7. De discipel dan, die Jezus liefhad, Johannes, wiens geestelijk leven het rijpste en wiens betrekking tot Christus het reinste was, (
Hoofdstuk 13:23;
18:15;
19:26, en 35) zei, omdat hem heteerst het inwendige en daarbij tevens het lichamelijk oog openging, tot Petrus, tot wie hij sinds de tijd van het lijden in nadere betrekking stond (
Lukas 22:8.
Johannes 13:23 v. ; 18:15, ; 20:2, ): Het is de Heere (
Hoofdstuk 20:18, ). Simon Petrus dan, horende dat het de Heere was, was snel gereed om, zoals zijn aard was, iets te wagen en vol blijdschap (
Mattheus 14:28, ), omgordde het opperkleed, de visserskiel; want hij was naakt. Hij had de kiel gedurende de arbeid afgelegd en had alleen nog het eigenlijke hemd aan, zodat hij naar het gewone gebruik van het woord 12:34") naakt werd genoemd (
1 Samuël 19:24.
2 Samuël 6:20.
Jesaja 20:2 v. ) en zo wilde hij niet voor de Heere verschijnen. Hij bracht zijn gewaad dus in orde en wierp zichzelf in de zee, om naar de oever te zwemmen.
Het is de Heere! Johannes voelt het het eerst, want bij de tederste liefde is de schielijkste opmerking. Johannes haast zich het te zeggen tot Simon Petrus, want wat de liefde geniet, kan zij nooit alleen genieten; zij is mededeelzaam met haar geluk. En hij heeft het tot de juiste man gezegd; want nauwelijks heeft Simon Petrus uit Johannes' mond het: "Het is de Heere" verstaan, dat een weerklank vindt ook in het vermoeden van zijn hart, of hij omgordt, omdat hij naakt is, het opperkleed en werpt zich in de zee. Nee, nu is het niet meer als voor drie jaren bij hetzelfde wonder! "Heere! ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!" Nog is hij een zondig mens en hij weet het nog beter dan toen; maar ook weet hij beter dan toen, hoe groot de genade van de Heilige is en dat zijn plaats ten allen tijde wezen mag aan diens gezegende voeten.