwkeurigheid en juistheid te geven, die natuurlijk bij de overlevering gemist wordt, wanneer die een tijd lang van mond tot mond is gegaan. Het is toch bekend hoe bij zulke mondelinge mededelingen de kanten afgerond, de bouwstenen verplaatst worden. Er is een zorgvuldig, nauwgezet werk nodig om de feiten tot hun plaats terug te brengen, om daaraan de volledige gedaante en de scherpe kanten weer te geven - dat doet dan dit Evangelie (in onderscheiding van de velen, die het ter hand genomen hebben om een verhaal in orde te stellen) en dat bedoelt dan zijn schrijven "in samenhang. "
Ook Lukas heeft voor geboren heiden-christenen geschreven, evenals Markus, maar zijn geschrift doet ons de onderzoeker en geschiedschrijver zien op een hogere trap van ontwikkeling. Geen zendingsvoordrachten voor heidenen, die voor de eerste keer de boodschap horen, maar een meer grondige en volledige voorstelling geeft hij ons, waardoor Theofilus en de met deze gelijkstaande een aanvulling en bevestiging van het genoten onderwijs moeten ontvangen. Zo brengt hij ook al de lezer tot een vergelijking van het oude verbond met het nieuwe. Zijn mededeling begint in de tempel te Jeruzalem, de Handelingen der Apostelen leiden ons in de wereldhoofdstad Rome, waarin de Apostel, door de verstokte Joden verworpen, het rijk van God predikte en vrij met alle blijdschap over de Heere Jezus leerde; deze zijn de tegenovergestelde punten, de polen om zo te spreken, waartussen zijn verhaal zich beweegt. Hij begint met ons de priester voor te stellen, die in het heiligdom van het Oude Verbond de boodschap van de engel ontvangt, die zich aansluit aan het woord van Maleachi, de laatsten profeet en hem de zoon belooft, die voor de koning over het huis van Jakob de weg zal banen; zo is Jezus ook bij Lukas de Zoon van David, de Koning van Israël en het Nieuwe verbond heeft zijn wortelen in het Oude. Tenslotte wijst de Herrezene uit Mozes en de profeten aan, dat Hij door lijden de heerlijkheid moest ingaan en dat de prediking van bekering en vergeving van de zonden in Zijn naam, van Jeruzalem tot alle volken moest uitgaan. Juist dit schilderen dan de Handelingen der Apostelen, hoe de verhoogde Heiland Zijn apostelen aanwees en door de daad ertoe leidde dat zij van Jeruzalem over Samaria, tot de heidenen de blijde boodschap brachten, die de Joden verwierpen. Ook bij Mattheüs is dit het resultaat, maar pas nadat de koning Herodes, de Farizeeën en Schriftgeleerden, de priesters en oversten, door hun heilloze invloed het grote deel van het volk tot de slechte keuze hadden gebracht. Bij Lukas staat dit bederf van het hele volk veel meer van het begin af vast. Op de trekken van de geschiedenis, die dat verzet van de Joden bijzonder openbaren, richt hij vooral zijn oogmerk. Bij hem wordt heel het volk door de Doper als adderengebroedsel bestraft, niet alleen de Farizeeën en Sadduceeën (3:7). Het zijn enigen uit het volk, die Lukas niet als Schriftgeleerden en Farizeeën uitdrukkelijk noemt, die de Heere met de eis van het wonderteken verzoeken (11:16). En reeds Simeon, nadat hij de Heiland als het licht van de wereld heeft geprezen en wel als een heerlijkheid van het volk Israël, verbindt daarmee dadelijk de voorspelling dat Hij gesteld is tot een val en een opstanding van velen in Israël en tot een teken dat tegengesproken wordt. Zo overkomt het de Heere bij Zijn eerste optreden in Galilea, dat Hij dadelijk tot de mensen van Zijn vaderstad moet zeggen dat, wanneer zij de zaligheid van zich wijzen, zich evenals de weduwe te Sarepta en als Naäman de Syriër, ook nu weer de heidense vreemdelingen daardoor gezegend zullen voelen. De vijandschap die Hij te Nazareth moest ondervinden, was dadelijk van het begin af in het klein een voorspel van de vijandschap van de Joden, die de Heere verwierper, zodat hun afval de rijkdom van de heidenen werd. Ook in de bergprediking, zoals Lukas die iets later heeft geplaatst, wordt een andere kant dan bij Mattheüs op de voorgrond geplaatst. Wij lezen hier niets van de woorden waarin de Heere Zijn verhouding tot Mozes en de wet van het Oude Verbond heeft voorgesteld, daarentegen tekent Lukas voor ons de talrijke tegenstanders, waarover de Heere al het ernstig wee laat klinken en heeft daarom als de hoofdzaak slechts die vermaningen aan de discipelen behouden dat zij te midden van deze vijandschap moesten bidden voor de vijanden en barmhartig zijn zoals de Vader barmhartig is. Geheel afzonderlijk wordt ons in de tweede afdeling van het Evangelie, nadat de Heere Zijn aangezicht tot het lijden in Jeruzalem heeft gewend (9:51, ), de tegenstelling voor ogen gesteld tussen degenen die de Heere aanhangen, waarvan Hij gehele beslistheid verlangt en de tegenstanders, die niet als verlorenen begenadigd willen worden en niet willen erkennen wat tot hun vrede dient. Israël is het volk dat tegen zijn Koning protesteert: "Wij willen niet, dat deze over ons Koning is" (19:14); en na deze tegenstand wordt hij ook overgegeven. Dit sluit echter niet uit dat Lukas zich van harte houdt aan het woord van de belofte van Jezus, die over Jeruzalem weende, namelijk aan de voorspelling dat de vertreding van Jeruzalem slechts zou duren tot de tijden van de heidenen vervuld zouden zijn (21:24); zoals ook zijn leermeester Paulus, de Apostel van de heidenen, het vertrouwen vasthoudt en het geheim openbaart dat, nadat de volheid van de heidenen is ingegaan, ook voor het volk van de verkiezing de genade nog niet verloren is (Romeinen 11:25, ). Voor een tijd gaat het echter evenals na die grote zendingsprediking van Paulus (Handelingen 13:45, 48); terwijl de Joden tegenspraken en lasterden, werden de heidenen verblijd. Zo let de Evangelist van de heidenen dadelijk van het begin op alles, wat ons Jezus als de Verlosser aanwijst, niet voor het hele Israël en niet alleen voor Israël, maar als de Heiland van de hele wereld, die, hoewel in de geringheid van de stal en onder het bewind van de keizer van de Romeinse wereld geboren, toch de ware Koning van de hele wereld is. Ook de geslachtslijst, niet van Abraham afgerekend, maar tot Adam en God zelf teruggeleid, moet te kennen geven dat Hij aan de hele mensheid toebehoort. Het is de Heiland die de zondares aanneemt, die al wat verloren is zoekt, het schaap, de penning, de zoon; die de trotse Jood met het voorbeeld van de Samaritaan beschaamt en zich verheugt over de ene vreemdeling, die niet als de negen Joden het danken vergeet, die boven het hoogmoedig Farizeeërsgebed de verzuchting van de tollenaar stelt en die zelfs in het huis van de overste van de tollenaars ingaat, die het oor van de vijandigen knecht geneest en de gevallen Petrus aanziet, die aan het kruis voor de vijanden bidt en de moordenaar begenadigt, wiens afscheid priesterlijk zegenen is (24:50, ). Alle deze trekken heeft alleen Lukas ons bericht. Tonen zij ons hoe zijn meester Paulus hem heeft gescherpt, om juist die betoningen van de vrije genade van Christus jegens de zondaren, alle op te vatten en weer te geven, zo komt het ook in het bijzonder voor in de mededeling van de instelling van het heilige avondmaal, zoals zich Lukas, afwijkend van Mattheüs en Markus, aansluit aan de voorstelling, die wij in Paulus' eerste brief aan de Korinthen (Hoofdstuk 11) lezen. Als discipel van de apostel van de heidenen schildert Lukas ons dus in zijn geschriften hoe uit de moederschoot van het Oude Verbond de verlossing voor de hele wereld is geboren en van Israël op de heidenen is overgegaan.
Is het eerste Evangelie (Mattheus) het bewijs van het recht van Jezus op de Messiaanse heerschappij over Israël, dan is het derde Evangelie (Lukas) het bewijs van het recht van de heidenen om in het Messiasrijk in te gaan.
De oorspronkelijke vorm van de Evangeliën heeft de oorzaak van zijn ontstaan in het doel om het beeld van de lerenden wonderen doende en lijdende Heer aan hoorders en lezers op een manier voor ogen te stellen die geschikt was om geloof in Hem op te wekken. Daardoor ontstond vanzelf ook die indeling van het Evangelie in een Galilese en Jeruzalemse helft. Men wilde geen samenhangend, zich chronologisch ontwikkelend geheel van de geschiedenis van Jezus' leven geven, maar alleen de twee grote beelden van de werkende en lijdende Christus in een kring van Galilese en Jeruzalemse feiten te schrift stellen en deze hoofdverdeling wordt dan ook in het Evangelie van Lukas gevonden. Men heeft gemeend dat de eschatologische reden van het Evangelie (19:43, ; 21:20-24) de verwoesting van Jeruzalem vóór zich hadden, omdat het veel duidelijker daarvan spreekt dan de beide vorige Evangeliën, maar deze bepaalde uitspraken van de omkering en verwoesting van de heilige stad door de heidenen worden genoeg verklaard wanneer wij de laatste jaren vóór Jeruzalems verwoesting aannemen. Terwijl het onweer zich samentrok moesten de voorspellingen van Jezus daarover de Evangelist ook in haar juistere bedoeling duidelijk worden; ook verbiedt het boek, de Handelingen der Apostelen, dat op het Evangelie als een tweede helft volgt, om het na het jaar 70 te stellen. Is de bedoeling van het laatste geschrift om de gang van het Evangelie van Jeruzalem naar Rome, van de Joden tot de heidenen te schilderen, dan moet het onbegrijpelijk voorkomen dat de vervaardiger zelfs niet met één woord op de verwoesting van Jeruzalem zou hebben gewezen. Dit feit toch is de negatieve aanvulling tot het tweede, dat het Evangelie onder de heidenen en te Rome wordt aangenomen, want evenals God Zich in het Evangelie tot de heidenen wendt, zo toont Hij Zijn afkering van Israël, dat het Evangelie verworpen heeft, door de verwoesting van de heilige stad. Zo zullen wij dan in de anders bevreemdende opmerking: Handelingen 8:26 , die zegt dat de stad Gaza woest is, een aanwijzing moeten zien van de tijd van de vervaardiging. Deze aanwijzing heeft alleen zin wanneer het feit van de verwoesting nog geheel nieuw was. Nu wordt volgens Josefus (b. Judas II. 18. 1) Gaza in het begin van de oorlog verwoest. De verwoesting van Jeruzalem heeft dan als een goddelijke bevestiging van de voorstelling van Lukas' werk, spoedig na zijn verbreiding plaats gehad.
Men heeft gemeend (in de laatste tijd vooral Wieseler), dat Lukas opzettelijk en over het algemeen de bijzondere verhalen in chronologische orde op elkaar heeft laten volgen en heeft daarom zijn Evangelie tot richtsnoer voor de chronologie van Jezus' leven willen maken. Intussen zegt de uitdrukking van de grondtekst, die Luther door "in volgorde" vertaalt cadexhv (bij ons: vervolgens) niets anders dan "in samenhang" (Handelingen 3:24; 11:4; 18:23; 21:1); de Evangelist wil een samenhangend bericht geven, waarin hij niets voorbijgaat wat tot juist begrip van het geheel volgens plan en bedoeling van Zijn werk van gewicht is.
Het woord vormt alleen de tegenstelling van het samenhangende, in orde gesteld geheel tot de fragmentarische optekeningen van de velen. In welk land wij Theofilus met de overige lezers, voor welke Lukas zijn geschriften bestemd had, moeten zoeken, blijkt uit de waarneming dat hij Van Palestijnse (Hoofdstuk 1:26; 4:31; 8:26; 23:51; 24:13), Cretensische (Handelingen 27:8 en 12), Atheense (Handelingen 17:2)), Klein Aziatische (Handelingen 13:13; 14:6) en Macedonische (Handelingen 16:2) plaatsen (zelfs grotere), van zeden en eigenaardigheid een verklaring nodig acht, daarentegen in Sicilië en Italië, (met name Beneden- en Midden-Italië tot Rome) alle plaatsen (Handelingen 28), ja zelfs kleine lokaliteiten (Vers 15) als bekend veronderstelt. Wij hebben dus de lezer van het boek in Beneden-Italië te zoeken.
I. Vers 5-25. Overeenkomstig zijn belofte in Vers 3 en schrijvende als in een tijd dat men onder de gelovigen al de behoefte voelde om behalve die Evangelische verkondiging, die de oorspronkelijke predikwijze van de Apostelen aanbood en die, zoals bekend is, met de werkzaamheid van de Doper en de doop van Jezus begon, ook de eerste beginselen van de Nieuw Testamentische geschiedenis te bezitten, begint Lukas zijn Evangelie met de bekendmaking van de geboorte van Johannes, de Doper, de voorloper van Christus. Een godvruchtig priester, Zacharias, leefde in een stad van Judea, met zijn vrouw Elisabeth, die ook uit een priesterlijk geslacht was, in een kinderloos huwelijk. Hij gaat op een tijd dat zijn priesterklasse weer in dienst is, naar Jeruzalem. Door het lot valt hem voor een dag het ambt ten deel om het reukoffer gedurende de morgengodsdienst in het heilige te brengen. Hier verschijnt de engel Gabriëlaan hem en kondigt hem aan dat zijn vrouw een zoon zou baren, die hij de naam Johannes zou geven. Als Nazireeër levend en door de genadige werkzaamheid van de Heilige Geest van `s moeders lijf in dienst genomen, zou hij velen van de kinderen van Israël tot de Heere, hun God bekeren en voor de Messias, die spoedig kwam, heengaan in de geest en de kracht van Elia. Zacharias schenkt aan het engelenwoord geen volkomen geloof en wordt, omdat hij een teken verlangt, van zijn spraak beroofd, totdat beide, geboorte en naamgeving van het kind zullen hebben plaats gehad. Als hij na volbrachte diensttijd naar huis terugkeert, wordt Elisabeth niet lang daarna werkelijk zwanger, maar zij verbergt zich voor de wereld, totdat de Heere zelf het geheim van haar veranderden toestand bekend laat worden.