1 Johannes 5:1-5
In het slot van het vorige hoofdstuk heeft de apostel, gelijk daar is opgemerkt, tot Christelijke liefde opgewekt met twee redenen, en wel dat zij behoort bij een Christelijke belijdenis en dat zij overeenkomstig het gebod Gods is. Hier voegt hij er een derde reden bij. Die reden is overeenkomstig met, en wordt dan ook bevolen door hun voortreffelijke betrekking. Onze Christelijke broeders en medegelovigen zijn nauw in betrekking met God, zij zijn Zijne kinderen. Een iegelijk, die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren, vers 1. De Christenbroeder wordt hier beschreven:
1. Naar zijn geloof. Hij, die gelooft dat Jezus is de Christus, dat Hij is Vorst Messias, dat Hij van nature en door bediening is de Zoon van God, dat Hij is het hoofd van alle gezalfden, de priester aller priesters, de koning der koningen, de profeet der profeten, van allen die ooit door of namens God gezalfd werden, dat Hij volkomen toebereid en toegerust is voor het gehele werk der eeuwige verlossing, -die geeft zich dientengevolge over aan Zijn zorg en leiding.
2. Naar zijn afstamming. Hij is uit God geboren, vers 1. Het beginsel des geloofs en de nieuwe natuur, die het vergezelt of waaruit het voortkomt, zijn ingeboren door den Geest van God, en daardoor zijn kindschap en aanneming nu niet het eigendom van het zaad Abrahams naar het vlees, ook niet van het oude Israël Gods, alle gelovigen, ofschoon van nature zondaren uit de heidenen, stammen geestelijk van God af en moeten dientengevolge bemind worden. Daarom wordt er bijgevoegd: Een iegelijk, aie liefheeft degenen, die geboren heeft, die heeft ook lief degenen, die uit Hem geboren is, vers 1. Het is niet meer dan natuurlijk dat hij, die den Vader liefheeft, ook de kinderen zal liefhebben, en dat wel min of meer in verhouding tot hun gelijkenis naar den Vader en des Vaders liefde voor hen. En zo moeten wij voor alles liefhebben den Zoon des Vaders, zoals Hij met voorliefde genoemd wordt, 2 Johannes 3, den eniggeborene des Vaders, den Zoon Zijner liefde, en daarna ook hen, die naar Zijn wil geboren en door den Geest der genade vernieuwd zijn.
II. De apostel toont aan:
1. Hoe wij de waarheid of de ware evangelische natuur van onze liefde voor de wedergeborenen onderscheiden kunnen. De grond daarvoor moet zijn onze liefde tot God, want zij zijn de Zijnen: Hieraan kennen wij dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, vers 2. Onze liefde tot hen blijkt daardoor gezond en oprecht te zijn, wanneer wij hen niet om enige bijkomende reden liefhebben, bijvoorbeeld omdat zij rijk zijn, of geleerd, of vriendelijk voor ons, of omdat zij tot onze kerkelijke richting behoren, maar omdat zij kinderen Gods zijn, Zijn weder barende genade in hen verschijnt, Zijn beeld door hen gedragen wordt, en zo in hen God zelf geliefd wordt. Daaraan zien wij welke deze liefde tot de broederen is, waarop in dit hoofdstuk zo den nadruk gelegd wordt, het is de liefde tot hen als kinderen Gods en als aangenomen broederen van den Heere Jezus Christus..
2. Hoe wij de waarheid van onze liefde tot God kunnen weten, die openbaart zich in onze heilige gehoorzaamheid. Wanneer wij God liefhebben en Zijne geboden bewaren, vers 2. Wij hebben God waarlijk en op evangelische wijze lief, wanneer wij Zijne geboden bewaren. Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijne geboden bewaren, en het bewaren van Zijne geboden vereist een geest, die er toe gezind is en er behagen in schept. En Zijne geboden zijn niet zwaar, vers 3. Of, dit is de liefde van God, dat terwijl wij er door tot gehoorzaamheid verplicht worden en wij Zijne geboden moeten naleven, die geboden daardoor gemakkelijk en aangenaam gemaakt worden voor ons. Degene, die God liefheeft, zegt: Hoe lief heb ik uwe wet! Ik zal den weg uwer geboden lopen, als gij mijn hart verwijd zult hebben, Psalm 119:32, wanneer Gij het zult verwijd hebben met liefde of met uw Geest, die de bron der liefde is.
3. Wat is en behoort te zijn het gevolg en de uitwerking van de wedergeboorte: een geestelijke overwinning van de wereld. Want al wat (of gelijk sommige handschriften lezen: al wie) uit God geboren is overwint de wereld, vers 4. Hij, die uit God geboren is, werd geboren voor God en dus voor een andere wereld. Hij heeft een aanleg en een geestesgesteldheid, die uitgaan naar een hogere en betere wereld, en hij is gewapend met zulke wapenen, waarmee hij de tegenwoordige wereld kan bestrijden en overwinnen. Daarom wordt er bijgevoegd: En dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof. Het geloof is de oorzaak van de overwinning, het middel, het werktuig, de geestelijke wapenrusting, waardoor wij overwinnen, want:
A. In en door het geloof hangen wij Christus aan, in verachting van en tegenstand tegen de wereld,
B. Het geloof werkt in en door de liefde tot God en Christus, en houdt ons daardoor van de liefde tot de wereld terug.
C. Het geloof heiligt het hart en reinigt het van die vleselijke lusten, waardoor de wereld zo de overhand en de heerschappij over onze zielen verkrijgt.
D. Het geloof ontvangt kracht van zijn voorwerp, den Zoon van God, om het misnoegen en de vleierij van de wereld te overwinnen.
E. Het geloof verkrijgt door de beloften des Evangelies een recht op de inwoning van den Geest der genade, die groter is dan de geest, die in de wereld woont.
F. Het geloof ziet een onzienlijke wereld in de toekomst, met welke de tegenwoordige wereld niet waardig is vergeleken te worden, en het overtuigt de ziel, dat zij zich voortdurend moet voorbereiden om die binnen te gaan.
III. Daarom besluit de apostel, dat de oprechte Christen de ware overwinnaar der wereld is.
Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus is de Zoon van God? vers 5. De wereld belemmert ons op den weg ten hemel en is de grote hinderpaal om daar binnen te gaan. Maar hij, die gelooft dat Jezus is de Zoon van God, gelooft daarmee dat Jezus van God gekomen is om de Zaligmaker der wereld te zijn, en dat Hij machtig is om ons van deze aarde naar den hemel te geleiden en tot God, die daar ten volle onze blijdschap zal zijn. En hij, die dat gelooft, kan niet anders dan door dat geloof de wereld overwinnen. Want:
1. Hij moet er wel van overtuigd zijn, dat de wereld een heftige tegenstandster is van zijne ziel, zijn heiligheid, zijn zaligmaking en zijn gelukzaligheid. Want al wat in de wereld is, de begeerlijkheid des vlezes, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld, Hoofdstuk 2:16.
2. Hij ziet in dat het verlost en ontslagen te worden van deze goddeloze wereld een groot deel van het werk des Zaligmakers en van zijn eigen zaligmaking is. Die zich zelven voor onze zonden heeft overgegeven, opdat Hij ons van deze tegenwoordige boze wereld verlossen zou, Galaten 1:4.
3. Hij ziet in en door het leven en den wandel van den Heere Jezus op de aarde, dat deze wereld kan verloochend en overwonnen worden.
4. Hij bemerkt dat de Heere Jezus de wereld overwon, niet voor zich zelven alleen, maar voor Zijne volgelingen, en dat zij zich benaarstigen moeten deelgenoten van Zijne overwinning te worden.
Hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.
5. Hij wordt door den dood van den Heere Jezus onderwezen en beïnvloed om der wereld gekruisigd en gestorven te zijn. Het zij verre van mij, dat ik zou roemen anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld, Galaten 6:14.
6. Hij werd wedergeboren door de opstanding van Jezus Christus uit de doden tot een levende hoop op een gezegende wereld hierboven, 1 Petrus 1:3.
7. Hij weet dat de Zaligmaker ten hemel gevaren is en daar plaats bereidt voor Zijn oprechte gelovigen, Johannes 14:2.
8. Hij weet dat zijn Zaligmaker zal wederkomen en de wereld voleindigen, en hare bewoners oordelen, en Zijne gelovigen opnemen in Zijne tegenwoordigheid en heerlijkheid, Johannes 14:3.
9. Hij heeft een zin en gemoedsgesteldheid verkregen, die niet door de wereld voldaan kan worden, die hoger en verder ziet, en steeds voorwaarts gaat en strijdt en dringt naar den hemel. Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden, 2 Corinthiërs 5:2. Het is dus de Christelijke godsdienst alleen, die Zijn volgelingen een algemeen koninkrijk aanbiedt. De Christelijke openbaring is het grote middel om de wereld te overwinnen, en een andere te winnen, die zuiverder, vredevol, gezegend en eeuwig is. Het is in haar, in deze gezegende openbaring, dat wij ontdekken wat de oorzaak en de bron is van den twist en den strijd tussen den heiligen God en de opstandige wereld. In haar leren wij een geheiligde leer kennen, die zowel in de praktijk als bespiegelend, juist het tegenovergestelde is van de houding, het karakter en het doel der wereld. Het is door hare leer, dat een Geest is meegedeeld en uitgestort, die hoger is dan de geest der wereld en dezen wederstaat. In haar zien wij dat onze Zaligmaker niet van deze wereld was en dat Zijn koninkrijk het ook niet is, maar dat dit moet afgezonderd worden van de wereld en daaruit vergaderd voor den hemel en voor God. Daar zien wij dat de Zaligmaker deze wereld niet bestemt voor de erfenis en het deel van Zijn gezaligde gemeente. Gelijk Hij zelf ten hemel gegaan is, zo verzekert Hij hun dat Hij ging om hun plaats te bereiden. Hij bedoelt dat zij altijd bij Hem zullen wonen en vergunt hun dat reeds in dit leven te geloven, omdat indien zij alleen in deze wereld en in dit leven op Hem hopende moesten zijn, zij de ellendigsten van alle mensen wezen zouden. In haar wordt de eeuwige gezegende wereld het duidelijkst geopenbaard en ons voorgesteld om haar lief te hebben en na te jagen. Door haar worden wij voorzien van de beste wapenen tegen de aanvallen en de verzoekingen der wereld. In haar leren wij zien hoe de wereld door haar eigen wapenen wordt gewond en buiten gevecht gesteld, hoe haar tegenstand en haar vervolgingen dienstbaar gemaakt worden aan onze overwinning van de wereld en aan onzen voortgang en ons opklimmen naar een hogere wereld, waar wij aangemoedigd worden door een geheel leger, een wolk van heilige strijders, die in verschillende tijden en plaatsen de wereld overwonnen en de kroon verworven hebben. De ware Christen is de rechte held, hij overwint de wereld en verheugt zich in een algemene zegepraal. Hij betreurt het niet, gelijk de oude Griekse koning, boven wie hij verre verheven is, dat er geen tweede wereld te overwinnen valt, maar hij legt beslag op de eeuwige wereld des levens, en neemt in zekeren geheiligden zin het koninkrijk der hemelen met geweld. Wie in de gehele wereld, uitgenomen de gelovige in Christus Jezus, kan op die wijze de wereld overwinnen?