Mattheus 11:7-15
Wij hebben hier den hogen lof, dien onze Heere Jezus aan Johannes den Doper gegeven heeft, niet slechts om zijne eer hoog te houden, maar ook om zijn werk te doen herleven. Sommigen van Christus' discipelen zouden wellicht uit de vraag, waarmee Johannes tot Christus had gezonden, aanleiding kunnen nemen om zich ongunstig uit te laten over hem als zwak en weifelend, en zich niet gelijk blijvend. Om dit nu te voorkomen geeft Christus deze lofspraak van zijn karakter. Het is onze plicht rekening te houden met den goeden naam van onze broederen, en niet slechts afgunst en boze verdenkingen van hen te weren of te voorkomen, maar wij moeten ook alle gelegenheden aangrijpen om goed te spreken van hen, die prijzenswaardig zijn, en hun deze vrucht hunner handen te geven. Toen Johannes de Doper in het openbaar leefde en werkte, en Christus nog in afzondering was, heeft hij van Christus getuigd, en nu Christus in het openbaar verschijnt, en Johannes onder ene wolk is, getuigt Christus van Johannes. Zij, die zelf groten invloed hebben, moeten dien gebruiken om het aanzien en den goeden naam van anderen in stand te houden, wier karakter daar recht op heeft, maar die zich in omstandigheden bevinden, waardoor het hun niet mogelijk is zelf dit recht te laten gelden. Dat is ere geven aan wie ere toekomt. Johannes had zich zelven vernederd om Christus te eren en te verhogen, Johannes 3:29, 30, Mattheus 3:11, hij had zich tot niets gemaakt, om Christus alles te laten zijn, en nu eert Christus hem door dit getuigenis. Die zich zelven vernederen, zullen verhoogd worden, en die Christus eren, zal Hij eren, die Hem belijden voor de mensen zal Hij belijden, en soms ook voor de mensen, zelfs in deze wereld. Johannes had nu zijn getuigenis voleindigd, en nu looft hem Christus. Christus legt eer weg voor Zijne dienstknechten, als zij hun werk volbracht hebben, Johannes 12:26. Betreffende dezen lof van Johannes valt op te merken:
I. Dat Christus op zo eervolle wijze van hem sprak nadat Johannes' discipelen waren vertrokken, dus niet in hun tegenwoordigheid, Lukas 7:24. Hij wilde den schijn niet hebben van Johannes te vleien: en Hij wilde ook niet, dat hem deze lofspraak bericht zou worden. Hoewel wij ons moeten beijveren, om aan allen den lof te geven, die hun toekomt, ter hunner bemoediging, hebben wij ons toch te onthouden van alles wat op vleierij gelijkt, of hen in gevaar zou kunnen brengen van opgeblazen te worden. Zij, die in andere dingen, der wereld wel gestorven zijn, kunnen toch niet goed hun eigen lof dragen. Hoogmoed is ene boze gemoedsstemming, die wij noch in anderen, noch in ons zelven moeten aankweken.
II. Dat hetgeen Christus betreffende Johannes zei bestemd was, niet slechts tot zijn lof, maar tot nut van het volk, om de herinnering aan Johannes' dienstwerk te verlevendigen, daar dit thans (zoals het meer met dergelijke dingen gaat) op vreemde wijze in vergetelheid was geraakt, hoewel het vroeger zo geëerd was. Voor een korten tijd-en slechts voor een korten tijd-hebben zij zich "in zijn licht willen verheugen," Johannes 5:35. "Denkt nu eens na: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Legt u zelven deze vraag eens voor." Johannes predikte in de woestijn, en derwaarts is de menigte heen gestroomd om hem te horen, hoewel het ene verafgelegen, en daarom ene ongelegen plaats was. Als leraren naar afgelegen hoeken verplaatst worden, is het beter ook daar tot hen te gaan, dan hun prediking te ontberen. Indien zijne prediking het nu waard was, dat men er zo veel moeite voor deed om haar te horen, dan was zij het ook waard haar in de herinnering te bewaren. Hoe groter moeilijkheid wij hadden te overwinnen, om het woord te horen, hoe meer wij het ter harte behoren te nemen. Zij gingen tot hem uit, om hem te zien, veeleer om hun nieuwsgierigheid te bevredigen vanwege het ongewone van zijn voorkomen, dan om hun ziel te voeden met ene gezonde leer. Velen, van hen, die ene prediking bijwonen, komen meer om te zien en gezien te worden, dan om te leren en onderwezen te worden, om iets te hebben om er over te praten veeleer, dan om wijs gemaakt te worden tot zaligheid. Christus stelt hun de vraag: "Wat zijt gij uitgegaan te zien?" Zij, die onder het gehoor des woords komen, zullen rekenschap hebben af te leggen van hetgeen daarbij hun bedoeling was, en van het nut dat zij er door ontvangen hebben voor hun ziel. Als de preek gedaan is, denken wij, dat nu ook de zorg gedaan is, maar neen, dan begint pas de grootste zorge. Weldra zal ons gevraagd worden: "Wat had gij op dezen of dien dag met dit of dat genademiddel van doen? Wat heeft u derwaarts heen gebracht? Was het sleur, of was het om in dezes of diens gezelschap te zijn, of was het ene begeerte om God te eren en goeds te ontvangen voor uwe ziel? Wat hebt gij van daar mede genomen? Welke kennis en genade, en vertroosting? "Wat zijt gij uitgegaan te zien?" Als wij er ons toe begeven, om het woord te lezen en te horen, dan behoren wij wèl toe te zien, dat hetgeen wij daarbij op het oog hebben recht is.
III. Laat ons nu zien, waarin die lof van Johannes bestond. Zij weten niet wat te antwoorden op de vraag van Christus. "Welnu", zegt Christus, "Ik zal u zeggen wat soort van mens Johannes de Doper is."
1. "Hij is een standvastig, vastberaden man, en niet een riet, dat van den wind ginds en weer bewogen wordt. Gij waart dit in uwe gedachten van hem, maar hij is dit niet. Hij was niet wankelend in zijne beginselen, noch ongelijk in zijn wandel, neen, hij was merkwaardig wegens zijne vastheid en zijn voortdurend zich zelven gelijk blijven." Zij, die zwak zijn als rieten, zullen als rieten heen en weer bewogen worden, maar Johannes was "met kracht versterkt door Gods Geest". Toen er een verkwikkende wind van volksgunst woei, en toen de bulderende storm van Herodes' woede opstak, was en bleef Johannes dezelfde, dezelfde in alle weer en wind. Het getuigenis, dat hij van Christus had afgelegd, was niet het getuigenis van een riet, van iemand, die den enen dag zulk ene mening voorstond, en een anderen dag ene andere, het was geen weerhaangetuigenis, neen, zijne standvastigheid in dit getuigenis wordt te kennen gegeven, Johannes 1:20, hij "beleed en loochende het niet, en beleed", en daar is hij ook later bij gebleven, Johannes 3:28. En daarom moest die vraag, waarmee hij zijne discipelen tot Christus zond, niet uitgelegd worden, als een twijfelen aan de waarheid van hetgeen hij vroeger gezegd had: daarom is het volk tot hem uitgegaan, omdat hij niet als een riet was. Op den duur wordt er niets bij verloren, als men met onwankelbare vastheid voortgaat met zijn werk, en daarbij noch om de goedkeuring der mensen bedelt, noch hun afkeuring vreest.
2. Hij was een man, die zich zelven verloochende, en dezer wereld gestorven was. "Was hij een mens met zachte klederen bekleed? Dan zoudt gij niet uitgegaan zijn in de woestijn om hem te zien, maar gij zoudt naar het hof zijn gegaan. Gij zijt uitgegaan om iemand te zien, die zijne kleding had van kameelhaar, en die een lederen gordel om zijne lenden had. Zijn voorkomen en kledij toonden, dat hij dood was voor alle praal en pracht van de wereld en van het genot der zinnen. Zijne kledij was in overeenstemming met de woestijn, waarin hij leefde, en met de leer, die hij er predikte, namelijk de leer der bekering. Nu kunt gij u niet voorstellen, dat hij, die zulk een vreemdeling was voor de genoegens van een hof, door de verschrikkingen ener gevangenis er toe gebracht kon worden om van zin en mening te veranderen, zodat hij nu in twijfel zou trekken of Jezus wel waarlijk de Messias was!" Van hen, die een leven leiden van doding van het vlees, is het het minst waarschijnlijk, dat zij door vervolging er toe gedreven zullen worden hun Godsdienst op te geven. Hij was geen man met zachte klederen bekleed, dezulken zijn er wel, maar zij zijn in der koningen huizen. Het betaamt den mens om in geheel zijn voorkomen in overeenstemming te wezen met zijn karakter en zijne positie. Predikers moeten er niet uit willen zien als hovelingen, en zij, wier levenslot hen in gewone huizen doet wonen, moeten de zachte klederen niet willen aan hebben, welke gedragen worden door hen, die in der koningen huizen zijn. Voorzichtigheid leert ons gepastheid. Johannes had een ruw en onbehaaglijk voorkomen, en toch stroomde de menigte naar hem toe om hem te horen. De herinnering aan onzen vroegeren ijver om het woord Gods te horen moet ons aansporen tot dezelfden ijver in ons tegenwoordig leven en arbeiden, zodat het nooit van ons gezegd moet kunnen worden, dat wij zo vele dingen te vergeefs gedaan en geleden hebben, dat wij te vergeefs hebben gelopen, te vergeefs hebben gearbeid.
3. Waar hij het meest in geloofd werd was in zijn ambt en werk, dat hem meer tot eer was dan persoonlijke gaven of talenten, en daarom wordt hieromtrent het meest in zijn lof uitgeweid. Hij was een profeet, ja meer dan een profeet, vers 9. Dit getuigde van hem Hij, die de grote Profeet was, en wie alle profeten getuigenis geven. Johannes zei van zich zelven dat hij die Profeet niet was, niet de Messias zelf, en nu zegt Christus (een zeer bevoegd Beoordelaar) van hem, dat hij "veel meer was dan een profeet". Hij erkende zich de mindere van Christus, en Christus erkende hem als den meerdere van alle andere profeten. De voorloper van Christus was geen koning, maar een profeet, opdat het den schijn niet zou hebben, dat het koninkrijk van den Messias op aardse macht was gegrond. Maar Zijn onmiddellijke voorloper was als zodanig een buitengewoon groot profeet, meer dan een Oud-Testamentische profeet. Zij allen hebben krachtige werken gedaan, maar Johannes heeft ze allen overtroffen. Zij hebben Christus, dag van verre gezien, en het duurde nog lang eer hun visioen verwezenlijkt werd, maar Johannes zag het aanbreken van dien dag, hij zag de zon opgaan, en hij sprak tot het volk van den Messias als van Enen, die zich in hun midden bevond. Zij spraken van Christus, maar hij duidde Hem aan, zij zeiden: "Ene maagd zal zwanger worden", hij zei: "Ziet het Lam Gods." Hij was het, van wie voorzegd was, dat hij Christus' voorloper zou zijn, vers 10. Van hem werd door de andere profeten geprofeteerd, en dus was hij groter dan zij. Maleachi heeft van Johannes geprofeteerd: Ziet, Ik zende Mijn engel voor uw aangezicht. Hierin is iets van de eer van Christus op hem gelegd, dat de Oud-Testamentische profeten van hem gesproken en geschreven hebben, en deze eer hebben al de heiligen, dat hun "namen geschreven zijn in het boek des levens des Lams." Het was voor Johannes een groot voorrecht, dat hij boven al de profeten gehad heeft, dat hij de voorloper van Christus is geweest. Hij was een bode, die op ene gewichtige boodschap was uitgezonden, een bode, die een was onder duizend, zijne ere ontlenende aan Hem, wiens bode hij was. Hij is "Mijn bode", door God gezonden, en heengezonden voor het aangezicht van den Zone Gods. Zijne opdracht was: den weg te bereiden voor Christus, de mensen genegen te maken om den Zaligmaker te ontvangen door hun hun zonde en ellende te ontdekken en hun behoefte aan een Zaligmaker. Dit had hij van zich zelf gezegd, Johannes 1:23, en nu heeft Christus het van hem gezegd, hiermede bedoelende, niet slechts Johannes' dienstwerk te eren, maar het volk er weer opmerkzaam op te maken als weg bereiding voor den Messias. Veel van het schone in Gods beschikkingen is gelegen in haar onderling verband en samenhang, en de betrekking waarin zij staan tot elkaar. Hetgeen Johannes den voorrang gaf boven de Oud-Testamentische profeten, was, dat hij onmiddellijk voor Christus heenging. Hoe nader men staat tot Christus, hoe meer ere dit is. "Onder degenen, die van vrouwen geboren zijn", was niemand meerder dan Johannes de Doper, vers 11. Christus wist de mensen te schatten naar de mate hunner waardij, en Hij stelt Johannes boven allen, die hem vooraf gegaan zijn, boven allen, die door gewone generatie, (voortbrenging) uit vrouwen geboren zijn. Van allen, die God opgewekt en tot den dienst in Zijne kerk geroepen heeft, is Johannes de uitnemendste, uitnemender zelfs dan Mozes, want hij begon de Evangelie-leer te prediken van vergeving der zonden aan hen, die waarlijk boetvaardig zijn, en hij had treffender openbaringen van den hemel dan zij gehad hebben, want hij zag den hemel geopend, en den Heiligen Geest nederdalen. Hij had ook groten voorspoed op zijn werk, schier de gehele natie ging tot hem uit. Niemand kwam met zo groots een plan, of met zo verheven ene boodschap als Johannes, of had zo veel aanspraak op ene welkome ontvangst. Grootheid moet niet afgemeten worden naar uiterlijken schijn en pracht, want zij zijn de grootsten, die de grootste heiligen zijn en den grootsten zegen voor anderen, en die, evenals Johannes, "groot zijn voor den Heere," Lukas 1:15. Maar de hoge lof, aan Johannes toegekend, had echter ene verrassende beperking. "Doch die de minste is in het koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij." In het koninkrijk der heerlijkheid. Johannes was een groot en goed man, maar toch bevond hij zich nog in een' toestand van zwakheid en onvolkomenheid, en daarom was hij minder dan de verheerlijkte heiligen en de geesten der volmaakte rechtvaardigen. Merk op, ten eerste: Dat er in den hemel trappen of graden van heerlijkheid zijn, sommigen zijn minder dan anderen, hoewel ieder vat gelijkelijk vol is, zijn zij niet allen even groot, en kunnen dus niet allen evenveel bevatten. Ten tweede: De minste heilige in den hemel is groter en weet meer, en heeft meer lief, en doet meer om God te loven, en ontvangt meer van Hem dan de grootste in deze wereld. De heiligen op aarde zijn heerlijk, Psalm 16:3, maar de heiligen in den hemel zijn nog heerlijker, de besten in deze wereld zijn minder dan de engelen, Psalm 8:6, dáár zijn de minsten aan de engelen gelijk, hetgeen ons behoorde te doen verlangen naar dien zaligen staat, waar de zwakken zijn als David, Zacheria 12:8. 1) Door het koninkrijk der hemelen moet hier verstaan worden het koninkrijk der genade de Evangelie-bedeling in de volkomenheid van hare macht en reinheid, en ho mikroteros, hij, die daarin minder is, is groter dan Johannes. Sommigen verstaan dit van Christus zelf, die jonger was dan Johannes, en, in sommiger mening, minder was dan Johannes, die altijd verkleinend van zich zelf heeft gesproken: "Ik ben een worm, en geen man", en toch groter dan Johannes, en zo komt dit overeen met hetgeen Johannes de Doper zei, Johannes 1:15 "Die na mij komt is voor mij gesteld". Het moet echter veeleer verstaan worden van de apostelen en evangeliedienaren des Nieuwen Testaments, de evangelische profeten, en de vergelijking tussen hen en Johannes geldt niet hun persoonlijke heiligheid, maar hun ambt. Johannes predikte den komenden Christus, maar zij predikten Christus, niet slechts gekomen, maar gekruisigd en verheerlijkt. Johannes kwam met den dageraad van den Evangeliedag, en hierin was hij voortreffelijk boven de vorige profeten, maar hij werd weggenomen voor den middag van dien dag, voordat de voorhang was gescheurd, voor Christus' dood en opstanding en de uitstorting des Geestes, zodat de minste der apostelen en evangelisten, aan wie groter ontdekking gedaan waren, en die gebruikt werd voor groter en gewichtiger gezantschap, groter is dan Johannes. Johannes heeft gene wonderen gedaan, de apostelen deden er vele. De grond dezer hogere voortreffelijkheid is gelegd in de hogere voortreffelijkheid der Nieuw-Testamentische bedeling boven de Oud- Testamentische. De leraren van het Nieuwe Testament zijn dus voortreffelijker, omdat hun dienst voortreffelijker is, 2 Corinthiërs 3:6, enz. Johannes was de grootste van zijne orde, hij ging zo ver als de bedeling, waaronder hij leefde, gedoogde, maar de minste van de hoogste orde is meerder, staat boven, den eerste van de laagste orde, een dwerg op een berg ziet verder dan een reus in een dal. Alle ware grootheid van mensen is ontleend aan. en wordt genoemd naar, de genadige openbaring van Christus aan hen. De beste mensen zij niet beter dan het Hem behaagt ze te maken. Welk ene reden tot dankbaarheid hebben wij, dat ons deel is in de dagen van het koninkrijk der hemelen, onder zulke voorrechten van licht en van liefde! En hoe groter de voorrechten, hoe groter de verantwoordelijkheid zijn zal, als wij de genade Gods te vergeefs ontvangen. De grote lof van Johannes den Doper bestond daarin, dat God zijne bediening erkende en haar zeer voorspoedig maakte om het ijs te breken, en het volk te bereiden voor het koninkrijk der hemelen. "Van de dagen" der eerste verschijning "van Johannes den Doper tot nu toe" (dat niet veel meer was dan twee jaren) was zeer veel goeds tot stand gebracht, zo snel was de beweging, toen zij nabij Christus, het Middenpunt, kwam, "wordt het koninkrijk der hemelen geweld aangedaan" -biazetai-zoals het geweld van een leger, dat stormenderhand ene stad inneemt, of ene menigte, die een huis binnendringt, aldus "nemen de geweldigers hetzelve met geweld." De betekenis hiervan vinden wij in de gelijkluidende plaats, Lukas 16:16. "Van dien tijd af wordt het koninkrijk Gods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve." Ene grote menigte was door Johannes' prediking bewerkt, en zij worden zijne discipelen. En dit is: Ene menigte, waarvan men dit niet had kunnen denken of verwachten. Naar ene plaats in dit koninkrijk werd gestreefd door mensen, van wie men zou denken, dat zij er geen recht of aanspraak op hebben, en dus indringers schenen te zijn, die zich met geweld toegang hebben verschaft. Wanneer de kinderen des koninkrijks er buitengesloten worden, en velen er van het Oosten en Westen inkomen, dan wordt hetzelve geweld aangedaan. Vergelijk Hoofdstuk 21:31, 32. De tollenaars en hoeren geloofden Johannes, dien de schriftgeleerden en Farizeeën verwierpen, en alzo gingen zij hen voor in het koninkrijk Gods. Het is niet in strijd met beleefdheid om voor zijne meerderen naar den hemel te gaan, en het is een grote lof en aanbeveling van het Evangelie, dat het van den beginne af personen tot heiligmaking heeft doen komen, van wie men dit nooit gedacht zou hebben. Het was een dringend aanhoudende menigte. Dit geweld duidt kracht en vurigheid van begeerte en streven aan in hen, die de prediking van Johannes volgden, want anders zouden zij niet zo van verre gekomen zijn om hem te horen. Het toont ook aan welk ene vurigheid en ijver vereist worden in hen, die er naar streven van hun Godsdienst een hemel te maken. Zij, die in wensen te gaan in het koninkrijk der hemelen, moeten strijden om in te gaan, aan dat koninkrijk moet een heilig geweld worden aangedaan, er moet zelfverloochening wezen, neiging, aard, gemoedsgesteldheid moeten ene verandering ondergaan: er zijn moeilijke, zware diensten te verrichten, er moet zwaar lijden worden geleden: de verdorvene natuur moet ten onder worden gehouden, wij moeten lopen, en worstelen, en strijden, en in doodsbenauwdheid zijn, en dát is dan nog luttel genoeg om er zulk een prijs mede te winnen, en over zulk een tegenstand van buiten en van binnen te zegevieren. "De geweldigers nemen hetzelve met geweld." Zij, die deel willen hebben aan de grote zaligheid, worden er met ene sterke begeerte naar uitgedreven, zij willen haar machtig worden op elke voorwaarde, en zullen die voorwaarde dan niet hard vinden, en zij zullen, haar aangegrepen hebbende, haar niet loslaten, voor zij een' zegen hebben verkregen, Genesis 32:26. Zij, die hun roeping en verkiezing vast willen maken, moeten "naarstigheid toebrengen." Het koninkrijk der hemelen was nooit bedoeld om aan de gemakzucht van beuzelaars toe te geven, maar wel om de ruste te zijn voor hen, die arbeiden. O mochten wij het heerlijk gezicht aanschouwen, dat zeer velen komen, niet om met toorn en strijd anderen uit het koninkrijk der hemelen te werpen, maar om door een heiligen strijd er zelven in te gaan. De prediking van Johannes was "het begin des Evangelies," naar luid van Markus 1:1 en Handelingen 1:22. Dit wordt hier aangetoond in tweeërlei opzicht. In Johannes zien wij het einde komen van de Oud-Testamentische bedeling, vers 13. Die bedeling was tot aan dat tijdstip in volle kracht en wezen gebleven, maar toen begon zij af te nemen. Hoewel het verplichtende van de wet van Mozes niet opgeheven was tot na den dood van Christus, begonnen toch de ontdekkingen van het Oude Testament plaats te maken voor de helderder openbaringen van het koninkrijk der hemelen, dat nabij was. Omdat het licht des Evangelies (gelijk het licht der natuur) de wet van het Evangelie moest voorafgaan om er den weg voor te banen, zijn de profetieën van het Oude Testament tot een einde gekomen (een einde van voltooiing, niet van duur) voordat de voorschriften er van hebben opgehouden, zodat, als Christus zegt: "Al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd," dan toont Hij, ten eerste: hoe het licht van het Oude Testament bestond in de wet en de profeten, die, hoewel duisterlijk, van Christus en Zijn koninkrijk hebben gesproken. Van de wet wordt gezegd, dat zij zowel als de profeten, profeteert van Hem, die komen zou. Christus begon "van Mozes," Lucas 24:27. Christus was door de zwijgende tekenen van het Mozaïsche werk voorzegd, zowel als door de duidelijker sprekende stemmen der profeten, en Hij werd aangetoond en voorgesteld, niet slechts in de woordelijke voorzeggingen, maar in persoonlijke typen en afschaduwingen. God zij er voor geloofd, dat wij de Nieuw-Testamentische leer hebben om de Oud-Testamentische profetieën te verklaren, en de Oud- Testamentische leer te bevestigen en op te helderen, Hebreeën 1:1. Evenals de twee cherubs, zien zij elkaar aan. De wet was voorlang door Mozes gegeven, en er waren gedurende driehonderd jaren voor Johannes gene profeten geweest, en toch wordt van beiden gezegd, dat zij "tot Johannes toe geprofeteerd hebben," omdat de wet nog werd waargenomen, en Mozes en de profeten nog gelezen werden. De Schrift leert tot op den huidigen dag, hoewel de schrijvers er van niet meer zijn. Mozes en de profeten zijn gestorven, de apostelen en evangelisten zijn gestorven, Zacheria 1:5, maar het woord des Heeren blijft in der eeuwigheid, 1 Petrus 1:25, de Schrift spreekt nog duidelijk tot ons, hoewel de schrijvers zwijgen in het stof. Ten tweede, hoe dit licht ter zijde wordt gesteld. Als Hij zegt, zij profeteerden tot aan Johannes, dan geeft Hij te kennen, dat hun heerlijkheid taande, in de schaduw werd gesteld door grotere heerlijkheid, hun voorzeggingen werden vervangen door Johannes' getuigenis: "Zie het Lam Gods!" Zelfs voordat nog de zon aan de kim verschenen is, maakt het morgenlicht het kaarslicht reeds duister. Hun profetieën van een Christus, die komen zou, was verouderd, toen Johannes zei: "Hij is gekomen." In hem begon de Nieuw-Testamentische dag aan te breken, want, vers 14, "hij is Elias, die komen zou." Johannes was als een band, die de twee Testamenten aan elkaar verbonden heeft, gelijk Noach de schakel was, die de beide werelden verbond. De slotprofetie van het Oude Testament was: "Zie, Ik zende ulieden den profeet Elia" Maleachi 4:5, 6. Deze woorden waren profetie tot aan Johannes, en toen, geschiedenis geworden zijnde, hielden zij op profetie te zijn. Ten eerste: Christus spreekt er van als van ene grote waarheid, dat Johannes de Doper de Elias is van het Nieuwe Testament, niet Elias in eigen persoon, zoals de vleselijk gezinde Joden dachten, dat ontkende hij, Johannes 1:21, maar een, die komen zou in den geest en de kracht van Elias, Lukas 1:17, hem gelijk in aard en wandel, die, door te wijzen op den toorn Gods vanwege de zonde, tot bekering zou dringen, en inzonderheid, gelijk het heet in de profetie, "het hart der vaderen tot de kinderen zal weder brengen". Ten tweede: Hij spreekt er van als van ene waarheid, die niet gemakkelijk begrepen zou worden door hen, wier hoop en verwachting aan het aardse koninkrijk van den Messias bleef hangen. Christus acht, dat deze waarheid geen welkom onthaal zal vinden, en daarom voegt Hij er bij: "Zo gij het wilt aannemen." Niet alsof hun al of niet aannemen er van aan die waarheid iets afdeed, maar Hij verwijt hun hun vooroordelen, waardoor zij traag waren om de grootste waarheden aan te nemen, indien zij streden tegen hun begrippen of opvattingen, al strookten zij ook nog zo met hun belangen. Of "zo gij hem wilt aannemen, of zo gij het dienstwerk van Johannes wilt aannemen als dat van den beloofden Elias, dan zal hij een Elias voor u zijn om u te bekeren en u toe te bereiden voor den Heere." De Evangeliewaarheden zijn, naar zij ontvangen worden, ene reuke des levens of des doods. Christus is een Zaligmaker en Johannes een Elias voor hen, die de waarheid hen betreffende willen aannemen. Eindelijk: onze Heere Jezus besluit deze rede met een ernstigen eis tot aandacht, vers 15 :"Wie oren heeft om te horen, die hore, " hetgeen aanduidt, dat deze dingen duister waren en moeilijk te verstaan, en dus aandacht vereisten, maar van zeer groot belang en dus die aandacht wel waardig waren. "Laten alle mensen hier nota van nemen: indien Johannes de Elias is, van wie geprofeteerd werd, dan is er voorzeker ene grote omwenteling gaande, het koninkrijk van den Messias staat gevestigd te worden, en de wereld zal weldra door ene gelukkige verandering verrast en verblijd worden. Dat zijn dingen, die uwe ernstige aandacht vragen, en daarom is het voor u allen zaak, om te horen naar hetgeen Ik zeg." De dingen Gods zijn van zeer groot en algemeen belang, ieder, die oren heeft om iets te horen, heeft er belang bij dit te horen. Dit geeft te kennen, dat God niets meer van ons eist dan de vermogens, die Hij ons gegeven heeft, te gebruiken tot ons nut. Hij eist dat diegenen horen zullen, die oren hebben, dat diegenen hun verstand zullen gebruiken, die verstand hebben. En zo zijn de mensen dus onwetend, niet omdat hun het vermogen ontbreekt om te weten, maar omdat er hun de wil toe ontbreekt, zij horen niet, omdat zij, gelijk de dove adder, hun oren toestoppen.