Deuteronomium 21:18-23
I. Hier is een wet om een wederspannige zoon te straffen. De vorige wet er in voorzien hebbende, dat ouders hun kinderen niet van hun recht zullen beroven, was het voegzaam, dat nu vervolgens er in voorzien zal worden, dat kinderen niet tekort zullen komen in de beloning van de eerbied en het betrachten van de plicht, die zij aan hun ouders verschuldigd zijn, want er is in Gods wet geen partijdigheid.
1.Merk op, hoe de misdadiger hier beschreven wordt. Hij is een moedwillige en weerspannige zoon, vers 18. Aan geen kind moest het er slechter om gaan, dat het zwak van gestel, langzaam van begrip en klein van verstand was, maar wel om moedwilligheid en weerspannigheid. Als de zoon zich trots en beledigend gedraagt tegenover zijn ouders, het uitdrukkelijk gebod dat zij hem geven, hem ten goede, overtreedt, zich door hun kastijding niet wil laten verbeteren, schande brengt over hun geslacht, hun hart bedroeft, hun goed doorbrengt, en door zijn losbandig leven dreigt hen te gronde te richten, dan is hij een moedwillige en weerspannige zoon. Inzonderheid wordt hij verondersteld, een braseer of een dronkaard te zijn. Dit geeft te kennen dat er zonden waren, waartegen zijn ouders hem zeer bijzonder gewaarschuwd hadden, en dat het dus hierin duidelijk bleek, dat hij aan hun stem niet gehoorzaam was. Aan Lemuël werd door zijn moeder die last gegeven, Spreuken 31:4. In de opvoeding van kinderen moet grotelijks zorg gedragen worden om alle neiging tot dronkenschap tegen te gaan, en hen uit de weg van de verzoeking er van te houden, daarom moet hun reeds vroeg vrees en afschuw van die beestachtige zonde worden ingeboezemd, en hen intijds geleerd worden zichzelf te verloochenen. Of:
b. Dat hij zo beledigend en weerspannig was jegens zijn ouders, omdat hij een brasser en dronkaard was. Er is niets, dat de mensen meer zeker en meer noodlottig tot allerlei slechtheid brengt, en hen er in verhardt, dan dronkenschap. Als mensen aan de drank zijn, vergeten zij de wet Spreuken 31:5, zelfs de fundamentele wet van hun ouders te eren.
2. Hoe met die misdadiger gehandeld moet worden. Zijn eigen vader en moeder moeten zijn aanklagers zijn, vers 19, 20. Zij zouden hem niet zelf ter dood mogen brengen, maar zij moeten hem aanklagen bij de oudsten van de stad, en die aanklacht moet wel met een bedroefd hart gedaan worden: Deze onze zoon is afwijkende en weerspannig. Zij, die zich overgeven aan ondeugd en goddeloosheid en zich niet willen verbeteren, verbeuren hun deel in de natuurlijke genegenheid van hun naaste betrekkingen, de oorzaken van hun bestaan worden terecht de oorzaken van hun verderf. De kinderen, die hun plicht vergeten, moeten zichzelf, en niet hun ouders, er van beschuldigen, als zij met minder genegenheid worden aangezien. En hoe moeilijk teder liefhebbende ouders het thans ook vinden om zich met de rechtvaardige straf van hun wederstrevende kinderen te verzoenen, ten dage van de openbaring van de rechtvaardige oordelen Gods, zal alle natuurlijke genegenheid zó volkomen opgaan in de Goddelijke liefde, dat zij zelfs in de veroordeling zullen berusten van die kinderen, omdat God er voor eeuwig in zal verheerlijkt worden.
3. Welk oordeel aan hem voltrokken moet worden, hij moet in het openbaar door de lieden van zijn stad gestenigd worden, dat hij sterve vers 21. En aldus:
a. Werd het ouderlijk gezag hoog gehouden, en God, ons aller Vader, toonde er zich ijverig voor, daar het één van de eerste en oudste stromen is, ontleend aan Hem die de fontein is van alle macht. b. Deze wet, behoorlijk tenuitvoer gelegd, zou reeds vroeg alle werkers van de ongerechtigheid uitroeien uit het land, Psalm 101:8, en het verspreiden van die kanker voorkomen, door het verrotte deel reeds bijtijds weg te snijden, want zij, die slechte leden waren van een gezin, zullen nooit goede leden worden van de maatschappij.
c. Het zou kinderen met ontzag vervullen, en hen door vrees en schrik tot gehoorzaamheid aan hun ouders brengen, indien zij niet op andere wijze tot hun plicht gebracht en bij hun plicht gehouden kunnen worden. Opdat geheel Israël het hore en vreze. De Joden zeggen: De oudsten, die hem veroordeelden, moesten er een geschreven kennisgeving van zenden aan geheel de natie: "in dat en dat hof, op zo'n dag, is die en die persoon door ons gestenigd, omdat hij een moedwillige en weerspannige zoon was." En ik heb wel eens gewenst dat, gelijk in al onze gerechtshoven een nauwkeurig register gehouden wordt van de veroordeling van misdadigers, in perpetuam rei memoriam opdat de gedachtenis er van niet verloren ga, er ook openbaar en authentiek kennis worde gegeven in druk aan geheel het koninkrijk van zodanige veroordelingen en strafvoltrekkingen door de oudsten zelf, in terrorem opdat allen zullen horen en vrezen.
II. Een wet voor de begrafenis van kwaaddoeners, die gehangen waren, vers 22. Het was onder de Joden in het geheel niet in gebruik zoals onder ons, om hen op te hangen aan de hals zodat er de dood op volgt, maar dezulken, die gestenigd waren, indien het wegens Godslastering of een andere afschuwelijke misdaad was, werden, op bevel van de rechters, hun dode lichamen, gedurende enige tijd aan een paal gehangen, als een schouwspel voor de wereld, om het schandelijke van de misdaad te kennen te geven, en anderen met des te meer schrik en afgrijzen te vervullen, opdat zij niet alleen zouden horen en vrezen maar ook zouden zien en vrezen. Nu wordt hier bevolen dat zij, op welk uur van de dag zij ook opgehangen werden, met zonsondergang afgenomen en begraven meesten worden, maar niet de gehele nacht moesten blijven hangen, de zodanige (zegt de wet) is deze bestraffing genoeg, tot hiertoe moet zij gaan, maar niet verder. Laat de boosdoener en zijn misdaad verborgen zijn in het graf.
1. God wilde aldus de eer hoog houden van het menselijk lichaam, en dat men tederheid zal hebben ook voor de ergste misdadigers. De tijd voor het tentoonstellen van dode lichamen is aldus beperkt om dezelfde reden, waarom door een andere wet, het getal geselslagen beperkt werd, opdat niet uw broeder voor uw ogen verachtelijk gehouden worde. Het straffen na de dood behoudt God zichzelf voor, maar voor de mens is dan niets meer te doen. Het is dus wel de vraag, of het ophangen van misdadigers in ketenen, en het tentoonstellen van hun hoofden en gevierendeelde lichamen betamelijk is onder Christenen, die de opstanding van het lichaam verwachten.
2. Het is echter duidelijk dat er een ceremoniële betekenis in was gelegen. Volgens de wet van Mozes was de aanraking van een dood lichaam verontreinigend, en daarom moeten dode lichamen ook niet blijven hangen in het land, omdat dit, naar dezelfde regel, het land zou verontreinigen. Maar:
3. Er wordt hier een reden gegeven, die betrekking heeft op Christus: een opgehangene is Gode een vloek, dat is: het is de hoogste mate van smaad en schande, die een mens aangedaan kan worden, en maakt hem bekend als liggende onder de vloek van God, zoveel als een uitwendige straf dit kan. Zij, die hem aldus zien hangen tussen hemel en aarde, zullen tot de gevolgtrekking komen dat hij door beide verlaten en beide onwaardig is, laat hem dus niet de gehele nacht blijven hangen, want dat zou te ver gaan. Als de apostel aantoont hoe Christus ons verlost heeft van de vloek van de wet door zelf een vloek voor ons gemaakt te zijn, heldert hij dit op door het brandmerk, dat op iemand geplaatst was die aan een hout werd gehangen, te vergelijken met de dood van Christus, Galaten 3:13. Door de Geest geleid zijnde, gebruikt Mozes deze uitdrukking van Code een vloek te zijn, als hij niets meer bedoelt dan met de uiterste schande en smaad behandeld te zijn, opdat dit later toegepast zou worden op de dood van Christus en zou aantonen dat Hij de vloek van de wet voor ons ondergaan heeft, hetgeen Zijn liefde ten zeerste verhoogt, en een grote bemoediging is voor ons geloof in Hem. En (gelijk de uitnemende bisschop Patrick terecht opmerkt) deze Schriftuurplaats wordt toegepast op de dood van Christus, niet alleen omdat Hij onze zonden gedragen heeft en blootgesteld was aan versmaadheid en schande, zoals deze kwaaddoeners, die door God vervloekt waren, maar omdat Hij in de avond van het vloekhout werd afgenomen en begraven, (en dat wel door de bijzondere zorg van de Joden met het oog op deze wet, Johannes 19:3 ten teken dat nu, de schuld weggenomen zijnde, aan de wet voldaan was, zoals er aan voldaan was, als de boosdoener tot aan zonsondergang bleef hangen, meer eiste zij niet. Toen hield hij op een vloekte zijn. En gelijk het land Israëls rein was, als het dode lichaam was begraven, zo is ook de gemeente gewassen en gereinigd door de volkomen voldoening, gewrocht door Christus.