Job 4:12-21
Elifaz, ondernomen hebbende om Job te overtuigen van de zonde en dwaasheid van zijn ontevredenheid en zijn ongeduld, beroept zich hier op een visioen, waarmee hij begunstigd was geworden, en dat hij nu aan Job verhaalt tot zijn overtuiging. Alle mensen zullen bijzondere eerbied betonen voor hetgeen onmiddellijk van God komt, en Job ongetwijfeld evenzeer als ieder ander. Sommigen denken dat Elifaz nu onlangs dit visioen gehad heeft, nadat hij tot Job was gekomen, waardoor hem woorden in de mond gelegd werden om met hem te redeneren, en het zou goed geweest zijn indien hij zich aan de strekking van het visioen had gehouden, die tot grond gediend zou hebben, op welke hij Job had kunnen bestraffen voor zijn murmureren, maar niet om hem te veroordelen als een geveinsde. Anderen denken dat hij het vroeger gehad heeft, want op die wijze heeft God zich in die eerste eeuwen van de wereld dikwijls aan de kinderen van de mensen geopenbaard, Hoofdst. 33:15. Waarschijnlijk heeft God deze bode en die boodschap op de een of andere tijd aan Elifaz gezonden, toen hij zelf in een onrustige, ontevreden gemoedsstemming was om hem tot rust en kalmte te brengen. Gelijk wij anderen moeten vertroosten met de vertroosting waarmee wij zelf vertroost zijn geworden, 2 Corinthiers 1:4, zo moeten wij ook trachten anderen te overtuigen door hetgeen krachtig is geweest om ons te overtuigen.
Het volk van God had toen nog geen geschreven Woord om zich op te beroepen, en daarom heeft God hun soms door de buitengewone weg van openbaring zelfs geheel gewone. algemene waarheden bekend gemaakt. Wij, die onze Bijbel bezitten, hebben daarin, Gode zij dank, het profetische woord, dat zeer vast is, en waarop wij meer steunen kunnen dan zelfs op visioenen en stemmen, 2 Petrus 1:10.
Merk op:
I. De wijze, waarop deze boodschap aan Elifaz was gezonden, en de bijzondere omstandigheden, waarin zij tot hem kwam.
1. Zij kwam heimelijk of steelsgewijze tot hem, de lieflijkste gemeenschapsoefeningen, die Godvruchtige zielen soms met God hebben, is in het verborgen, waar geen oog ziet dan het oog van Hem, die geheel oog is. God heeft wegen en middelen om overtuiging raad en vertroosting tot Zijn volk te brengen onopgemerkt door de wereld, door stille fluisteringen, even krachtig als de openbare bediening van het Woord. "De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die Hem" "vrezen," Psalm 25:14. Gelijk de boze geest dikwijls goede woorden steelt uit het hart, Mattheus 13:19, zo brengt de goede Geest, eer wij het weten, stil en verborgen goede woorden in het hart.
2. Hij heeft een weinig daarvan gevat, vers 12. En het is slechts een weinigje Goddelijke kennis, dat zelfs de besten in deze wereld vatten. Wij weten weinig, in vergelijking met hetgeen er te weten is en met wat wij zullen weten als wij in de hemel komen. Wat een klein stuksken van de zaak hebben wij van God gehoord! Hoofdst. 26:14. Wij "kenden ten dele," 1 Corinthiers 13:12. Zie zijn nederigheid en bescheidenheid. Hij erkent het niet geheel begrepen te hebben slechts er iets van te hebben gevat.
3. Het kwam tot hem in de gezichten des nachts, vers 13, toen hij zich van het rumoer en gewoel van de wereld had teruggetrokken, en alles om hem stil en rustig was. Hoe meer wij ons afzonderen van de wereld en de dingen van de wereld, hoe geschikter wij zijn voor gemeenschapsoefening met God. Als wij "in" "ons hart spreken en stil zijn," Psalm 4:4, dan is het de geschikte tijd voor de Heiligen Geest om gemeenschap met ons te oefenen. Toen anderen sliepen, was Elifaz bereid en gereed om dit bezoek van de hemel te ontvangen, en waarschijnlijk heeft hij, gelijk David, aan God gepeinsd in de nachtwaken, en temidden van die goede gedachten, kwam dit tot hem. Wij zouden meer van God horen, indien wij meer aan Hem dachten, maar sommigen worden verrast met overtuigingen in de nacht, Hoofdst. 33:14,15.
4. Zij werd ingeleid door verschrikkingen: schrik en beving kwam hem over, vers 14. Het schijnt dat hij, voordat hij iets zag of hoorde door deze siddering werd bevangen, die zijn gebeente schudde, en misschien ook het bed waarop hij lag. Een heilig ontzag en eerbied voor God en Zijn majesteit kwam in zijn gemoed, en zo werd hij toebereid voor een bezoek Gods. Wien God voornemens is te eren, die vernedert Hij eerst, Hij wil dat wij Hem dienen met heilige vreze, en dat wij ons verheugen met beving.
II. De bode, door wie zij gezonden werd: een geest, een van de goede engelen, die gebruikt worden niet alleen als de dienaren van Gods voorzienigheid, maar soms als de dienaren van Zijn woord. Betreffende deze verschijning, die Elifaz zag, wordt ons hier gezegd, vers 15,16:
1. Dat zij werkelijk was, en geen droom geen verbeelding, een beeltenis was voor zijn ogen, hij zag haar duidelijk. In het eerst ging zij heen en weer voor zijn aangezicht, bewoog zij zich op en neer, maar eindelijk stond zij stil om tot hem te spreken. Als sommigen schelmachtig genoeg waren om anderen met valse visioenen te bedriegen, en sommigen zo dwaas om zich te laten bedriegen, dan volgt hier niet uit dat er nooit verschijningen van goede en boze geesten geweest zijn.
2. Dat de verschijning enigszins verward en onduidelijk was. Hij kon er de gedaante niet van onderscheiden, zodat hij er zich geen juist en nauwkeurig denkbeeld van kon vormen, en nog veel minder er een beschrijving van kon geven. Zijn geweten moest wakker gemaakt en overtuigd worden, maar zijn nieuwsgierigheid niet worden bevredigd. Wij weten weinig van geesten, wij zijn niet instaat, niet vatbaar om veel van hen te weten, en het voegt ook niet dat wij er veel van weten. Het zal alles op de bestemde tijd voor ons zijn, wij moeten weldra naar de wereld van de geesten heengaan, en dan zullen wij beter met hen bekend worden.
3. Dat het hem zeer ontstelde, zodat zijn haar te berge rees. Van dat de mens gezondigd heeft, was het een verschrikking voor hem om een bode van de hemel te ontvangen, zich bewust zijnde, dat hij van daar geen goede tijding heeft te verwachten, verschijningen, zelfs van goede geesten, hebben dus altijd, zelfs op Godvruchtige mensen, een indruk van vrees teweeggebracht. Hoe gelukkig is het voor ons dat God ons Zijn boodschappen zendt, niet door geesten, maar door mensen gelijk wij zelf zijn, wier verschrikking ons niet beroert! Zie Daniël 7:28, 10:8, 9.
III. De boodschap zelf. Eer zij overgeleverd werd, was er stilte, diepe stilte, vers 16. Als wij gaan spreken, hetzij van God of tot God, dan voegt het ons om er ons met een plechtige pauze toe te begeven, en heiningen te stellen rondom de berg, waarop God neer zal komen, en niet haastig te zijn om iets te uiten. Het was in het ruisen van een zachte stilte, dat de boodschap overgeleverd werd en zij was als volgt, vers 17. "Zou een sterflijk mens rechtvaardiger zijn dan God, dan de onsterflijke God? Zal een mens geacht worden reiner te zijn dan zijn Maker? Weg met zulke gedachten!"
1. Sommigen denken dat Elifaz bedoeld heeft hiermede te bewijzen dat jobs zware beproeving een stellig bewijs was, dat hij een goddeloos man was, een sterflijk mens zou voor onrechtvaardig en zeer onrein gehouden worden, indien hij aldus een dienaar of een onderdaan zou kastijden en straffen, als hij zich niet aan een zeer grote misdaad had schuldig gemaakt. "Indien er dus niet een zeer grote misdaad was, voor welke God u aldus straft, dan zou de mens rechtvaardiger zijn dan God, hetgeen ondenkbaar is."
2. Ik denk echter dat het slechts een bestraffing is van Jobs murmurering en ontevredenheid. "Zal een mens voorwenden rechtvaardiger en reiner te zijn dan God? De regelen en wetten van de billijkheid beter te verstaan, en nauwkeuriger waar te nemen dan God? Zal Haenosh, de sterflijke broze mens zo onbeschaamd zijn, ja zal Hagever, de sterkste en uitnemendste mens-de mens in zijn beste toestand, zich met God willen vergelijken of in mededinging met Hem staan? Het is uiterst goddeloos en onzinnig om te denken, dat anderen of dat wijzelf rechtvaardiger zijn dan God. Zij, die met de voorschriften van de Goddelijke wet twisten, of er iets op aan te merken vinden, de beschikkingen van Gods genade of van Zijn voorzienigheid afkeuren, stellen zichzelf dus voor als rechtvaardiger en reiner te zijn dan God. Wie God bestraft, die antwoorde daarop. Hoe! de zondige mens, (want hij zou niet sterflijk zijn indien hij niet zondig was) de kortzichtige mens! Zal die voorgeven rechtvaardiger, reiner te zijn dan God, die, zijn Maker zijnde, zijn Heer en zijn eigenaar is? Zal het leem twisten met de pottenbakker? Welke gerechtigheid en reinheid erin de mens moge wezen, God is er de werker van, en daarom is Hij rechtvaardiger en reiner. Zie Psalm 94:9, 10.
IV. De verklaring, die Elifaz ervan geeft, want dit schijnt het te wezen, maar sommigen denken dat al de volgende verzen in het visioen gesproken zijn. Het komt echter geheel op hetzelfde neer.
1. Hij toont aan hoe klein de engelen zelf zijn in vergelijking met God, vers 18. Engelen zijn Gods dienaren, Zijn Hem opwachtende dienaren, werkende dienaren, Psalm 104:4. Schitterende en gezegende wezens zijn zij, maar God heeft hen niet nodig, wordt niet door hen bevoordeeld, en is ver boven hen verheven, en daarom:
a. Vertrouwt Hij niet op hen, zoals wij vertrouwen op hen, zonder wie wij niet kunnen leven, er is geen werk, waarin Hij hen gebruikte, of Hij zou, als het Hem behaagde, het ook zonder hen gedaan krijgen. Hij heeft hen nooit tot Zijn vertrouwelingen gemaakt of in Zijn geheime raad toegelaten Mattheus 24:36. Hij laat Zijn zaken niet geheel en al aan hen over, "Zijn eigen ogen doorlopen de gehele" "aarde," 2 Kronieken 16:9. Zie deze volzin in Hoofdst. 39:14. Sommigen geven er deze zin aan: "Zelfs de natuur van de engelen is zó veranderlijk, dat God de engelen hun eigen oprechtheid niet heeft toebetrouwd want zo Hij dit wel gedaan had, zij zouden evenals sommigen van hen, hun oorspronkelijken staat verlaten, maar Hij zag dat het nodig was hun bovennatuurlijke genade te geven om hen bevestigen."
b. Hij legt hun dwaasheid, ijdelheid, zwakheid en onvolkomenheid ten laste, in vergelijking met God. Indien de wereld aan het bestuur van de engelen ware overgelaten, en hun alleen de regeling van de zaken ware toebetrouwd, zij zouden valse stappen doen, en alles zou niet, zoals nu, ten beste geschieden. Engelen hebben verstand, maar het is eindig. Zij zijn niet van ongerechtigheid te beschuldigen, maar zij kunnen zich aan onvoorzichtigheid schuldig maken. Deze laatste zinsnede wordt door de taalgeleerden verschillend overgezet. Ik denk dat zij deze lezing kan toelaten, met de herhaling van de ontkenning, die zeer gebruikelijk is: Hij zou op Zijn heiligen niet vertrouwen. In angelis suis non ponet gloriationem, noch wil Hij roemen in Zijn engelen alsof hun lof of hun diensten Hem iets toevoegden. Het is Zijn roem, Zijn heerlijkheid, dat Hij ook zonder hen oneindig gelukzalig is.
2. Hier leidt hij uit af hoeveel minder nog de mens is, hoeveel minder nog op hem betrouwd kan worden of in hem geroemd kan worden. Indien er zo'n afstand is tussen God en de engelen, hoe groot is dan niet de afstand tussen God en de mens! Zie hoe de mens hier voorgesteld wordt in zijn geringheid en kleinheid.
A. Zie op de mens in zijn leven en gij ziet hem zeer gering en zeer nietig, vers 19. Neem de mens in zijn beste toestand, en hij is een zeer verachtelijk schepsel in vergelijking met de heilige engelen, hoewel hij groot en eerwaardig is in vergelijking met de dieren. Het is waar: engelen zijn geesten en de zielen van de mensen zijn geesten, maar,
a. Engelen zijn reine geesten, de zielen van de mensen wonen in lemen huizen, dat zijn de lichamen van de mensen. Engelen zijn vrij in hun bewegingen voor hun werk, de ziel van de mens is gebonden aan, en belemmerd door het lichaam, dat lichaam is haar een wolk, een kooi, een gevangenhuis. Het is een huis van leem, gering en vermolmend, een aarden vat, spoedig gebroken, gelijk het eerst geformeerd werd naar het welbehagen van de pottenbakker. Het is een hut, geen cederenhuis, geen ivoren huis, maar een lemen huis, dat spoedig in puin zou liggen, als het niet voortdurend onderhouden en hersteld werd.
b. De engelen hebben hun vaste, onvergankelijke woonstede in de hemel, maar de grondslag zelfs van het lemen huis, dat de mens bewoont, is in het stof. Een lemen huis zou, als het op een rots gebouwd was, lang kunnen staan, maar zo het gefundeerd is in het stof, zal het onvaste van het fundament zijn val verhaasten, en zo zal het onder zijn eigen gewicht wegzinken. Gelijk de mens gemaakt was uit de aarde zo wordt hij onderhouden door hetgeen uit de aarde voortkomt. Neem dat weg, en zijn lichaam keert weer tot zijn aarde. Wij staan slechts op het stof, sommigen hebben een hogere hoop van stof om op te staan dan anderen, maar toch is het aarde, die ons ophoudt, en weldra zal zij ons verzwelgen.
c. Engelen zijn onsterflijk, maar de mens is spoedig verpletterd, het aardse huis van zijn tabernakel wordt gebroken, hij kwijnt weg en sterft, wordt verpletterd als een mot tussen iemands vingers, even gemakkelijk en even snel, men kan schier even spoedig een mens doden als een mot. Een kleinigheid zal het doen, hij wordt verbrijzeld voor het aangezicht van de mot, luidt het oorspronkelijke. Als aan een kwijnende ziekte, die verteert als een mot, wordt opgedragen hem te verderven, dan kan hij haar evenmin weerstaan als hij een acute ziekte zou kunnen weerstaan, die hem als een felle leeuw bespringt. Zie Hosea 5:12,14. Is in een schepsel als dit vertrouwen te stellen, of kan er enige dienst van worden verwacht door die God, die zelfs op Zijn engelen niet vertrouwt?
B. Beschouw hem in zijn dood, en hij heeft een nog verachtelijker aanzien, geheel ongeschikt om op hem te vertrouwen. De mensen zijn sterflijk en stervende, vers 20, 21. a. In de dood komen zij om, vergaan zij voor eeuwig ten opzichte van deze wereld, het is het einde van hun leven en van al hun verrichtingen en genietingen op de aarde, hun plaats zal hen niet meer kennen.
b. Zij sterven dagelijks, nemen voortdurend af, van de morgen tot de avond worden zij vermorzeld, de dood is steeds werkende in ons, gelijk een mol bij iedere beweging een graf voor ons gravende, en zo voortdurend zijn wij aan gevaar blootgesteld, dat wij de gehele dag gedood worden.
c. Hun leven is kort, in weinig tijds worden zij afgesneden, het duurt misschien slechts van de morgen tot de avond. Het is slechts een dag, (zo verstaan het sommigen), hun geboorte en dood zijn slechts de zonsopgang en de zonsondergang van dezelfde dag.
d. In de dood gaat al hun uitnemendheid heen, schoonheid, kracht, geleerdheid kunnen hen niet slechts niet beveiligen tegen de dood, maar zij sterven met hem, ook zullen hun pracht hun rijkdom en macht hen niet volgen in het graf.
e. Hun wijsheid kan hen niet redden van de dood, zij sterven zonder wijsheid, sterven uit gebrek aan wijsheid, door hun eigen slecht beheer van zichzelf graven zij met hun eigen handen hun graf.
f. Dit is zo geheel gewoon een zaak, dat niemand er acht op slaat, zij vergaan, zonder het ter harte te nemen. De dood van anderen is wel het onderwerp van veler gesprekken, maar zelden het onderwerp van ernstig nadenken.
Sommigen denken dat hier van de eeuwige verdoemenis van de zondaren gesproken wordt zowel als van hun tijdelijken dood. Van de morgen tot de avond worden zij vermorzeld, en zo zij zich niet bekeren, vergaan zij in eeuwigheid, zo lezen sommigen het, vers 20. Zij vergaan in eeuwigheid, omdat zij geen acht slaan op God en hun plicht zij "denken niet aan hun uiterste," Klaagliederen 1:9. Zij hebben geen uitnemendheid dan die hun door de dood wordt ontnomen, en zij sterven, sterven de tweede dood uit gebrek aan wijsheid om het eeuwige leven aan te grijpen. Zal nu zo'n nietig, zwak, dwaas zondig, stervend schepsel als dit beweren rechtvaardiger te zijn dan God, reiner te zijn dan zijn maker? Neen, inplaats van te murmureren onder zijn beproeving, laat hem er verwonderd over wezen, dat hij buiten de hel is.